De kameel is niet de enige spookrijder

Hoewel het asfalt goed is en een snelheid van zeventig kilometer per uur verantwoord lijkt, wordt het even ten zuiden van Delhi pas echt gevaarlijk. National Highway 2 naar Agra heeft op dit traject vier banen en zelfs één middenberm, zodat de noordelijke en zuidelijke verkeersstromen gescheiden zijn. In theorie, zo blijkt in de buurt van het stadje Palwal. In de verte doemt een voertuig op dat traag beweegt, over de snelle rijstrook. Paard-en-wagen? Nee, een kameel dat voor een houten kar is gespannen en voortwaggelt in de richting van Delhi, tegen het verkeer in. In India rijdt men links, vooral in theorie, en in dat opzicht heeft het trotse spookdier ten minste voor een deel het juiste pad gekozen. Het beest moet stalen zenuwen hebben, maar het heeft het voordeel dat het de weg goed kent, blijkbaar, want zijn berijder is achter hem op de kar in slaap gevallen. Stokoude Ambassadors, gloednieuwe Tata's, roestende Gypsy-jeeps en andere voertuigen rijden er met een simpele slingerbeweging omheen, toeteren een keer en zetten hun tocht naar het zuiden voort. Het dier laat zich niet afleiden.

Een Westerse automobilist rijdt op de Indiase wegen in dit geval van Delhi naar Indore in de deelstaat Madhya Pradesh - een absurdistische film binnen. Niet alleen om de kuilen en hobbels maakt een automobilist niet veel meer dan driehonderd kilometer per dag. Als er verkeersregels bestaan, heeft India het breedste gedoogbeleid op aarde.

De kameel is niet de enige spookrijder vandaag. Na tien kilometer volgt een stel slome waterbuffels, dan een brullende tractor, nog een kameel, een troep heilige koeien, nog een kameel, een paard-en-wagen en een hele kudde ezels die door hun begeleider via de kortste route naar een nabijgelegen dorp worden geleid. Een vrachtwagenchauffeur vindt het midden van de weg de beste plek om een kleine reparatie uit te voeren.

Het eerste dorp voorbij Agra, waar de weg naar Indore en Bombay overgaat in de tweebaans-National Highway 3, wordt aangekondigd door een vrachtwagen die, deels uitgebrand, op zijn kop langs de weg ligt, de lading half over de weg. De chauffeur ligt in de schaduw van zijn verwoeste voertuig. Hij slaapt op een charpoi, een met touwen bespannen bed, kennelijk wachtend op hulp. Tussen hem en Indore ligt in de dagen daarna gemiddeld om de veertig kilometer een gekantelde collega. Misschien hadden zij, net als hij, ook een verkeersdrempel gemist.

Hoewel hier en daar de eerste bypasses opduiken, heeft de National Highway Authority of India nog steeds geen geld uitgetrokken voor ongelijkvloerse kruisingen of stoplichten; vrijwel alle wegen lopen daarom dwars door steden en dorpen. Om de snelheden van het voorbijrazende verkeer te beperken leggen dorpelingen doorgaans zelf drempels aan: één aan het begin, één bij de bazaar en één aan het eind. India telt 650.000 steden en dorpen, te samen goed voor vele miljoenen speed breakers. Sommige drempels zijn comfortabele, lichte glooiingen in de weg, de meeste dwingen de weggebruiker tot vrijwel volledige stilstand, zoals de gemeenste van alle drempels, het vijfdelige wasbord dat bij onbewaakte spoorwegovergangen veel wordt gebruikt. Er is echter één probleem: ze geven zelden aan waar ze precies liggen. Op honderden kilometers van National Highway 3 maakt het niet zoveel uit; de weg heeft zoveel kuilen en andere obstakels slapende honden, spelende kinderen, trekkende herders – dat een extra hobbel de snelheid niet veel vermindert. Toch zijn de drempels verraderlijk: in één van de dorpen waar de weg toevallig net over een traject van honderdvijftig meter was herasfalteerd, gebruikt de plaatselijke saree-winkelier het waarschuwingsbord, toch niet de minste plek van het dorp, als reclame-zuil.

Even voor de oude fort-stad Gwalior, zes uur onder Delhi, valt de duisternis in. Een tankwagen van de oliemaatschappij Indian Oil, mede te herkennen aan de geschilderde tekst `Highly imflemmable' (sic) op de achterkant, haalt luidt toeterend in, vlak voor een bocht. Zijn lichten moeten maanden geleden al voorgoed zijn gedoofd. Als hij in de bocht plotseling een tegenligger ziet, snijdt hij net als alle Indiase automobilisten, het halfingehaalde voertuig, totdat hij weer op de goede weghelft zit. Regel is wel dat de bijrijder op vrachtwagens tijdens de inhaalmanoeuvre een arm uit het raam wappert ten teken dát zijn chauffeur gaat snijden.

Wat er achter je gebeurt, is van geen belang in de Indiase verkeersjungle. Zijspiegels ontbreken of zijn permanent naar binnengeklapt door de motor-wallah, de autowasser die de Indiase middenklassen dagelijks laten komen voor honderdvijftig rupees per maand, zeven gulden vijftig. In de praktijk blijkt waarom Indiërs geen spiegel gebruiken: wie wil inhalen, toetert veertien of vijftien keer en heeft daarmee het recht op alle medewerking. Alle vrachtwagens en autoriksja's zijn op de achterkant voorzien van de vrolijke tekst `Horn Please!' De claxon moet de redding zijn van honderdduizenden Indiase levens per jaar, zo blijkt in een dorpje in de buurt van Shivpuri. Een jonge man steekt rustig over zonder ook maar één keer op te kijken. Voetgangers, of welke andere indringers op het asfalt dan ook, worden vanzelf wel gewaarschuwd.

Verwonderlijk is het misschien niet dat het Indiase verkeer jaarlijks tienduizenden verkeersdoden vergt. Alleen al in Delhi, de meest gemotoriseerde stad van het land, vallen elk jaar ruim tweeduizend doden. Dat is bijna drie keer zoveel als in heel Nederland, dat niet alleen vijf miljoen inwoners meer heeft, maar ook beduidend meer motorvoertuigen dan de Indiase hoofdstad.