Zuilen als een marcherende falanx

Hoe korter de tijdspanne is die ons scheidt van de stijlperioden waarin de westerse kunstgeschiedenis doorgaans wordt ingedeeld, hoe sneller ze elkaar opvolgen. De tijdtabellen van de handboeken leren dat romaans en gotiek ruwweg de eerste vijf eeuwen van dit millennium beslaan, de Renaissance al na zo'n tweehonderd jaar uitloopt in barok en rococo, terwijl neoclassicisme, romantiek en historisme nog meer haast hebben het fin de siècle te bereiken. En terugkijkend op de laatste 150 jaar, roffelt de stijlkritiek er met gemak nog een groot aantal periodes achteraan - van impressionisme tot surrealisme, en van abstract expressionisme tot postmodernisme. Vergeleken daarbij strekt de oudheid zich uit over zo'n duizend jaar. Idealisering en formele eenvoud, natuurlijkheid en rijkdom van expressie lijken beeldende kunst, architectuur en literatuur al die eeuwen, zij het in golfbewegingen en in steeds wisselende samenhang, blijvend te hebben gekenmerkt.

Deze visie is sterk bepaald door het enthousiasme dat in latere perioden voor `de klassieken' bestond. De kunst van de oudheid is al in de Middeleeuwen en vooral daarna regelmatig als uitgangspunt en inspiratiebron gekozen. Of het daarbij nu ging om werken uit de Grieks-klassieke periode, het Hellenisme of het Romeinse keizerrijk, lijkt niet veel te hebben uitgemaakt. Maar net zoals de hierboven geschetste handboekindeling in stijlperiodes discutabel is, valt ook heel wat af te dingen op de opvatting van de oudheid als een samenhangend reservoir van kunstwerken die werden bepaald door een min of meer constante culturele achtergrond. Dat afdingen is wat de Amerikaanse kunsthistoricus John Onians doet in zijn Classical Art and the Cultures of Greece and Rome. Niet de constanten worden daarin benadrukt, maar de uiteenlopende culturele factoren die de vorm en inhoud van kunstwerken in verschillende perioden hebben bepaald. De studie is dan ook verdeeld in hoofdstukken met titels als `Griekse kunst en de cultuur van competitie', `Hellenistische kunst en de cultuur van karakter' en `Romeinse kunst en de cultuur van herinnering'.

Een voorbeeld van een kunstwerk dat die differentiatie illustreert, is de beroemde Laokoön-groep, een hellenistische sculptuur uit de eerste eeuw. De marmeren sculptuur, nu te zien in de Vaticaanse Musea, werd in 1506 in Rome opgegraven en oogstte direct grote bijval van liefhebbers en kunstenaars. In de Aeneis beschrijft Vergilius Laokoön als een Trojaanse priester die zijn stadgenoten wilde waarschuwen voor het Paard van Troje. Maar de goden, die de stad vernietigd wilden zien, lieten hem, samen met zijn twee zoons, wurgen door twee enorme slangen. De voorstelling kent een heroïek en pathos die de beschouwer onwillekeurig doet sympathiseren met de onfortuinlijke priester in zijn doodsstrijd.

Dierlijke kracht

Toch zal het beeld oorspronkelijk niet op die manier zijn begrepen. Door het te vergelijken met andere hellenistische beeldhouwwerken laat Onians zien dat Laokoön niet zozeer wordt afgebeeld als slachtoffer, maar veeleer als gestrafte. De bijna dierlijke kracht van de sculptuur, die zo verschilt van de rust en harmonie van eerdere Griekse beeldhouwkunst, vindt een parallel in het onwaardige gedrag van Laokoön zelf. Hij had – volgens anderen dan de Romein Vergilius – de priestergeloften gebroken door te trouwen en zelfs de liefde bedreven in de tempel. De goden straften hem daarvoor, en tijdgenoten van het beeldhouwwerk zullen weinig medelijden met hem hebben gehad. De bewondering die de sculptuur vanaf de zestiende eeuw ten deel viel, sloot aan bij de visie van de oude Romeinen: anders dan de hellenistische Grieken zagen zij hem als een tragische held, en een nobele voorvader die het slachtoffer was geworden van de haat van de Griekse goden jegens Troje.

