Tot breuk ons scheidt

Ik put veel genoegen uit de omgang met mijn borden. Zoals de Ierse schrijver Flann O'Brien in The third policeman al in 1940 aantoonde, zijn de relaties tussen mensen en dingen minstens zo complex als intermenselijke relaties. O'Brien beschrijft hoe een postbode en zijn fiets in elkaar opgaan. Hij verklaart dat door de voortdurende wrijving tussen fiets en man, waardoor op den duur de moleculen van beide met elkaar verwisseld raken. Ik geloof zeker dat zoiets mogelijk is. In ieder geval heb ik een intiemere band met mijn borden dan met de meeste van mijn vrienden.

Elke keer dat we van ze eten heb ik ze minstens vijf keer in handen: om ze uit de kast te pakken, om ze na het eten op het aanrecht te zetten, in de afwasteil, op het afdruiprek en weer in de kast. Uitgaande van vijf keer per week, veertig weken per jaar, met vier personen, tien jaar lang, komt dat al op 40.000 aanrakingen.

Je hebt ontbijtborden, diepe borden en gewone borden. Diepe borden vind ik het opwindendst. Met hun stevige dikke porseleinen rand zijn ze volledig down to earth, maar bezitten toch aangename rondingen. Platte borden missen die en zijn eigenlijk niet meer dan makkelijk af te wassen tafeltjes.

Nu komen we op het probleem van de stiefborden. Toen ik in dit huis kwam wonen was het niet leeg. Er woonden hier al borden. Met hen heb ik een relatie moeten opbouwen. Twee ontbijtbordjes mag ik nog steeds niet erg; ik vind ze te klein en te dun. Met deze smokkel ik vaak, dan zet ik ze gewoon niet op tafel, ook al stonden ze bovenop de stapel. Maar mijn diepe stiefborden heb ik juist het liefst; hun bodem is bedekt met minuscule krasjes van de ontelbare lepels die over ze geschraapt hebben.

Ondanks de problematische verhouding die ik met mijn ontbijtborden heb, ben ik een voorstander van materiële monogamie. Ik vind de gedachte onuitstaanbaar dat sommige mensen dit hele allegaartje de deur uitdoen om met een esthetisch verantwoord servies een nieuw leven te beginnen. Nee, ik vind, als je ze eenmaal hebt, heb je je verantwoordelijkheden te aanvaarden. Tot breuk erop volgt.

Gelukkig komt nooit iemand op het idee om een bord cadeau te geven, zoals je met kop-en-schotel hebt. Die staan dan zo vreemd en onwennig in de kast en voor je het weet staan ze achter in een hoek te pruilen.

Te veel serviesgoed is niet prettig, maar je moet ook niet zo weinig hebben dat je niet op één dag pap en soep kan eten. Een tijdje geleden kwam ik tot de conclusie dat ik niet genoeg diepe borden had. Er waren er nog zes, en dat was net niet voldoende. Eén had ik zelf op de keukenvloer stuk gegooid (een luxe die ik me eens in de tien jaar permitteer) en kort daarna was er een vanzelf gebroken. (Toeval?) Ik vroeg me af of er ergens in een winkel nog van die archaïsche borden van gewoon dik wit porselein te krijgen zouden zijn. Ik moest er niet aan denken een of ander designed kreng te moeten afwassen. Tot mijn grote opluchting vond ik ze, gewoon in een winkel. Dik, wit, stevig porselein, een pond per bord zwaar, voor de onbegrijpelijke prijs van twee gulden per stuk. Bij een levensduur van tien jaar komt dat op 0,02 cent per aanraking.