De bewaker en de kanonskogel

Ooit was Fort Oranje in Brazilië een uitvalsbasis voor de Hollanders. Nu is het het domein van José Amaro de Souza Filho. De ex-gedetineerde beheert op deze plek een bescheiden museum en is van plan er te sterven.

Een jaar lang heeft José Amaro de Souza Filho rondgelopen met een zeventiende-eeuwse Hollandse kanonskogel vastgeketend aan zijn rechterbeen. Vrijwillig sleepte hij de zware metalen bal achter zich aan door het rulle zand bij het Forte Orange, het Fort Oranje in Brazilië. Het was de inlossing van een belofte die hij gedaan had aan de heilige maagd Maria om zich, nadat hij zijn gevangenisstraf van twaalf jaar voor moord had uitgezeten, de rest van zijn leven te wijden aan het onderhoud van dit voormalige Hollandse fort in de tropen.

De kanonskogel had een gewicht van tien kilo en was afkomstig van de West-Indische Compagnie, die de noordoostelijke punt van Brazilië in de zeventiende eeuw kortstondig had gekoloniseerd en op het strand van het eiland Itamaracá een fort had gebouwd. Itamaracá had in die tijd een bloeiende economie dankzij de slavenarbeid op de suikerrietplantages en in de suikerperserijen.

Tegenwoordig is het eiland, zo'n vijftig kilometer ten noorden van de stad Recife in de deelstaat Pernambuco, geliefd bij toeristen en bij eigenaren van vakantiehuisjes wegens de adembenemend mooie natuurlijke ligging, de uitgestrekte stranden met kokospalmen, de inhammen met dichte mangrovebossen en de kalme zee die door riffen is afgeschermd van de straffe Atlantische Oceaan.

Op het eiland, dat door een vervallen betonnen brug is verbonden met het vasteland, zijn op twee voormalige suikerplantages gevangenissen gevestigd, een open en een gesloten agrarische strafkolonie, waar de gevangenen worden ingezet om op het land te werken. Hier kwam José Amaro de Souza Filho in 1970 terecht nadat hij op twintigjarige leeftijd veroordeeld was wegens een moord die hij in zijn jeugdige onbezonnenheid had begaan.

Zé Amaro, zoals hij door iedereen genoemd wordt, was analfabeet. In het strafkamp leerde hij een beetje lezen en schrijven. Hij kreeg, zoals in Zuid-Amerikaanse gevangenissen gebruikelijk is, toestemming om simpele snuisterijen te maken. Met de verkoop van beeldjes, kammetjes, kettingen en armbanden van bewerkte kokosnoot, koeienhoorn of hout verdiende hij wat geld. Kunstnijverheid werd zijn nieuwe passie.

In de gevangenis vond hij God. Dat is in Brazilië, waar God een vanzelfsprekend deel van het dagelijkse leven en de natuurlijke omgeving uitmaakt, niet zo moeilijk.

In 1970, het jaar dat Zé Amaro in de agrarische strafkolonie op Itamaracá belandde, zocht de commandant van het Vierde Legerkorps in de deelstaat Pernambuco arbeidskrachten om het Forte Orange te onderhouden. Het totaal verwaarloosde fort was eigendom van het leger. Brazilië was in die tijd een militair bestuurd land, dus generaal Walter Menezes Paes had alle middelen tot zijn beschikking staan die hij maar wilde. Wat lag er nu meer voor de hand dan om een ploeg gevangenen van het strafkamp op het eiland in te zetten? Zo belandde Zé Amaro, met negenendertig medegevangenen, in de ruïnes van het Fort Oranje. Iedere dag trokken ze met een schop en een hakmes naar het fort om de overwoekeringen weg te kappen en het opgewaaide strandzand waaronder de muren grotendeels schuil gingen, weg te graven.

Zé Amaro was geschokt, vertelt hij bijna dertig jaar later, over de toestand waarin het fort verkeerde. Hoe was het mogelijk, vroeg hij zich af, dat zo'n prachtig historisch bouwwerk zó verwaarloosd kon zijn. Hij deed een gelofte: als hij op een dag zijn verdiende straf zou hebben ondergaan, dan zou hij de rest van zijn leven wijden aan het onderhoud van Fort Oranje.

