De hemel beschreven

Sinds jaar en dag heb ik een abonnement op The Times Literary Supplement. Heus niet omdat dat blad zoveel aandacht aan China besteedt. Het tegendeel is namelijk het geval. De TLS bestrijkt dan misschien wel de hele wereld, maar toch vooral zoals die wordt waargenomen vanuit London, Oxford en Cambridge. Een geur van Britse bekrompenheid stijgt dan ook bij tijd en wijle uit de pagina's op. In de loop der jaren ben ik al lezend meer te weten gekomen over de middeleeuwse koningen en kerken van Engeland en het Schotse rechtsstelsel dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ook voor de Britse aanwezigheid in de buiten-Europese wereld is altijd veel aandacht, maar de herinneringen van het achternichtje van de laatste Engelse postkantooremployé in Shanghai hebben een grotere kans om in de TLS besproken te worden dan een studie over de Chinese cultuur zelf.

Het nummer van 18 februari 2000 van de TLS was gedeeltelijk gewijd aan wetenschapsgeschiedenis. Het omslag wekte de indruk dat dit keer nu eens wel de nodige aandacht besteed zou worden aan China, want het toonde (een moderne reconstructie van) de seismograaf van Zhang Heng (78-139; wie de voorkeur geeft aan de Wade-Giles transcriptie mag ook schrijven Chang Heng maar het is in geen geval `Chen Hang', zoals de TLS ons wil doen geloven op blz. 2). Maar mijn verbazing was ten onrechte want de geschiedenis van de wetenschap bleek zich weer eens te beperken tot het westen: de daadwerkelijk besproken boeken bestreken onderwerpen van Galileo (en zijn dochter) tot Darwin en Bohr.

Het nummer werd echter geopend met de (bekorte) tekst van een lezing voor de British Academy door Geoffrey Lloyd, een classicus uit Cambridge en `Professor of Ancient Philosophy and Science' aldaar, die zich de afgelopen jaren intensief heeft beziggehouden met de vergelijkende wetenschapsgeschiedenis. In dat kader heeft hij zich niet alleen gericht op de ontwikkeling van het wetenschappelijke denken in het oude Griekenland, maar ook in andere delen van het oude Midden-Oosten en zelfs, geïnspireerd door het werk van wijlen zijn plaatsgenoot Joseph Needham, in nog verdere gewesten, zoals China.

Ik veroorloof me drie opmerkingen aan zijn adres naar aanleiding van deze recente lezing (die ik mij vagelijk herinner enkele jaren geleden al eens gehoord te hebben op de Sorbonne), hoewel ik dan ongetwijfeld onrecht doe aan de diepte en breedte van zijn onderzoek.

In zijn `Watching for the eclipse. Babylonia, China, The Greeks: three different approaches to the study of the heavens', vergelijkt Lloyd de ontwikkeling van de wetenschap in het oude Babylonië, China en Griekenland, en zijn voorbeeld is daarbij de ontwikkeling van de astrologie en astronomie.

Kort samengevat komt Lloyd tot de conclusie dat de Babyloniërs bleven steken in de astrologie, dat de Chinezen vastliepen door hun verregaande bureaucratisering, en dat de Grieken grote vorderingen konden maken door het vrije debat in de afzonderlijke stadstaten – helaas ondergroef de voortgaande discussie uiteindelijk iedere gedeelde zekerheid.

Het eerste wat opvalt bij lezing is – de titel geeft het al aan – dat Babylonië en China voor Lloyd ongedifferentieerde culturen zijn en niet bestaan uit concrete personen: geen enkele astronoom wordt bij name genoemd. Griekenland bestaat daarentegen blijkbaar geheel uit individuen en Lloyd staat uitvoerig stil bij de figuur van een zekere Eudoxus, die leefde tijdens de vierde eeuw v.Chr., ook al zijn de beschikbare gegevens over 's mans leven ``not...too reliable in detail''. Maar goed, misschien wist hij al van tevoren wat de TLS zou doen met de naam van iemand als Zhang Heng, die tweemaal diende als hoofd van het keizerlijke astronomisch bureau.

