Van niemand naar iemand

Niemand is bang voor verandering. Men laat zijn interieur en uiterlijk vernieuwen en reist niet om iets te ontdekken, maar om zichzelf te verliezen.

In Miss Wyoming, de nieuwe roman van de Canadese schrijver Douglas Coupland, stappen een filmproducent en een voormalig tienersterretje rigoureus uit hun eigen leven. De soapactrice overleeft als enige een vliegtuigramp, neemt ongezien de benen en brengt een jaar in de totale anonimiteit door. Eigenlijk bestaat ze niet meer, iedereen denkt dat ze dood is. Hij, de filmproducent, cool en kinky, houdt er een levensstijl op na die hem op het randje van de dood brengt. Ontslagen uit het ziekenhuis, ontdoet hij zich van al zijn wereldse bezittingen en zwerft door de leegte die Amerika heet. Hij slaapt in vuilniscontainers, voedt zich bij de achteruitgang van McDonald's met weggegooide hamburgers. Beide personages zijn bij hun volle bewustzijn, maar niettemmin stappen ze zonder te weten waarom uit hun vastomlijnde bestaan. Ze volgen hun wanhopige ingeving, omdat ze hopeloos zijn vastgelopen. Al hun dromen zijn gestrand in desillusies, hun verlangens zijn strak ingesnoerd in persoonlijkheden die ze zelf verafschuwen. Hun ontsnapping is even spontaan als radicaal – niet alleen laten ze hun vertrouwde omgeving achter zich, ook hun eigen identiteit.

Tegenover de ontdekkingsreis staat de verdwijnreis. Het reisdoel doet er niet toe, de reis zelf ook niet, het gaat om het vertrek. Weg van hier, weg van jezelf, weg van de wereld.

De personages van Coupland zijn mad travellers, zoals ze beschreven worden in de gelijknamige studie van Ian Hacking (Free Association Books, Londen), een Canadese professor in de filosofie. Onbeheersbare reisdwang was aan het eind van de negentiende eeuw een officieel erkende aandoening die vooral de Franse medische wetenschap in beroering bracht. Fugue, oftewel Wandertrieb, of automatisme ambulatoire, dromomania, poriomanie, bleek uiteindelijk een modeziekte, even reëel als vluchtig.

De eerste moderne verdwijnreiziger was een Fransman. Albert Dadas, gasfitter, legerkok, moest en zou de wijde wereld intrekken. Het was sterker dan hijzelf, het was een ziekte. Geboren in 1860, in Bordeaux, werd hij van een onopvallende man tot een tragische patiënt, en vervolgens tot een internationaal beroemd ziektegeval. Dadas werd de bekendste fugueur.

Op zijn achtste was hij uit een boom op zijn hoofd gevallen en daarna was het snel misgegaan. Toen hij twaalf was, verdween hij plotseling uit de gasfabriek waar hij werkte. Zijn broer vond hem in een naburig plaatsje, waar hij een handelsreiziger in paraplu's assisteerde. Toen die een hand op zijn schouder legde, leek Albert plotseling te ontwaken uit een diepe, hypnotische slaap. Hij had zelf geen idee wat hij daar deed, met een kar vol paraplu's.

Dat was het begin.

Telkens weer stapte Dadas uit zijn eigen ordelijke leven en verdween. Hij reisde door België en Holland, naar Zuid-Duitsland, en verder, langs de Donau, helemaal tot aan Wenen. Zijn verste wandeling bracht hem tot Constantinopel, via Moskou. Na iedere zwerftocht keerde hij terug naar Frankrijk, nadat hij zichzelf in verdwaasde toestand had aangegeven op het Franse consulaat ter plaatse of was opgepakt zonder geldige papieren. Uiteindelijk ging hij weer werken in een gasfabriek. Hij trouwde en kreeg een dochter (die overigens later tragisch in handen zou vallen van handelaars in blanke slavinnen). Maar genezen was hij niet. Zijn hele verdere leven zou hij lijden aan de ziekte die hem beroemd maakte. Je keek even niet en hij had de benen genomen.

