Wat was ik daar aan het kirren

Sopraan Erna Spoorenberg zong grote operarollen, deed jaren lang de Matthäus Passion en nu wordt ze vijfenzeventig.

Haar autobiografie Daar lig je dan (1962) noemt Erna Spoorenberg nu `een badinerende frivoliteit'. Het was een lichtvoetig boekje in een reeks, waarin eerder violist Theo Olof Daar sta je dan publiceerde en pianist Hans Henkemans Daar zit je dan. De sopraan Erna Spoorenberg begon haar verhaal over haar levensloop (`niet mijn levens-lig') met het verhaal over een weekbladredacteur die ooit in een artikel over haar schreef: `Zij werd geboren achter de Boroboedoer.' Spoorenberg ridiculiseerde vervolgens de muziekjournalistiek. ,,Zo'n man doet maar en de zetter gehoorzaamt. Die werpt wat letters uit zijn zetmachine en daar lig je dan, geworpen achter de Boroboedoer! Stel dat niemand mij gevonden had! Dan lag ik daar nu nog. Wat een tragisch verlies zou dat geweest zijn!''

Toen was Erna Spoorenberg 37, volgende maand wordt ze 75. Ter gelegenheid van die verjaardag verschenen twee cd's met opnamen uit haar gloriejaren en later volgen er nog twee. Spoorenberg was na een auditie in 1949 bij de beroemde dirigent Karl Böhm een gevierd sopraan in de Weense Staatsopera. Ze was nog maar 24, pas een jaar eerder bij de Nederlandse radio gedebuteerd in Mozarts Exsultate, jubilate. Een jaar na haar Weense debuut zong ze haar eerste opera in ons land bij Kameropera Camerata: Landhuis te koop van Nicola Dalayrac.

Spoorenberg had een bijzonder lichte, zeer hoge coloratuursopraan en zong moeiteloos noot boven hoogste noot in de aria van de Koningin van de Nacht in Mozarts Die Zauberflöte. ,,Voor het samenstellen van de cd's heb ik naar veel banden moeten luisteren, soms een halve eeuw oud. Wat was ik daar aan het kirren, wat zong ik die coloraturen met een gemak! Ik zong Lucia di Lammermoor, Lakmé, Gilda in Rigoletto. Ik was een natuurtalent. De Koningin van de Nacht tetterde ik er zó uit, haarscherp, loepzuiver. Dat komt op een van de volgende cd's, een plaatje dat mijn lerares Isa Neuhaus daarvan liet maken, toen ik 15 was. Ik was altijd beroemd om mijn perfecte intoneren, ook bij moderne muziek, van Berg, Dallapiccola en Frank Martin. Dat komt ook omdat ik ben begonnen als violiste. Het zelf maken van een zuivere toon luistert heel nauw. Dat heeft mijn gehoor enorm aangescherpt.''

Erna Spoorenberg trad op in tal van andere prestigieuze operahuizen – de titelrol in La traviata in het Moskouse Bolsjoi-theater – en bij vele orkesten. Zo zong ze ook in de opname van Mahlers Achtste symfonie, die Leonard Bernstein maakte in de Londense Royal Albert Hall, waar ze ook Prom-concerten gaf met Sir Malcolm Sargent. Met pianist Geza Frid gaf ze liedrecitals in heel Europa, Engeland, Noord- en Zuid Amerika, Azië en Rusland. ,,Ik was een levendig type, ik had behoefte aan afwisseling. Wat was ik blij dat Anthon van der Horst mij de Matthäus Passion leerde zingen en me heeft gered van al die coloratuuropera's.''

Die afwisseling is er nog steeds tijdens een middag praten met Erna Spoorenberg: veel lachen, zoals over haar eerste Pamina in Die Zauberflöte in Wenen met de tenor Julius Patzak als Tamino, zonder repetitie. ,,In een aria stak hij een hand naar me uit. Dat was een heel klein griezelig vogelklauwtje. Zijn hand was nauwelijks ontwikkeld, dat verborg hij altijd in zijn manchet. Maar ik wist van niets en ik schrok enorm. Ik voel het nóg.''

