Schoffies zonder schoolplein

`Niemand zal Ajax ooit verslaan behalve Ajax zelf!' Na het uitspreken van die woorden stort Ajax, held van de Grieken in de strijd tegen de Trojanen, zich in zijn zwaard. Het was de eerste wond die hem ooit trof, schrijft Ovidius in het dertiende boek van de Metamorfosen. Ajax had zojuist de verbale strijd verloren waarin hij en Odysseus elkaar de wapenrusting van de gesneuvelde Achilles betwistten. Dat die hem toekwam, sprak voor Ajax vanzelf: `Ja, als ik eerlijk spreken mag, die wapens worden dan meer geëerd dan ik, zij passen bij mijn roem. Niet Ajax wil die wapens winnen, nee, zij winnen Ajax.'

In de geschiedenis van de Amsterdamsche Football Club Ajax, morgen precies honderd jaar geleden opgericht, heeft zulke hoogmoed altijd een belangrijke rol gespeeld. Een ajacied is vooral trots op de grote provocaties uit de clubgeschiedenis: Gerrie Mühren die in het stadion van Real Madrid de bal enkele malen hooghoudt, de penalty-in-twee van Johan Cruijff en Jesper Olsen, de gewoonte van buitenspeler Tscheu la Ling om zijn tegenstander eerst met een schijnbeweging voorbij te spelen en daarna met de bal onder de voet rustig te wachten tot deze was opgekrabbeld, om dezelfde speler op identieke wijze een tweede maal in de luren te leggen.

Dat zijn de geintjes van de akeligste jongens op het schoolplein, de schoffies met wie iedereen vriendjes wil zijn, al is het maar uit voorzorg. Het zijn ook de geintjes waardoor je met opgeheven hoofd van het veld kunt stappen als je hebt verloren: de tegenstander verslaan, is maar een van de vele mogelijkheden om hem te vernederen. Naar Ajax ga je om straatvoetbal te zien.

Nestgevoel

Met de vernedering van de tegenstander wil het de laatste jaren echter niet meer zo vlotten. Het eerste elftal hoopt op een tweede plaats achter PSV en de supporters komen in opstand tegen de voormalige basketballer die tegenwoordig de baas is bij de club. In de stapel boeken die bij het honderdjarig bestaan van de club is verschenen, balt de identiteitscrisis zich op één punt samen: het schoolplein is vervangen door een evenementenhal. Of het nu de buitenstaanders zijn in bundels als Het Ajax-gevoel en Eeuwig Ajax of de oude leden die aan het woord komen in Ajax' eigen boek Ajax 1900-2000, iedereen haat de Arena, waar zelfs het gras hardnekkig weigert te groeien. Terwijl fans weten dat een polletje van het ijzersterke gras uit het oude stadion De Meer nog weken nadat je het naar huis had gesmokkeld, op een schoteltje in de huiskamer in leven te houden was.

Het multifunctionele stadion symboliseert de grote veranderingen die zich bij de club hebben voorgedaan en die de identiteitscrisis hebben veroorzaakt: de omvorming tot bedrijf met een miljoenenbegroting, de beursgang en de vervanging van alle oude vrijwilligers (kantinebeheerders, krijtlijnentrekkers, suppoosten, schoenenpoetsers, huiswerkbegeleiders, grasverzorgers) door moderne professionals. Zelfs de medemenselijkheid is geïnstitutionaliseerd. Zo vertelt clubarchivaris Wim Schoevaart in het jubileumboek dat als er tegenwoordig post binnenkomt van een ernstig zieke jonge Ajaxfan, dit een taak is voor de hospitality manager.

Het pleit voor de bedrijfsleiding van Ajax dat het juist de vereniging zo ruim baan heeft gegeven in het jubileumboek. Het boek zelf is zeer fraai uitgegeven en geknipt voor een bijzettafel in een viproom. Zowel in de honderden prachtige foto's als in de tekst – uitgebreide vraaggesprekken met oud-leden en oud-spelers door Ajax perschef David Endt en journalist Sytze van der Zee – krijgen de herinneringen aan het oude Ajax alle ruimte.