Zover was het nog lang niet. Wegens slecht gedrag werd Zé Amaro in 1973 overgeplaatst van de open naar de gesloten strafinrichting. Een tijd lang moest hij kokosnoten hakken. Intussen kreeg hij een zekere faam als kunstenaar, zijn houten heiligenbeelden werden goed verkocht. Toen zijn gedrag was verbeterd kreeg hij zelfs toestemming om in verschillende Braziliaanse steden tentoonstellingen te houden van zijn kunstwerken. Als onbegeleide gevangene reisde hij naar die tentoonstellingen en na afloop meldde hij zich dan weer in het strafkamp van Itamaracá.

In 1979 werd José Amaro de Sousa Filho voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Van het ministerie van het leger en de nationale monumentendienst kreeg hij een jaar later toestemming om in een van de voormalige soldatenvertrekken van het fort te wonen. Met zes stukken hout en een handvol gereedschap nam hij daar zijn intrek. Sindsdien noemt Zé Amaro zich de `bewaker van het fort Oranje'.

Tien jaar later kwam het er eindelijk van om de belofte in te lossen die hij aan Onze Lieve Vrouw van de Onbevlekte Ontvangenis had gedaan. Een jaar lang, van 6 maart 1989 tot 6 maart 1990, sjokte de voormalige gevangene met een kanonskogel van de WIC aan zijn been door het leven. Dat hele jaar kwam hij het fort niet uit.

Suikerriet

Fort Itamaracá heeft zijn bestaan te danken aan de Spaanse zilvervloot, die Piet Heijn in 1628 veroverde in de baai van Matanzas op Cuba. Vier jaar eerder, in 1624, veroverde Piet Heijn met zijn kaapvaarders Salvador, de toenmalige hoofdstad van de Portugese kolonie Brazilië aan de Allerheiligenbaai, maar die bezetting hield niet lang stand. Dankzij het geld van de zilvervloot deed de West-Indische Compagnie in 1630 met 7.000 soldaten een nieuwe poging de Braziliaanse kolonie te veroveren, nu in de buurt van Recife. Deze keer had de actie meer succes, al was het een kwart eeuw later alweer afgelopen met de Hollandse aanwezigheid.

Brazilië was in die tijd het centrum van de suikerrietcultuur in de wereld – en suiker was toen buitengewoon kostbaar. Toch profiteerden de aandeelhouders van de WIC niet van de kolonie: de onkosten waren hoog en de WIC leed vrijwel ieder jaar verlies. Uiteindelijk besloten de Heeren XIX, de raad van commissarissen met Amsterdam als zwaarste stem, om de kolonie op te geven. Alleen de steile calvinistische Zeeuwen wilden vasthouden aan Brazilië om die paapse Portugezen dwars te zitten.

In de hoogtijdagen van het Braziliaanse avontuur strekte de Nederlandse kolonie zich uit over een langgerekte kuststrook van Maranhão in het noorden (waar de Fransen de nederzettting Saint Louis hadden gesticht) tot aan Salvador da Bahia in het zuiden. Recife – het Recief – was het bestuurscentrum van de WIC-kolonie. Daar verrees tijdens het zevenjarige bewind van Johan Maurits van Nassau een nieuwe stad, Mauritsstad, met een paleis voor de gouverneur, het Hof Fryburgh.

Mauricio, zoals hij in Brazilië genoemd werd, stond bekend als een `humanistische prins in de tropen'. Hij streefde naar verzoening tussen de katholieke en joodse Portugese grondbezitters en de calvinistische Hollanders, en naar een fatsoenlijke behandeling van de inheemse Tapoejer-indianen en de zwarte slaven. Hij haalde kunstenaars en wetenschappers naar de kolonie om de tropische planten en dieren te schilderen en om de natuur te onderzoeken. Hij liet een sterrenwacht bouwen en een aantal forten versterken, waaronder het Fort Oranje op Itamaracá.

Johan Maurits is in Brazilië – en vooral in Pernambuco – nog altijd razend populair. Een jaar of twintig geleden werden er een speelfilm en een musical aan zijn bewind gewijd, geschreven door de populaire Braziliaanse zanger/componist Chico Buarque de Holanda. Daarin komen onvergetelijke liedjes voor zoals Er bestaan geen zonden onder de Evenaar en Ik ben Anna van twintig minuten, Anna van Amsterdam. Ook toen al had Nederland een libertijnse reputatie.

Maar het bestuur van de WIC, de Heeren XIX, kreeg genoeg van het kostbare bestuur van Johan Maurits. In 1644 werd hij teruggeroepen en ontgoocheld verliet hij Brazilië. In de slotscène van de musical zegt Mauricio: `En als het me niet gegeven was om hier iets nieuws te scheppen, dan was dat omdat achter een man met visie in dit verrotte rijk altijd tien generaals en duizend bureaucraten staan... Vaarwel Brazilië, Mauricio van Nassau vertrekt – en met hem de mogelijkheid van een Hollands Brazilië. Vaarwel!'