Eruditie

Tussendoor is ze ook serieus. ,,Ik wil niet te hard oordelen over deze tijd, maar ik heb het idee dat alles zo oppervlakkig is, dat er veel minder gelezen wordt, dat er minder interesse is voor schilderkunst en beeldhouwkunst, dat er veel minder culturele reizen worden gemaakt. Dat is niet mijn mening omdat ik een ouwe taart ben, die alles van nu afkeurt. Ik houd van sommige moderne muziek, van Boulez, Eötvös en Kagel. Maar ik zie tegenwoordig ècht minder diepgang en intellectuele bagage, ook bij zangers die hun vertolkingen toch op eruditie moeten funderen. Zo hadden de stemmen van Kathleen Ferrier en Julius Patzak cultuur. Ze waren technisch mooi, maar ook begiftigd met een innerlijke kleur die de stijl van de muziek ondersteunt en daarmee een eenheid vormt.''

In ons land zong Erna Spoorenberg in veel Mozart-opera's en vertolkte ze vaak de titelrol in Verdi's La traviata. Verder was ze onder andere fameus door haar optredens sinds 1955 in de Matthäus Passion van het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum – daar was ze tot en met 1971 met haar bijna jaarlijkse deelname de opvolgster van Jo Vincent, die in de periode 1933 - 1953 meestal de sopraanpartij zong. Als sopraan in de Matthäus trad Spoorenberg daarmee ook in de voetsporen van één van haar leraressen, de legendarische Aaltje Noordewier-Reddingius, die bij Mengelberg optrad in de jaren 1900-1927.

,,Van Beinum had aanvankelijk absoluut geen waardering voor vocalisten, hij vond vooral zangeressen domme gansjes. Maar mijn hersencellen zijn heel geordend en toen hij dat merkte ging het beter. Hij groeide zelf ook in de Matthäus. Hij deed het eerst vreselijk, maar later gaf hij zijn volle artisticiteit aan muziek en solisten en werd het prachtig. Ik weet nog goed dat ik bij zijn laatste Matthäus Passion in 1958 tegen de mensen van de radio zei: `bewaar dit nu, wis het niet, want de Palmzondagsfeer van vandaag is nooit meer terug te brengen.' Het was alsof je voorvoelde dat het zijn laatste was. Al vorige banden waren gewist. Er zijn veel historische opnamen vernietigd. Ook van mij, er is er niet één van La traviata bewaard.''

Erna Spoorenberg, dochter van een bankier, was een zondagskind. Ze woonde in haar jeugd, nadat haar ouders uit Indië waren teruggekeerd, eerst in Den Haag en daarna in een riant huis tussen Nijmegen en Berg en Dal. Haar vooroorlogse opvoeding in een gegoed milieu was voorbeeldig: paardrijden met pikeur Gerrit, zwemmen, tennissen, hockeyen en vooral veel cultuur, meest muziek, ook thuis. ,,Mijn vader had een prachtige bariton, mijn moeder was een heel verdienstelijke tot goede pianiste en begeleidde mijn zusje en mij bij liedjes. Er waren kwartet-weekeinden, waarbij iedereen bleef slapen en de volgende ochtend weer verder speelde. We werden heel jong meegenomen naar concerten en we moesten op reis om talen te leren.

,,Op mijn zevende las ik al detectives in het Duits met dat gothische schrift. Mijn zusje en ik werden naar twee verschillende families in Frankrijk gestuurd, séparé, om geen gelegenheid te hebben met elkaar Nederlands te spreken. Vanaf de tijd dat ik in de vijfde klas van de lagere school zat, woonde een Franse gouvernante bij ons in huis en gingen we naar concerten in Brussel en moesten we Frans praten.''

Toonladders

Aanvankelijk kreeg Spoorenberg pianoles en zangles, bij Jeanne Landré, de zuster van componist Willem Landré. ,,Ze liet me alleen oefeningetjes zingen en toonladders. Voor een levend, sprankelend kind was dat veel te volwassen en ernstig. Ze had het leuk moeten maken met een liedje van Catherine van Renes of een eenvoudig Mozartje. Na een jaar zei ik huilend tegen mijn moeder: `ik wil nóóit meer zingen'. Toen werd het viool. Mijn vader liet me les geven door Julius Röntgen en als violiste ging ik later naar het conservatorium in Amsterdam. Ook toen ik zangles kreeg van Aaltje Noordewier-Reddingius waren er problemen. Niet door het leeftijdsverschil van 57 jaar, maar door tegengestelde karakters. Ze was zo streng, afwerend zelfs. Ik was 17, 18, veel te jong om er iets van te begrijpen. Later hoorde ik dat haar zoon kort tevoren zelfmoord had gepleegd.''