Zo komen bijvoorbeeld de eerste signalen van de professionalisering door: topscorer Piet van Reenen (273 doelpunten in 237 competitiewedstrijden tussen 1929 en 1942) die weigerde zelf zijn voetbalspullen en contributie te betalen (`Ik speel in het eerste en ik breng geld in het laatje'), de eerste `gouden kettingen' die op de tribune opdoken, de verhitte discussies over de overgang naar betaald voetbal in 1954 en de wijze waarop de weduwe van aanvaller Jan Schubert haar `eeuwige plaats' op de eretribune verloor omdat er in de jaren tachtig plaats moest worden gemaakt voor business-seats. En de injecties die de jonge Simon Tahamata tweemaal per week met medespeler Frank Arnesen bij de dokter moest halen om sterker te worden: `Wat er precies inzat, vraag het me niet. Het wekte de eetlust op, geloof ik, want Frankie en ik moesten aan gewicht en kracht winnen.'

De zoon van Wim Anderiesen, een van de allergrootsten uit het vooroorlogse tijdperk, geeft overigens aan dat er aan het warme nestgevoel van de Ajax-familie ook weleens iets mankeerde. Zijn vader werd na diens afscheid nagenoeg door de club vergeten. De dood van Anderiesen in 1944 is onderwerp van een van de mythen over Ajax in oorlogstijd: `De Duitsers stemden ermee in dat er die dag geen razzia gehouden zou worden en dat er op de begraafplaats geen Duitser aanwezig zou zijn. Ze hielden woord.'

Dat zowel de oorlogsgeschiedenis van de club als de relatie tussen de club en het jodendom gevoelig ligt, blijkt uit het beste boek dat bij het jubileum is verschenen: Ajax, de joden, Nederland van Simon Kuper, een themanummer van voetbaltijdschrift Hard Gras. In zijn onderzoek naar het joodse aspect van de Ajax-identiteit trekt Kuper stevig van leer tegen Evert Vermeer, de belangrijkste Ajax-historicus. Die meent dat het idee van de `jodenclub' Ajax eigenlijk nergens op gebaseerd is: `De club zelf had voor de Tweede Wereldoorlog helemaal geen joodse cultuur', zei Vermeer vorige herfst in Het Parool. Wel degelijk, zegt Kuper.

Dat laatste brengt hij overtuigend: Ajax was de club van Amsterdam-Oost, een buurt waar relatief veel joden woonden. Daardoor was juist het stadion van Ajax een van de plaatsen waar joden en niet-joden elkaar regelmatig tegenkwamen. Niet dat Ajax zich tijdens de bezetting heldhaftig opstelde: toen de bezetter dat in de herfst van 1941 eiste, werden de joodse leden geroyeerd. Al in 1940 was een deel van het stadion door de Wehrmacht opgeëist. `De kleedkamers van de tegenstanders', volgens een oudgediende in het jubileumboek. Die meent bovendien abusievelijk: `toen de Duitsers in 1942 een beschikking uitvaardigden dat alle joden uit het verenigingsleven moesten worden verwijderd, is die bij Ajax stilzwijgend genegeerd'. De Wehrmacht betaalde echter gewoon huur, tot tevredenheid van de club. Bij wijze van `kleine verzetsdaad' versloeg een Ajax-veteranenteam de Duitsers in een vriendschappelijke wedstrijd, met 14-1. De joden die nauw bij de club betrokken waren hadden een groot voordeel: ze kenden langs die weg veel niet-joden en dat kon ze helpen uit handen van de Duitsers te blijven. Na de oorlog groeit de ambivalentie onder de joodse of halfjoodse ajacieden, zoals Bennie Muller en Sjaak (Jesaia, volgens zijn paspoort) Swart: ze hebben het liever niet over het jodendom.

