Declaratiegedrag

BIJNA ALS EEN ANTICLIMAX is er nu dan het rapport-Peper. De Commissie tot Onderzoek van de Rekening van de Rotterdamse gemeenteraad (COR) heeft een geserreerd rapport gepresenteerd over het declaratiegedrag van opeenvolgende colleges van burgemeester en wethouders in de periode 1986-1999. De vraag die op ieders lippen brandt is: rechtvaardigt de uitkomst het spectaculaire aftreden van de oud-burgemeester in zijn nieuwe functie van minister van Binnenlandse Zaken?

Zo rechtlijnig ligt het helaas niet, al was het alleen omdat het oordeel aan de Rotterdamse gemeenteraad is en niet aan de COR. Zoals een onderzoekscommissie betaamt, heeft zij zich vooral beijverd feitenmateriaal voor de raad als geheel aan te dragen. Het gaat bovendien om de vorige functie van Peper. De bevindingen van de COR vallen niet zonder meer te transponeren naar zijn inmiddels beëindigde ministerschap. De staatsrechtelijke vertrouwensregel heeft aan de Coolsingel een andere betekenis dan aan het Binnenhof.

Toch is het opmerkelijk dat de commissie terughoudend is in de gekozen terminologie. Zij gebruikt kwalificaties als ,,slordig'' en ,,onzorgvuldig'', zowel voor wat betreft de colleges als geheel als voor individuele leden. De commissie uit verder twijfel over de rechtmatigheid van bepaalde uitgaven. Twijfel is iets anders dan gebleken onrechtmatigheid. Dat verschil is van belang aangezien het hier uitgaven betreft uit afgesloten periodes.

Er is décharge verleend aan de burgemeester en wethouders die nu onder de loep worden genomen en daarop kan men later niet zomaar terugkomen. Om dat te doen, moet sprake zijn van onregelmatigheden van een ernst die het mogelijk maakt ten onrechte vergoede bedragen in rechte terug te vorderen. Het is duidelijk dat dit een uiterst middel is dat zich leent voor het nodige tegenweer van de betrokkenen, zoals Peper al omstandig heeft aangekondigd.

Daarbij komt dat de twijfels over zijn declaratiegdrag en bijbehorende stijl van regeren al langer bekend waren. De gemeenteraad zat er bij en keek er naar maar durfde het hete hangijzer pas echt aan te pakken toen de burgemeester weg was. Het gebrek aan moed is natuurlijk wrang, doch de vraag is of dit een reden is het onderzoeksrapport te diskwalificeren. Daarvan kan geen sprake zijn.

OOK ALS HET NIET komt tot terugbetaling, bevat het rapport zoveel ernstige bezwaren, zoals dat in het juridisch jargon heet, dat zij de aandacht ten volle waard zijn. Er zijn goede redenen niet overdreven te tillen aan ieder afwezig bonnetje, een paar gehuurde smokings (meer dan tien jaar geleden!) of zelfs aan een particulier ommetje op een buitenlandse dienstreis. Maar er zijn meerdere gevallen waarin de commissie niet anders kan doen dan concluderen dat het privékarakter van een buitenlandse reis overheerste. En zo gaat het maar door in de bijlagen.

Het gaat niet alleen om de rekeningen van Peper zelf. Deze burgemeester mag een onconventionele voortrekkersrol hebben vervuld, met bijbehorend declaratiegedrag, maar hij was ook verantwoordelijk voor het gehalte van het bestuurlijk apparaat. Het burgemeesterschap is een voorbeeldfunctie. In dit verband is het een verontrustende bevinding van de COR dat collegeleden in een aantal gevallen afrekeningen en opnamen van geld hebben ,,afgeschoven op ondergeschikten''. Het komt in de beste (regerings)kringen voor, zegt men, dat een medewerker even de rekening voor een bewindspersoon betaalt, maar dat hoeft een correcte afhandeling nog niet in de weg te staan.

Beter laat dan nooit zal de Rotterdamse raad zich nu moeten uitspreken over de ,,beleidsdiscretie'' en het ,,netwerken'' waarop Peper zich beroept. De Tweede Kamer staat daarbij voorshands aan de zijlijn. Haar past afstand tot de oordeelsvorming over de vorige functie van een minister. In dit geval zijn er echter niet te negeren raakvlakken, want de minister van Binnenlandse Zaken is portefeuillehouder voor de integriteit van het openbaar bestuur.

We moeten niet kinderachtig doen over oude bonnetjes. Maar het beroep op beleidsdiscretie van burgemeester Peper en de zogeheten vertrouwensregel binnen het college in zijn tijd steekt af tegen de stellige verklaring van minister Peper: ,,Juist ook als het gaat om integriteit is het kabinet een voorstander van maximale transparantie van het overheidshandelen'' (29 september 1999).

HET AFTREDEN VAN PEPER heeft deze spanning niet geheel opgelost. Het Rotterdamse rapport bevat niet alleen volop stof voor discussie in de gemeenteraad over de vorige burgemeester maar ook voor Den Haag over de afweging van de formateur bij zijn voordracht van uitgerekend deze kandidaat voor een zo gevoelig ministerschap.