In beschrijvingen zoals die van de Laokoön-groep concentreert Onians zich vrij traditioneel op thematiek en stijlkenmerken, en op de wijze waarop die kunnen worden geïnterpreteerd aan de hand van schriftelijke bronnen. Zijn aandacht voor de receptie die hetzelfde werk op verschillende momenten ten deel viel, sluit aan bij methoden die in de kunstgeschiedenis steeds meer aandacht krijgen. Maar de werkelijke originaliteit van deze studie ligt nog in iets anders. Onians vat de cultuurhistorische achtergrond van artistieke uitingen ongebruikelijk ruim op. Hij gaat uit van de wijze waarop een bioloog het begrip `cultuur' (van het Latijnse colere: cultiveren, verzorgen) zou kunnen opvatten. Cultuur is bij Onians de `voedende invloed van een beperkt aantal omgevingsfactoren' op mensen en hun artistieke productie.

Die visie bepaalt bijvoorbeeld het hoofdstuk `Griekse kunst en de cultuur van het conflict'. De nadruk die in het Griekenland van de achtste tot de vierde eeuw voor Christus werd gelegd op het krijgsbedrijf, zou de beeldende kunst en de architectuur in hoge mate hebben beïnvloed. Niet alleen vertonen sculpturen en vaasschilderingen veelvuldig figuren van soldaten en (militair) getrainde sportlieden, ook roept de vorm van sommige kunstwerken militaire associaties op. Met name de falanx – de volgens vaste patronen opgebouwde slagorde waarin Griekse legers opereerden – zou zijn invloed hebben doen gelden. Volgens Onians moet de abstraherende stijl in Griekse schilderingen uit de achtste eeuw tegen die achtergrond worden begrepen. Amforen tonen rijen van steeds herhaalde, geschematiseerde menselijke figuren, vaak uitgerust met schild en lans. Deze vazen, vaak geplaatst op de graven van krijgslieden, weerspiegelen oorlogssituaties zoals die door Homeros werden beschreven. Onians prefereert dan ook de term `militaire stijl' boven de gangbare benaming `geometrische stijl'

Toga

Om te laten zien dat de cultuur van het conflict en haar invloed op de kunsten veel verder reikt, oppert Onians dat de unieke structuur van Griekse tempels – een centrale rechthoek en zuilen rondom – met diezelfde falanx in verband gebracht moet worden. De zware zuilen lijken wel fysieke beschermers van de god die binnen wordt vereerd. Dat is niet eens zo vergezocht als je je realiseert dat in sommige tempels de zuilen inderdaad de vorm van menselijke figuren hebben gekregen. Zelfs afwijkingen van het regelmatige patroon blijken uit deze associatie te kunnen worden verklaard. Waar in Dorische tempels de zuilen naar de hoeken toe dichter bij elkaar plegen te staan, zou dit een verklaring kunnen vinden in de vorm van de falanx, waarin de relatief zwakke hoeken op vergelijkbare wijze werden versterkt.

En daar komt de auteur pas goed op dreef. Zijn `biologische' benadering wordt nog fascinerender bij een andere architectonische merkwaardigheid: de treden rondom de tempel, die vaak te hoog zijn voor normaal menselijk gebruik. Als de zuilen eenmaal zijn geïnterpreteerd als de mannen van de falanx, getraind als ze waren om als een éénheid in alle richtingen te bewegen, waarom zouden de tempeltreden dan niet mogen bijdragen aan die verwijzing? Onians' boek is rijk aan zulke onverwachte observaties, soms gesteund door historisch bronnenmateriaal, soms ook ronduit speculatief en associatief. Een staaltje van het laatste, dat als exemplarisch voor de hele studie kan gelden, is de bespreking van het gebruik van de ronde boog in de architectuur van de Romeinse keizertijd. Het toepassen van deze bouwvorm hield een opvallende verandering in ten opzichte van de strenge rechte lijnen van de Griekse architectuur. Onians schrikt er niet voor terug het verschil in verband te brengen met de vorm van de nationale kleding: de Grieken droegen de pallium, een gewaad dat, als je het op de grond uitspreidt, rechthoekig van vorm is. De Romeinse toga vormt daarentegen een segment van een cirkel. Toga en gemetselde boog krijgen daarmee eenzelfde lading, als uiting van onafhankelijkheid en nationaal Romeins zelfbewustzijn ten opzichte van de Grieken. Of het allemaal waar is, zullen we wel nooit te weten komen, maar Onians' uitwerking verheldert veel over de moeizame verhouding tussen bewondering en rivaliteit, en tussen de opeenvolgende machthebbers van de oudheid. Classical Art and the Cultures of Greece and Rome is een enthousiasmerend boek waarin de culturen van de ouden, in al hun verschillen, vanuit een coherente visie worden bevuilschreven.

John Onians: Classical Art and the Cultures of Greece and Rome. Yale University Press. 306 blz. ƒ134,40