De wet en de privacy

Omdat in een democratie ook Jan Rap en z'n maat tot hoge ambten kunnen worden geroepen, is het nodig er op toe te zien dat overheidsfunctionarissen de hun toevertrouwde gemeenschapsgelden niet ten eigen bate aanwenden. Dat was de kern van het betoog van politicoloog Fennema onlangs in deze krant. Alleen schreef hij het wat vriendelijker op. Hij heeft gelijk en de openbaarheid die de laatste tijd wordt gehanteerd levert vast al resultaat op. Nu de kranten zich vrolijk hebben kunnen maken over het kruimelende declaratiegedrag van bewindslieden zullen overheidsdienaren zich in de toekomst wel even bedenken voor zij hun vlakgommetjes en haarspeldjes niet uit eigen zak betalen. In de discussies en het rumoer rond dit onderwerp valt opmerkelijk vaak het woord `privacy'. De persoonlijke levenssfeer zou bij onderzoek en openbaarmaking worden geschonden. Degenen die zich zo verdedigen lijken niet te beseffen dat zij zichzelf met zo'n redenering klem zetten. Wie, als het om geld gaat, streng is in scheiding van werk en privé heeft niets te vrezen, want dan hoeven agenda's en dagboeken niet te worden doorgevlooid. Ook degenen die zich door de nieuwe status niet laten verleiden boven de stand te gaan leven, beschermen zelf hun privacy.

Openbaarheid speelt de laatste tijd op nog een ander vlak. Zij het dat daar in de media minder aandacht aan wordt geschonken. Waarschijnlijk omdat de verhalen er omheen minder sappig zijn, want het onderwijs betreffen, meer speciaal de onderwijsinspectie. Die krijgt van de minister een ingrijpender taak dan wettelijk is toegestaan.

In de Grondwet staat duidelijk dat de overheid zich alleen met het onderwijs mag bemoeien op aspecten die door het parlement in wetten zijn vastgelegd. Scholen moeten die wetten uitvoeren en de inspectie controleert namens de minister of het naar behoren gebeurt. Zo zijn er wetten over kerndoelen, exameneisen, minimum aantal schooluren, specifieke zorg voor kinderen met leermoeilijkheden en zo meer.

Die wettelijke kwaliteitseisen heten tezamen deugdelijkheidseisen, omdat in de Grondwet staat dat de overheid de zorg heeft voor voldoende `deugdelijk' onderwijs. Daarom mag zij wettelijke eisen stellen en scholen die daar niet aan voldoen geldelijke steun onthouden.

Het spreekt vanzelf dat niet zo maar alles in een onderwijswet terecht kan komen. Alleen wat van noodzakelijk belang is voor het onderwijsproces, maatschappelijk breed wordt aanvaard, in wetenschappelijk opzicht onomstreden is en de levensbeschouwelijke vrijheid van onderwijs niet aantast, kan een plaats krijgen. Voorwaarden voor goed onderwijs zijn bovendien niet statisch. Er kunnen door maatschappelijke ontwikkelingen nieuwe eisen nodig zijn. Maar altijd zal aan bovengenoemde vier normen moeten worden voldaan.

Er zijn echter twee aspecten waarop de inspectie van de minister de scholen moet gaan beoordelen die hier op geen enkele wijze aan voldoen: het pedagogisch klimaat en de didactische aanpak. Wat als ideale opvoeding en te prefereren manier van lesgeven kan worden gezien is in ieder geval met beroep op de noodzakelijkheid en wetenschappelijke onomstredenheid niet te onderbouwen, laat staan wettelijk vast te leggen.

De minister weet dat natuurlijk ook en wil ze dan ook helemaal niet wettelijk regelen. De inspectie kan op eigen gezag gaan oordelen. Dat is dus in strijd met de Grondwet. Maar wie, zoals de Onderwijsraad, de minister daarop wijst, krijgt als antwoord dat dat `star' is. Is een Grondwet echter niet juist bedoeld om star te zijn? Een stevig fundament te leggen onder de schommelende wanen van de dag?

De minister beroept zich louter op het maatschappelijke draagvlak en dat is trendgevoelig. De inspectie moet er bijvoorbeeld op gaan toezien dat er zo min mogelijk klassikaal les wordt gegeven, dat leerlingen op hun zelfstandigheid worden aangesproken, dat leerstrategieën een prominente rol spelen en dat opdrachten bestaan uit voor kinderen herkenbare, concrete situaties. Er is niets mis mee als het op een school zo toegaat. Maar het is niet noodzakelijk voor een goed leerproces, wetenschappelijk is niet vastgesteld dat dit allemaal beter is dan met een andere pedagogische en didactische inslag en ouders behoren de vrijheid te hebben hun kinderen dagelijks in een ander en beter bij hun eigen ideeën passend opvoedingsklimaat te laten verkeren. Zij zijn per slot van rekening verplicht hun kinderen naar school te sturen.

Wat nu bij de minister en de inspectie als ideaal wordt gehanteerd is de neerslag van een tijdgebonden manier van denken over kinderen, waaraan ook al weer een beetje wordt getwijfeld. Zo is er een toenemend aantal ouders dat een vraagteken zet bij de sterk geïndividualiseerde benadering van hun kinderen en graag zouden zien dat zij wat meer als sociaal groepslid zouden worden beschouwd, wat klassikaler dus. Maar de school waarnaar zij zouden zoeken zou door de inspectie een negatieve beoordeling krijgen. Zoals die school in het midden van het land, die al enkele jaren Cito-toets resultaten boven het landelijk gemiddelde haalt en een manier heeft om zwakke leerlingen extra te begeleiden, waarvan zelfs de inspecteur moet toegeven dat die `prima' is. Maar toch heeft hij als vaderlijke vermaning laten weten dat de school voor zijn eigen bestwil een omslag moet maken, want de daar gebruikelijke en door de ouders gewaardeerde klassikale manier van lesgeven deugt niet.

Omdat dit soort eisen geen wettelijke basis heeft, kunnen er geen bekostigingssancties volgen als scholen er niet aan voldoen. Maar veel venijniger is de sanctie van de openbaarheid. Alles wat de inspectie op scholen heeft aan te merken valt onder de Wet Openbaarheid van Bestuur en is op te vragen door de media. Het is zelfs zo dat de overheid de ruwe gegevens niet netjes hoeft te ordenen voor ze de openbaarheid in gaan. Iedere journalist kan dus zelf gaan interpreteren en opschrijven. Hebben scholen eigenlijk ook recht op privacy, zolang zij zich aan de wet houden?