Een van de ambitieuze doktoren die zich over hem ontfermde schreef een studie over zijn ziektebeeld, Les Aliénés voyageurs (1887) en prompt werden overal – eerst in Frankrijk, toen in heel Europa – soortgelijke gevallen gesignaleerd. Het werd een kleine epidemie. Mensen, vooral mannen, verlieten zomaar huis en haard, zonder te beseffen waarom, en werden duizenden kilometers verder suf en uitgeput teruggevonden. Sommigen hadden wel degelijk redenen gehad om er plotseling vandoor te gaan – oplopende schulden, een vrouw die sloeg – anderen waren vroeger ook op hun hoofd gevallen. Onder de wetenschappers van die tijd, onder wie de beroemde dokter Charcot, brak een heftige discussie los over de ware aard van de aandoening. Het was fugue, dat stond vast, maar waar moest deze ziekte worden ondergebracht? Was het een vorm van hysterie – in die tijd de populairste diagnose – of van epilepsie? Iedereen bemoeide zich ermee, zelfs de vader van Marcel Proust, die dokter was, maar net toen de weegschaal naar hysterie leek door te slaan, rond 1908, verdween de ziekte even snel als ze opgekomen was. Er deden zich nauwelijks meer nieuwe gevallen voor, en hoewel de geestelijke aandoening tot op de dag van vandaag keurig in de officiële handboeken staat vermeld, lijdt er niemand meer aan. Dwangmatig reizen is nu een verschijnsel dat op een andere stoornis of ziektebeeld wijst, even ongrijpbaar – meervoudig persoonlijksheidsyndroom of schizofrenie.

Wat had Albert Dadas nu eigenlijk? Leed hij werkelijk aan iets, had hij zichzelf iets wijs gemaakt, of lichtte hij de boel op? In Mad Travellers zijn fotoportretten afgedrukt van Albert in zijn gewone doen, Albert onder hypnose en Albert vlak na terugkeer van een van zijn dwangmatige zwerftochten. Hij lijdt zichtbaar. Hacking vermoedt echter dat de vier foto's meteen achter elkaar zijn gemaakt door de dokter die zijn geval in Les Aliénés voyageurs beschreef; een leugentje om wetenschappelijk bestwil dus.

Hacking toont zich in zijn boek vooral geboeid door de voorbijgaande aard van dit soort aandoeningen, door de sociaal-culturele context van een ziekte als fugue. Ogenschijnlijk is de inmiddels onomstreden aandoening van Albert Dadas voor hem aanleiding om het sociale en tijdelijke karakter van hedendaagse onverklaarde ziekten als ME en het meervoudig persoonlijkheidssyndroom tegen het licht te houden. Maar overal in zijn studie schemert zijn fascinatie met Dadas en zijn navolgers door. Hij vermoedt dat de gekte van Dadas het beste verklaarbaar is als cultureel fenomeen. De jaren waarin de epidemie plaatsvond, waren jaren van het opkomende massatoerisme in Europa. Een ieder die het zich kon permitteren, trok erop uit om de wonderen van de wereld te aanschouwen, het liefst in groepsverband. Tegelijk bestond er een algemene, bijna panische angst voor het gedwongen zwerven, het verlies van huis en haard. De vagebond was een schrikwekkend symbool van ontworteling en asociaal gedrag.

Die verklaring werkt Hacking niet uit – terwijl hij toch zo fascinerend is. Het ziektebeeld van Albert Dadas mag dan op de vuilnishoop van de medische wetenschap zijn terechtgekomen, de figuur van Dadas spreekt onmiddellijk tot de verbeelding. De gasfitter had de halve wereld afgereisd, hij had zich voortdurend in de nesten gewerkt (in Rusland was hij zelfs gearresteerd en bijna gefusilleerd op verdenking van anarchistische praktijken), maar had hij ook iets beleefd? Dadas stapte niet uit zijn reguliere bestaan om toerist te worden. Hij wilde ontsnappen, niet verkennen. Tijdens zijn lange reizen, als je zijn getuigenissen onder hypnose mag geloven, verkeerde hij in een aanhoudende staat van onbewustzijn. Hij deed dingen zonder het te beseffen. Alles ging ongezien aan hem voorbij. Hij was zo vrij als een vogeltje, omdat hij naast zijn eigen huis en haard ook zijn identiteit achter zich gelaten had. Hij was uit zichzelf gestapt.

De reisdwang van Dadas werd aan het einde van de negentiende eeuw als een ziekte herkend omdat er iets angstwekkends school in het loslaten van alles dat vertrouwd en eigen was. De wereld was in beweging gekomen, afstanden verschrompelden waar je bij stond, jezelf verplaatsen werd een achteloze gewoonte. Al het onbekende was plotseling bereikbaar. Dat was opwindend en verleidelijk. Maar, maar. De schaduwkant was het verlies van eigenheid, van geworteldheid, het doorsnijden van de banden die een mens met zijn leefgemeenschap verbinden. In de schaduw van de onderzoekende toerist hield zich de ontheemde zwerver op.

