Ze loog tegen mij

Het was een nummer één-hit in 1982: Je loog tegen mij, van Drukwerk. Tien weken in de hitparade, meer dan 150.000 exemplaren verkocht. Het betekende de grote doorbraak voor `de Amsterdamse protest- en levensliedformatie', zoals de handboeken de groep met zanger Harry Slinger nu karakteriseren. Het lied behandelde een oud thema: een man komt na een periode van niet nader verklaarde afwezigheid weer thuis en merkt dat zijn vrouw inmiddels een ander heeft en hem niet meer hoeft. `Toen ik thuis kwam was jouw deur voor mij op slot', zo merkt hij om te beginnen op. En even later: `Toen ik thuis kwam was er geen brood meer in de kast' en `was er geen plaats meer in je bed.' Tot drie keer toe wordt de man afgewezen, maar inmiddels lijken de kansen gekeerd. De vrouw heeft de bons gekregen van haar vrijer, of omgekeerd, en wil nu alsnog wel weer aanpappen met haar voormalige geliefde. Ze zegt dat het slot die eerste keer kapot was, ze nodigt hem binnen uit, ze zegt dat ze van hem houdt en, hoogtepunt, ze mixt weer zijn lievelingsdrank, maar de man houdt nu de eer aan zichzelf en laat haar met een welgemeend `Bekijk het maar' aan haar lot over.

Een gezellig lied is het niet, eerder sarcastisch, op het agressieve af. Dat het indertijd toch door zo velen omarmd is dankt het vermoedelijk aan zijn mooie meezingbare refrein en aan de vette Amsterdamse tongval van zanger Slinger, die de regels er bijna uitspuugde:

Je loog tegen mij alsof ik 'n kind was,

geloof dat je dacht dat ik helemaal

blind was.

Zeg schat, denk je dat je me aan kan?

Zeg schat, je bent heel wat van plan

dan.

Bijna niemand weet dat Je loog tegen mij niet een oorspronkelijk Drukwerk-nummer is. Het was geleend van een ander, volkomen onbekend gebleven Amsterdams groepje, zoals Harry Slinger eens op de radio vertelde. En ook bijna niemand zal weten dat de tekst ervan ontleend is aan een klassiek gegeven, zoals Slinger bij dezelfde gelegenheid onthulde. In Je loog tegen mij zien we volgens hem `Odysseus die terugkeert in Troje en daar merkt dat zijn vrouw Helena in de tussentijd de hoer heb uitgehangen'. De zanger haalde hier wat gegevens door elkaar. Odysseus keerde niet terug in Troje, maar op zijn eigen eiland Ithaca. Zijn vrouw heette niet Helena, maar Penelope. En het aardige van Penelope was dat zij nu juist niet de hoer had uitgehangen, maar twintig jaar lang de opdringerige vrijers op afstand had weten te houden. Maar voor de rest was het toch verrassend, en interessant, wat Slinger zei. Aan dit alledaagse Amsterdamse levenslied bleek een oud mythologisch gegeven ten grondslag te liggen, ook al had dat hier dan een heel eigen bewerking ondergaan, met Penelope eerst in de rol van ontrouwe echtgenote, en later in die van temende en lievelingsdrankjes-mixende Wiedergutmachster, en Odysseus in de rol van de man die ten slotte toch maar niks van zijn ex moet hebben.

Het blijft curieus, maar welbeschouwd toch ook weer niet al te vergezocht. Het is een mogelijkheid die bij Homerus al die tijd ook op de loer ligt en op de achtergrond voor spanning zorgt: komt Odysseus thuis of niet, blijft Penelope hem trouw of niet? En misschien liggen daaraan wel een of meer oervrezen ten grondslag: de angst van een onbestorven weduwe om haar hele leven te verdoen met wachten op iemand die nooit meer komt; de onzekerheid van een man over wat hij bij thuiskomst aan zal treffen als hij door jacht, oorlog of andere zaken gedwongen is de echtelijke woning voor langere tijd te verlaten.

Bij Homerus blijft het er om spannen, met al die `vrijers', die steeds ongeduldiger worden. Bij Drukwerk niet. En bij Joseph Brodsky ook niet, in zijn gedicht Ithaca. Ook daar lijkt Penelope de hoer te hebben gespeeld: zij is `onvindbaar', zo staat er in regel 8, en zij is `met iedereen bevriend'. Het is nog erger: deze teruggekeerde Odysseus wordt niet eens meer herkend door zijn oude hond Argos – het arme beest voelt zichzelf ook ontheemd. De dienstmaagd Eurykleia ziet Odysseus' litteken, maar herkent hem niet – zij blijft apathisch naar de grond kijken. Zoon Telemachus, groot geworden in de tussentijd, wil zijn vader niet meer kennen. En zo is, na het hoopvolle aanspoelen, het tafereel binnen enkele regels verkeerd in een desolaat portret. De herinnering aan deze Odysseus is blijkbaar geheel uit de hoofden van de achterblijvers verdwenen. Op zijn eigen Ithaca is hij een vreemde geworden, die ook nog eens de taal verleerd blijkt te zijn.

Heeft het gedicht eigenlijk wel betrekking op Odysseus en op al die anderen uit het epos van Homerus? Hun namen worden hier nergens genoemd. Of wil Brodsky, zelf een balling, hier een portret geven van wat iedere balling, in elke tijd, bij terugkeer in zijn vaderland zal merken: dat hij vervreemd is geraakt? En ligt dat dan aan hem, of aan het eiland? Misschien is het eiland in al die jaren veranderd, zo oppert Brodsky eerst nog. Maar misschien is ook de blik van de teruggekeerde geheel vernauwd geraakt: hij is na al die omzwervingen op zee zelf een golf geworden, die nergens meer kan aarden. Een doorzichtige held, weggezwommen uit zijn eigen epos, altijd weer op weg naar een ander einde, het einde van de einder.

Ithaca

Na meer dan twintig jaar ben je weer

hier beland,

blootsvoets op zoek naar eigen sporen

in het zand.

Een hond blaft op de kade, niet omdat

hij meent

zijn baas te zien, nee, ook het beest

voelt zich ontheemd.

Je trekt je lorren uit en toont een oude

wond,

vergeefs, de dienstmaagd staart

apathisch naar de grond.

Er was er één, zo zeggen ze, die van je

hield;

onvindbaar is zij nu, met iedereen

bevriend.

Je koter is nu zelf matroos, een echte

vent,

hij kijkt je aan alsof je een melaatse

bent.

En om de klanken te ontrafelen waarin

men hier elkander toegromt, heeft geen

zin.

Dit eiland is veranderd òf je kijkt, het

blauw

nog druipend van je netvlies, inderdaad

te nauw

een golf vergeet waarschijnlijk om een

stukje land

de einder niet wanneer hij aanrolt naar

het strand.

Joseph Brodsky,

vertaling Peter Zeeman

Joseph Brodsky: Triton.

Gedichten 1985-1994. De Bezige Bij.

Ingeleid, gekozen en vertaald door Peter Zeeman.