Het ontroerendste deel uit Kupers boek is de reconstructie van de dood van Eddy Hamel, een in New York geboren joodse rechtsbuiten die in 1943 in Auschwitz werd vermoord. Kuper besluit Ajax, de joden, Nederland, waarin hij zich soms wat al te zeer door zijn woede over de Hollandse hypocrisie laat meeslepen, met een oproep aan Ajax om het joodse aspect van zijn geschiedenis te herdenken door een standbeeld van Eddy Hamel.

Behalve een collectieve speurtocht naar de verloren identiteit, is de stapel Ajaxboeken van het jubileumjaar ook een gemiste kans: een grote, overkoepelende clubgeschiedenis ontbreekt. Het bij uitgeverij Luitingh Sijthoff verschenen Ajax 100 jaar jubileumboek van Evert Vermeer en Marcelle van Hoof, lijkt op het eerste gezicht zo'n clubgeschiedenis te zijn, maar is het niet. Het is voor een groot deel een herdruk van eerder werk van Vermeer (90 jaren Ajax en 95 jaar Ajax) en is bovendien veel te fragmentarisch: het bevat honderd korte hoofdstukjes, met per voetbalseizoen een opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen, maar zonder iets wat lijkt op een overkoepelende gedachte. Daar komt bij dat de nogal lukraak op de pagina's geworpen foto's slecht afgedrukt zijn en de overzichtelijkheid geweld aandoen, hoe mooi ze als plaatjes ook zijn. Maar de statistieken zijn om van te watertanden. Alle bekende wedstrijduitslagen van Ajax, de eindstanden per seizoen, lijsten van spelers met hun aantal wedstrijden en gemaakte doelpunten.

Klagen en terugkijken

Van de twee bundels Ajax-stukken die verschenen, is Eeuwig Ajax van uitgeverij Thomas Rap de beste. In Het Ajax gevoel staan net iets te veel eerder gepubliceerde krantenstukken, waarbij een stuk van Florence van Berckel opvalt doordat het als enige het `Ajax-gevoel' zoekt op de plaats waar het volgens de anderen niet kan zijn: in de Arena. Daar stuit ze op de giechelende clubliefde van Nikos Machlas en Shota Arveladze.

De beter verzorgde stukken in Eeuwig Ajax laten zich mooi met de naslagwerken in de hand lezen; zo staat de inschrijving als jeugdspeler van de latere wereldkampioen dammen Ton Sijbrands ook in de ledenlijst van het jubileumboek opgetekend, evenals die van Roni Kalderon, het Israelische supertalent dat na een spoor van schulden in Nederland te hebben achtergelaten, uiteindelijk in een Zuid-Amerikaanse gevangenis belandde. Niemand weet of hij nog leeft, blijkt uit een mooie reportage van Tom Egbers.

Behalve Van Berckel hebben alle auteurs in de bundels gekozen tussen klagen en terugkijken, waarbij men zichzelf af en toe troostend toespreekt over de noodzakelijkheid van de loop der geschiedenis en de waarschijnlijkheid van een wederopstanding. Dat er daarvoor eerst weer gras op het Amsterdamse schoolplein moet groeien, is misschien wel de grootste hinderpaal. Het trieste lot van de Griekse Ajax geeft echter juist in botanische zin enige hoop. In de versie van Ovidius: `Hij had geen kracht meer om het wapen uit zijn lijf te trekken, maar met het bloed kwam het naar buiten. Toen de bodem rood doordrenkt was, sproot er in het jonge gras een purperen bloem op'.

Rob van Zoest (samenstelling): Ajax 1900-2000.

Thoth, 508 blz. ƒ125,-

Simon Kuper: Ajax, de joden, Nederland, Hard Gras 22.

Veen, 160 blz. ƒ18,90

Evert Vermeer en Marcelle van Hoof: Ajax 100 Jaar Jubileumboek. Luitingh-Sijthoff, 384 blz. ƒ39,90

Adriaan Jaeggi (samenstelling): Eeuwig Ajax.

Thomas Rap, 102 blz. ƒ15,-

Ruurd Edens (eindredactie):

Het Ajax-gevoel.

Poseidon, 112 blz. ƒ24,50