Is die angst nu nog invoelbaar? Niemand lijkt nog bang voor verandering van omgeving of voor een omgeving die zelf aan één stuk door blijft veranderen. De banden waarmee iemand aan zijn gemeenschap is verbonden zijn inmiddels van elastiek. De mens is, zoals cultuurcriticus Richard Sennett schrijft, flexibel geworden. Je eigen leefomgeving dient zich in een voortdurende staat van verandering te bevinden. Werk, woning, persoonlijk leven, ontspanning, het is allemaal goed zolang het maar in beweging blijft.

Het mooiste symbool van dat verlangen naar persoonlijke omwentelingen is de zogenaamde metamorfose, zoals die via de media tot je komt. Stel je voor: je komt thuis, doet de deur open, knipt het licht aan – en daar staat Jan des Bouvrie die je hele huis opnieuw heeft ingericht. Alles wat vertrouwd is, meubels, wanden, vertrouwde hoekjes en scheurtjes, is verdwenen. Je hele omgeving is nieuw! Ik vind het een aandoenlijk gezicht, het moment dat die `oude' mensen in het televisieprogramma TV Woonmagazine hun `nieuwe' omgeving binnenstappen. Je ziet de verwondering op hun gezichten, de gretigheid waarmee ze met hun eigen huis zichzelf ook best wel een beetje vernieuwd voelen, vermengd met de angst dat het een wrange illusie zal blijken – ze hebben zelf immers nog hun oude kleren aan, die zo helemaal niet bij de spullen van Jan passen. En erger, ze hebben ook hun oude hoofden en gedachten nog.

Maar ook voor die hoofden en gedachten wordt gezorgd. Op de middelbare hoofden die in Amerikaanse talkshows en in Nederland bij Catherine een make-over of metamorfose hebben ondergaan, zie je diezelfde mengeling van verwondering en onzekerheid. Uit de talloze centra waar je de mogelijkheid wordt gegeven `aan jezelf te werken' komen de cursisten met euforische gezichten te voorschijn. Ze zijn veranderd. En niet voor even, beweren ze met evangelische stelligheid, voorgoed. Toch schemert ook in hun woorden de angst door. Ik ben vernieuwd, maar ben ik ook een ander mens geworden? Of eigenlijk: ben ik nu eindelijk iemand? Iemand die ik niet was, maar altijd had willen worden?

Van niemand naar iemand – dat is een vertrouwd verlangen. Je ontstijgt jezelf zo vaak en zo radicaal mogelijk. De romans van Balzac zitten vol personages die zich met gebruik van beide ellebogen een weg naar boven banen. Hun imago is nauw verbonden aan wat ze zelf als hun persoonlijkheid beschouwen. Ook Tom Ripley uit Patricia Highsmiths The Talented Mr Ripley ruilt zijn eigen nietswaardigheid in voor een persoonlijkheid – in zijn geval op een letterlijke manier, aangezien hij zich de identiteit van zijn door hem vermoorde vriend Dickie Greenleaf aanmeet. Het is gruwelijk, maar ook herkenbaar. De even verbeten als smachtende blikken die de nobodies in de real-life soap De bus naar de camera werpen, de paniekerige gretigheid waarmee ze hun eigen namen en foto's opzoeken in de roddelblaadjes in de supermarkt – als kijker overvalt je de tragische gewaarwording dat hier elf personages wanhopig op zoek zijn naar een auteur, iemand (of iets) dat hen optilt uit hun eigen ongeziene levens. Het programma had beter Les Misérables kunnen heten.

Maar hoe flexibel de westerse mens ook is geworden, hoezeer hij zijn eigen vaste bestaan ook de schijn van het nomadendom heeft weten te geven – alles in hem en om hem heen voortdurend in beweging – hij klampt zich nog wel degelijk vast aan wat hij als zijn omgeving herkent. De zwerver mag tot een nostalgisch symbool van vrijheid en ongebondenheid zijn geworden, als schrikbeeld is hij in onze tijd vervangen door de dakloze. Die heeft alle banden met zijn tastbare omgeving doorgesneden, maar is in geen enkel opzicht romantisch. Zijn bestaan biedt een glimp van een leegte met de gevaarlijke zuigkracht van een zwart gat. Alles in het leven moet inwisselbaar zijn, niets is onveranderlijk, maar daarachter doemt het spook van het maatschappelijke vacuüm op. Verwisselen is iets anders dan verliezen.