In Nijmegen leerde Erna Spoorenberg ook Godfried Bomans kennen, toen student psychologie. ,,Ik was zestien, hij was twaalf jaar ouder. Jongens van zestien vond ik maar niets. Ik was een beetje vóór, ik verslond een boek per dag en door al die concerten en theaterbezoeken word je vroegrijp. Bij de muziekvrienden waren ook studenten en zo kwam Bomans bij ons thuis. Als hij een hoofdstuk af had, las hij voor uit Erik of het klein insectenboek.''

Godfied Bomans komt ook voor in Daar lig je dan en hij schreef daarover in 1963 een humoristisch stukje met herinneringen aan de jonge Erna. Hij beschreef haar als een meisje met opgestoken haar en opvallend mooie benen, die op de ijsbaan het schaatsen deed stoppen en op weg naar school het verkeer lam legde. ,,Zelfs geharde grijsaards vielen ruggelings van hun fiets en verschillende jongemannen moesten onder het lommer van oude beuken met een spons worden bijgebracht.'' Bomans vertelde dat wel veertig studenten in zijn onmiddellijke omgeving verliefd waren op mejuffrouw Spoorenberg en prees zichzelf gelukkig dat hij bij haar thuis mocht komen en dat haar vader de borrelfles voor hem neerzette met de in die jaren zelden vernomen woorden `Je ziet zelf wel wat je er mee doet.'

Ook verhaalt Bomans hoe hij de achttienjarige Erna op de piano begeleidde bij haar eerste plaatopnamen, privé gemaakt in Amsterdam. `Ik kon toen alles, onder andere ook componeren. Zo schreef ik twee liedjes voor haar, het ene heette Lentelied, het andere De ooievaar. [...] En die stem van Erna, och, die is allerliefst, omdat er nog van alles mee gebeuren moest. Het is de stem van twee vlechtjes met een mond ertussen, maar wie goed luistert, die hoort wat het zou kunnen worden.' Spoorenbergs stem miste volgens Bomans toen nog de tederheid, die zij later verwierf: `Het is een op het leven bevochten stem, het geluid van een geboren diva, die vrouw geworden is.' Die twee Bomans-opnamen besluiten de laatste cd.

Spoorenberg: ,,In dat verhaal van Bomans over mij staat veel kolder. Volgens mij heeft hij die liedjes niet uitsluitend voor mij gemaakt en dat er aan het eind van de opname nog iemand `bravo!' riep klopt ook niet. Maar het is wel waar dat mijn vader niet `ongelofelijk' zei maar `ongeloofbaar' en dat ik van mijn vijftiende tot mijn achttiende veel aanbidders had. Eén van hen vroeg belet en vroeg mijn moeder om mijn hand. Mijn moeder vond dat ik eerst de school moest afmaken en dan eerst naar het conservatorium moest. Dus bleef het tussen ons verder bij kwartetspelen.''

Al was Spoorenberg een zondagskind, niet alles in haar carrière ging vanzelf en voorspoedig. Ze maakt zich nog boos, dat ze bij de Nederlandse Opera nooit de rol van de Marschallin in Strauss' Der Rosenkavalier heeft mogen zingen. ,,Ze vonden me te jong, terwijl het een rol voor een 35-jarige is. Moest ik het dan zingen als ik echt te oud was?''

In 1971 kreeg ze een vreselijk auto-ongeluk. Haar borst was ingedrukt, twee wervels waren gebroken, ze dreigde voorgoed verlamd te raken en moest vijf maanden gefixeerd liggen tussen planken in een cirkelbed, waarin ze telkens werd omgedraaid. ,,Ik heb anderhalf jaar gerevalideerd, en had daarna nog enorme problemen met de ademhaling. Maar ik wilde nog zo graag zingen, ik was nog maar net in de vijftig. Bij mijn eerste concert, het Requiem van Verdi in het Concertgebouw, brak mijn adem ineens af en moest ik allerlei frases anders zingen. Uiteindelijk is het wel goed gekomen, maar ik ben langzaam gestopt om les te gaan geven.

,,Sindsdien heb ik een gelukkig leven. Want wat heb ik een talent van God gekregen en wat moet ik dankbaar zijn dat ik met die gave iets heb kunnen overbrengen van de schoonheid in de muziek. Dat ik het publiek boven het alledaagse heb kunnen uittillen. Het zijn nu misschien verouderde opvattingen, maar wat ik nog altijd heel belangrijk vind is die innerlijke bewogenheid.''

Erna Spoorenberg: Legendary Voices. Decca 466 985-2 (2 cd), de andere twee cd's worden uitgebracht door BCD