Met het geld dat de gouverneur aan zijn tropische avontuur had overgehouden, liet hij in Den Haag het Mauritshuis bouwen. De kolonie zelf maakte het niet lang meer. In 1654 leden de Hollandse troepen onder leiding van commandant Von Schoppe een smadelijke nederlaag tegen een legertje van Portugese landbezitters, zwarte slaven en indianen op de heuvels van Guararapes. De WIC trok zich vervolgens definitief terug.

Maar de Republiek bleef met nieuwe veroveringen dreigen en de Zeeuwen gingen onverminderd door met hun kaapvaart. De WIC eiste een schadevergoeding voor de opgegeven kolonie en toen het niet opschoot met de Portugese herstelbetalingen dreigde admiraal De Ruyter de monding van de Taag voor Lissabon te blokkeren. Uiteindelijk sloten Portugal en Nederland een verdrag (1662) waarin werd overeengekomen dat Portugal het verlies van de bezittingen, de achtergelaten kanonnen en forten aan de WIC zou vergoeden. Prijs: vier miljoen cruzados. In hedendaagse munt: 1,3 miljard gulden. Plus een heffingsrecht voor Nederland van tien procent op de slavenhandel tussen Afrika en Brazilië.

Passaatwind

De liefde van José Amaro de Souza Filho voor het Fort Oranje is ingegeven door een simpele overtuiging: het is de mooiste plek op aarde.

Het fort staat op het strand, bij hoog water klotst het water van de diepblauwe oceaan tegen de stenen. Het carré van dubbele muren met de vier transen, de toegangspoort die de Portugezen hebben gebouwd, de onderkomens van de soldaten, de kapel en de grote open binnenplaats zijn nog volledig intact. In het zand tussen de muren liggen her en der antieke lopen van de kanonnen, een paar zijn in stelling gebracht alsof ze nog kunnen worden afgeschoten. Ooit waren er vijfendertig kanonnen, vertelt Zé Amaro, maar daarvan zijn er nog maar dertien over. De overige zijn gestolen, of liggen ergens verscholen onder het zand.

Achter het fort wuiven kokospalmen in de passaatwind en bloeien de bougainvilles. Op het strand staan restaurantjes, niet meer dan houten keten, die verse vis, krabben, garnalen, ananassap opgediend in de uitgeholde vrucht, bier en cachaça (brandewijn van suikerriet) serveren aan de gasten die aan wankele tafeltjes onder palmbladeren afdakjes zitten. In de branding liggen drie primitieve houten zeilbootjes met een sprietzeil en een los zwaard dat van de ene kant naar de andere kan worden verhangen. Bij het zeilen klemt de bootsman een peddel als roer tegen de romp en houdt hij de schoot met zijn grote teen vast op de rand van het gangboord.

Tussen een paar schaduwrijke mangobomen op de binnenplaats van het fort heeft José Amaro zijn hangmat opgehangen. Dit is zijn domein en hier wil hij de rest van zijn leven slijten met zijn vrouw Gilsinele en hun dochtertje Vega. Gilsinele – Néle – heeft een jaar of wat geleden haar man, haar baan en haar huis in Recife opgegeven nadat ze Zé Amaro had leren kennen. Ze was gegrepen door zijn levensmissie na zijn vrijlating en ze is samen met haar zoon Sérgio bij hem ingetrokken. Zé Amaro had uit zijn eerdere leven ook al twee kinderen, Sol en Marte (Zon en Mars). Inmiddels hebben ze ook samen een kind, hun dochtertje Vega.

In 1991 richtte Zé Amaro de Stichting Fort Oranje op om in het onderhoud te voorzien. Het boekhouddiploma van Néle kwam goed van pas: ze houdt de administratie van het fort bij.

Het beheer is een dagtaak geworden. In de ruimte naast de kapel heeft Zé Amaro een kantoortje ingericht met een houten bureau, een paar stoelen en kasten. Er zijn een telefoon en een fax aangesloten. Er zijn klappers met brieven en krantenartikelen en folders. De Stichting is een samenwerkingsverband aangegaan met de Federale universiteit van Pernambuco om te helpen bij de restauratie. En er is de administratie van de verkoop van souvenirs die de gevangenen uit de strafkolonie nog altijd maken. In het winkeltje werken vijf gevangenen en nog eens vijftig gevangenen bezorgt Zé Amaro indirect werk door hun kunstnijverheidsproducten te verkopen. De opbrengst vormt de belangrijkste bron van inkomsten voor het fort.