Het tweede wat opvalt is het verschil in besproken periodes. De Griekse cultuur wordt in de ogen van Lloyd vooral vertegenwoordigd door de stadstaten van de vierde en derde eeuw v.Chr. Die periode wordt vergeleken met de cultuur van het Tweestromenland tijdens de twee millennia van 2000 v.Chr. tot het jaar nul, en met de cultuur van het keizerlijke China, vanaf de stichting van het keizerrijk door de Eerste Keizer in 221 v.Chr. tot de troonsafstand in 1911 door het kind-keizertje Puyi, de laatste heerser van de Mantsjoe Qing-dynastie. Lloyd heeft het ongetwijfeld niet zo bedoeld, maar zijn presentatie wekt natuurlijk wel de indruk dat de Chinese cultuur zich twee millennia lang, tot in de twintigste eeuw, in wezen niet heeft ontwikkeld en is blijven hangen op een niveau dat de Grieken met Eudoxus al overwonnen hadden in de vierde eeuw v.Chr. Ook zonder Marx blijft de invloed van Hegel blijkbaar hardnekkig. De lof van Lloyd in zijn laatste alinea voor de ``continuity of sustained effort in the observation of the heavens'' van de Chinezen komt dan ook over als `damning by faint praise'.

De vierde en de derde eeuw v.Chr. was in de Chinese wereld de periode van de Strijdende Staten, waarin een zevental koninkrijken elkaar de hegemonie betwistten. Geleerden, gelukzoekers, charlatans en kwakzalvers reisden van hof naar hof op zoek naar patronage en bestreden elkaars theorieën in de hoven der vorsten met verve. We weten niet altijd veel van de inhoud van hun kosmologische en astronomische leerstellingen, maar wel dat sommige filosofische scholen zich inspanden om de termen van een geldige bewijsvoering vast te leggen en dat men binnen diezelfde scholen soms een uitgesproken technische belangstelling had. Als Griekenland en China dan al met elkaar vergeleken moeten worden, zouden toch tenminste vergelijkbare perioden met elkaar moeten worden vergeleken. Wat gebeurde er in Griekenland zelf trouwens op wetenschappelijk gebied tussen nul en nu?

Ten derde. Als het inderdaad zo zou zijn dat overheidsbemoeienis en bureaucratisering de doodsteek zijn voor creatieve theorievorming, dan voorspelt dat wel heel weinig goeds voor de moderne wetenschapsbeoefening. Daar wordt in de regel alleen maar om meer overheidssteun gevraagd en de gemiddelde vakgroep bij de bèta's is niet alleen groter maar met zijn studenten, aio's en oio's, postdocs, ud's, uhd's, hoogleraren a en b, projectleiders en directeuren van onderzoekscholen ook veel hiërarchischer van structuur dan het keizerlijk astronomisch bureau in China ooit is geweest. Misschien was het dus wel de geringe omvang van het keizerlijk astronomisch bureau waardoor de Chinese astronomie in de jaren van het keizerrijk veel flexibeler bleef dan Lloyd suggereert.

De astronomen hebben namelijk bij wijze van spreken hun laboratorium altijd bij de hand, ook in China. Wie een zonsverduistering berekent, heeft geen deeltjesversneller nodig, hij hoeft alleen maar geduldig te wachten tot de voorspelde verduistering plaatsvindt. Hoe groter de precisie van de voorspelling, des te beter blijkbaar de astronomie. Niet alleen zijn er in China ook altijd astronomen geweest buiten de keizerlijke bureaucratie, de keizerlijke bureaucratie stond ook altijd open voor betere astronomie, zelfs als die uit het buitenland afkomstig was. Zo oefende onder de Tang-dynastie (619-906) de Indische astronomie een grote invloed uit in China. Ten tijde van de Mongoolse overheersing vond de islamitische astronomie ingang in China. En in de zeventiende eeuw verwierven de katholieke missionarissen uit Europa zich een positie aan het Chinese hof door hun nauwkeurige voorspellingen van zons- en maansverduisteringen.

De Jezuïeten in China waren echter geen wetenschappers maar missionarissen, en voor hen was wetenschap geen doel maar een middel. Zij kwamen uit de nog deels middeleeuwse wereld waarin de bewijzen in het werk van Euclides werden beschouwd als toegiften voor hen die twijfelden aan de godgegeven waarheden van de stellingen, zoals Peter Engelfriet enkele jaren geleden heeft laten zien in zijn Euclid in China, The Genesis of the First Translation of Euclid's Elements in 1607 and its Reception up to 1723 (Leiden: E.J. Brill, 1998). Voor de mondiale wetenschap was het misschien maar beter geweest als de Inquisitie Galileo, in plaats van hem de mond te snoeren, naar China had gestuurd.