Zo gezien is het begrijpelijk dat de ziekte van Albert Dadas heeft plaatsgemaakt voor andere spannende syndromen die de donkere kant van onze zucht naar de aanhoudende metamorfose openbaren. Dadas raakte zichzelf nooit helemaal voorgoed kwijt, hij eindigde altijd weer in Bordeaux in zijn gasfabriek – en dus bleven de doktoren hopen op genezing. Die genezing zou een feit zijn, wanneer hij voorgoed honkvast zou zijn. Achteraf gezien lijkt Dadas wel een beetje op de moderne massatoerist. Geen gretige verkenner die in een gezelschap de wonderen der wereld wil aanschouwen, zijn blik wil verruimen, maar een man die zich wil onderdompelen in onbewustzijn. Wie wel eens een paar weken in een of ander betonnen zonnig paradijs heeft doorgebracht, weet wat het is om vrijwillig in coma te gaan. Zulke plaatsen zijn anoniem en wezenloos en zonder betekenis omdat ze dat moeten zijn, omdat ze geacht worden de geest van de `reiziger' juist niet aan te spreken. Je stapt uit een leven dat geordend is, propvol alledaagse beslommeringen, angsten en verlangens, uit een wereld vol bewustzijn en herkenbaarheid. Je laat je aangenaam verdoven. Het is niet de bedoeling dat je iets beleeft, het is de bedoeling dat je jezelf kwijtraakt. Je omgeving is net zo leeg als je jezelf voelt. Het is de sensatie van het niets.

Maar de aantrekkelijkheid van die regelmatige excursies in wezenloosheid schuilt vooral in hun tijdelijkheid, net als de schijnvernieuwing van al die metamorfoses in ons dagelijks leven. Je weet dat je terugkeert, je vertrouwt erop dat je weliswaar je hele uiterlijk kunt veranderen, maar dat er ook iets in jezelf, iets authentieks, je ziel misschien wel, voor jezelf behouden blijft. Je verdwijnt niet, je raakt jezelf niet voorgoed kwijt. Het is aantrekkelijk om jezelf steeds een nieuwe persoonlijkheid aan te meten, maar de totale psychische versnippering of uitdoving boezemt angstige fascinatie in.

Modeziektes ontstaan altijd ergens tussen onze angsten en verlangens in. Dominant in onze cultuur is de hang naar bewustzijn, het verlangen naar de zekerheid van de identiteit, de overtuiging dat kennis je een plaatsje in de wereld verschaft. Tegelijk ontstaat een drang naar het tegenovergestelde: wie zich geworteld weet, wil zich losmaken, wie propvol kennis zit, verlangt naar vergetelheid, wie zijn werk als zijn leven beschouwt, flirt onwillekeurig met de burn-out.

Wie van niemand iemand werd, begint onwillekeurig naar het tegenovergestelde te verlangen. Dat is wat de propvolle personages van Coupland overkomt. Ze zijn de nazaten van Albert Dadas. Anders dan wijzelf zoeken ze de radicale onthechting, die in Couplands visie hetzelfde is als een loutering. Pas wie alles echt loslaat, ontdekt wie hij is, dat is de paradox. Zelfkennis wordt niet verworven door het ego te vergroten, maar door het zelf juist los te laten, werkelijk los te laten. Dat is de echte metamorfose, in tegenstelling tot al die schijnbeweging in de wereld van Jan des Bouvrie en Catherine Keijl. Op de laatste bladzijde mijmert John, de filmproducent, over die ziekelijke drang tot wedergeboorte. Hij behoort tot ,,a race of strangers, perpetually casting themselves into new fires, yearning to burn, yearning to rise from the charcoal, always starving, always believing that whatever came to them next would mercifully erase the creatures they'd already become as they crawled along the plastic radiant way.'

Het is wereldse mystiek, een wedergeboorte door dwangmatig reizen. Natuurlijk sluiten de twee reizigers elkaar aan het einde van Miss Wyoming in de armen. Want dit is romantische fictie en de personages verliezen zichzelf enkel en alleen om zichzelf (en elkaar) ten slotte weer te vinden, net als de gasfitter Albert Dadas. Die laatste was een geval, terwijl Couplands koppel onze constante drang tot persoonlijke vernieuwing moet verbeelden, ook in een tijd die iedere permanente verlossing uitsluit. De zieken van gisteren zijn de helden van vandaag.

Ian Hackin: Mad travellers. reflections on the reality of transient mental illnesses. Uitg. Free Association Books/ London ISBN 1-85343-455-8