Sinds een paar jaar is er ook een bescheiden museum in het fort ondergebracht – met dank aan de Nederlandse ambassade in Brasília die het museumpje heeft helpen financieren. Veel stelt het niet voor: er liggen wat gebruiksvoorwerpen uit de tijd van de WIC. Pronkstuk is de kanonskogel die Zé Amaro een jaar heeft rondgesleept. Aan de muur hangen kopieën van kaarten, prenten en portretten. Maurits van Nassau, Diederick van Weerdenbrugh, Hendricq Cornelisz Lencq, Von Schoppe en andere commandanten van de WIC-troepen plus een plattegrond van Mauritsstad hangen te vergelen in de tropen van Noordoost-Brazilië.

De trots van Zé Amaro was enorm toen hij dit allemaal kon laten zien aan Willem-Alexander. Tijdens zijn bezoek aan Brazilië in 1998 deed de kroonprins ook Itamaracá aan. Uiteraard vond de prins het een van de mooiste plekken die hij ooit had bezocht. `Hij zei dat hij graag wilde wonen op deze plek waar een van zijn verre voorvaderen had rondgezworven', schreef het eilandskrantje in zijn editie van april/mei 1998, waarin ook nog vermeld werd dat Willem-Alexander `een sympathieke jongen, vrijgezel, 31 jaar en een van de meest begeerde huwelijkskandidaten van Europa' was. Onder de foto van de kroonprins, lachend in overhemd met lange mouwen op de muur van het fort, stond een foto van de `koningin van het carnaval 98', de mooie Maria Verônica.

Willem-Alexander kreeg van Zé Amaro een zelfgemaakte houten maquette van het Fort Oranje. Het is niet bekend of de kroonprins iets heeft achtergelaten voor het onderhoud.

In de loop der jaren heeft Zé Amaro zich met overgave gekweten van zijn zelfgegeven opdracht als `de bewaker van het fort'. Hij ontdekte bijvoorbeeld dat de burgemeester van Itamaracá stenen van de muur van het fort had laten gebruiken om de stoep voor het gemeentehuis aan te leggen. Met een ploegje vrijwilligers heeft Zé Amaro de stoep gesloopt en de stenen teruggebracht naar het fort. Zo heeft hij ook vijf bronzen Hollandse kanonnen teruggehaald die lokale bewoners hadden gestolen en als ornament in hun tuin hadden neergezet.

Zijn populariteit bij de plaatselijke bestuurders werd er niet groter op toen hij een paar jaar geleden een plan wist tegen te houden om op het eiland Itamaracá een autoracebaan aan te leggen. Brazilianen zijn gek op autoraces – zie Emerson Fittipaldi, Nelson Piquet, Ayrton Senna, Rubens Barichello – maar races zouden van het eiland een toeristische kermis maken. Dan zou het met de rust voorgoed gedaan zijn, vreesde hij.

,,Het was een unieke strijd'', vertelt hij niet zonder trots. ,,Ik heb het in mijn eentje opgenomen tegen de burgemeester en de deelstaat. De politici zijn hier alleen maar geïnteresseerd in de verkoop van percelen voor de bouw van zomerhuisjes. Ze hebben geen enkel gevoel voor cultuur.''

Zelf organiseert hij ook activiteiten om het fort bekendheid te geven. Er zijn jaarlijkse vaquejadas, rodeo's waarop de veehoeders uit de wijde omgeving kunnen wedijveren in hun bekwaamheden.

,,In mijn leven bestaan twee zekerheden'', zegt Zé Amaro. ,,Ten eerste beschouw ik het als mijn opdracht om voor dit fort te zorgen. Ten tweede heb ik geleerd dat mensen nooit moeten worden beoordeeld op wat ze vroeger hebben gedaan, maar dat ze gerespecteerd moeten worden om wat ze in het heden en in de toekomst doen.''

Door geldgebrek ligt de restauratie van het fort alweer een tijdje stil. Maar ach, dat is in Brazilië niets bijzonders. Zé Amaro laat zich er niet door uit het veld slaan. De ex-gevangene heeft zijn levensdoel gevonden en is domweg gelukkig op de mooiste plek van de wereld.

Ik heb het in mijn eentje opgenomen tegen de burgemeester en de deelstaat

Lokale bewoners hadden de bronzen kanonnen gestolen en als ornament in hun tuin neergezet