Nevenfuncties Hoge Raad liggen gevoelig

Kunnen rechters van de Hoge Raad zich bij hun oordelen losmaken van de ervaringen die zij opdoen in hun nevenfuncties?

Minister Korthals (Justitie) gaat praten met de president van de Hoge Raad over nevenfuncties. Dat deelde hij mee bij de behandeling van zijn begroting in de Eerste Kamer. Aanleiding zijn twee raadsheren met een functie in de Raad van toezicht op het schadeverzekeringsbedrijf. Op zichzelf kon de bewindsman daarover, met de wet in de hand, kort zijn: ,,Het kan.''

Het lijkt de minister echter niet helemaal juist zich formeel te verschuilen achter de wet. Het is immers ook mogelijk voorstellen te doen om de wet te veranderen. ,,In alle eerlijkheid'' voegde Korthals daaraan toe ,,dat daar wellicht enige aanleiding voor is''.

De zaak van de twee raadsheren werd in juni vorig jaar aangezwengeld door de Utrechtse orthodontist J. van den Hemel, die was verwikkeld in een slepende verzekeringszaak over een aanrijding in 1989 waarbij hij gewond raakte. Van den Hemel was bij de Hoge Raad in cassatie gegaan van een voor hem ongunstige uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Hij diende een formeel verzoek tot wraking in van twee van de vijf raadsheren die zijn zaak zouden behandelen. Zijn bezwaar was dat de twee tegen betaling werkzaam waren bij de Raad van toezicht die wordt gefinancierd door de Nederlandse schadeverzekaars, waaronder zijn tegenpartij Royal Nederland. Deze raad is inmiddels overigens opgegaan in een algemene Raad van toezicht verzekeringen, maar dat doet aan de zaak niets af.

De betrokken raadsheren waren R. Hermann en F. Mijnssen. Zij zagen geen reden zich terug te trekken. Het wrakingsverzoek werd daarop behandeld door een andere kamer van de Hoge Raad, die het in november afwees. Dat was conform het advies van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, F. Langemeijer. Deze vond het lidmaatschap van de Raad van toezicht niet te vergelijken met een bestuursfunctie of een commissariaat. De raad is een orgaan voor onafhankelijke en deskundige klachtenbehandeling. De leden worden benoemd en gehonoreerd door een stichting waarin ook consumenten zijn vertegenwoordigd.

Dat het een betaalde functie betrof vond Langemeijer niet erg relevant. Hij wees op de Britse `Law Lord' Hoffmann die deelnam aan de eerste uitspraak in de zaak-Pinochet. Deze uitspraak moest worden overgedaan toen aan het licht kwam dat Hoffmann een functie bij Amnesty International (een van de klagers) had vervuld. Van betaling was geen sprake. De ideële betrokkenheid was voldoende om hem te diskwalificeren.

Honorering van een nevenfunctie kan bijdragen tot de duidelijkheid en zakelijkheid van de verhoudingen, vond Langemeijer. In elk geval was het verband tussen het ontvangen honorarium van de twee raadsheren en de contributie van Royal Nederland aan de branche-organisatie zo ver verwijderd dat de advocaat-generaal er met de beste wil van de wereld geen gevaar voor belangenverstrengeling in kon zien. De wrakingskamer van de Hoge Raad legde bij afwijzing van het verzoek nog speciaal de nadruk op het onafhankelijke, quasi-rechterlijke karakter van de Raad van toezicht.

Wraking heeft toch al een hoge drempel. Voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Slechts ,,in uitzonderlijke omstandigheden'' die ,,zwaarwegende aanwijzingen'' voor twijfel opleveren maakt een wrakingsverzoek bij de Hoge Raad kans van slagen. Rechters kunnen niet té theoretisch omgaan met dit soort kwesties, waarschuwde de hoogleraar internationaal recht H.G. Schermers eens, want anders blijft er geen hof over.

Toch heeft minister Korthals wel iets om te bespreken met de president van de Hoge Raad. Rechterlijke nevenfuncties liggen immers in het geval van het hoogste rechtscollege extra gevoelig. Op zichzelf is het begrijpelijk dat juist de leden van de Hoge Raad af en toe even uit de ivoren toren willen stappen. Het werk bij dit college heeft een hoge graad van abstractie. De rechters zien de partijen zelf niet meer en gaan geheel af op de, vaak enorme, dossiers. Geen wonder dat ze een kans aangrijpen af en toe eens onder de mensen te komen.

Het weekblad Nieuwe Revu publiceerde op 10 november vorig jaar een waslijst nevenfuncties van leden van de Hoge Raad, variërend van examinator tot commissariaten. Daar is alle ruimte voor, noteerde Korthals in antwoord op Kamervragen. De wet is in 1996 juist gewijzigd om het aantal absolute onverenigbaarheden zo klein mogelijk te houden. Of nevenfuncties ook verstandig zijn is in de eerste plaats ter beoordeling van ,,de functionele autoriteit'', de president van het betreffende gerecht.

In de Tweede Kamer hebben de SP en GroenLinks vooral een punt gemaakt van het tijdsbeslag van nevenfuncties terwijl de Hoge Raad zelf klaagt over toenemende werkvoorraden. Dat is een argument voor zelfbeperking van de rechters. Maar een boekhoudkundige benadering is niet doorslaggevend als het gaat om verbreding van de rechterlijke horizon. Het knelpunt is veeleer dat leden van de Hoge Raad bij uitstek geroepen zijn het laatste woord te spreken over problemen op gebieden waar zij maatschappelijk actief zijn.

Kunnen zij zich losmaken van de speciale ervaringen en opvattingen die zij in die functies opdoen? Als het gaat om een bijna-rechterlijke nevenfunctie, zoals klachtenbehandeling, krijgt hun eigenlijke rechterswerk op het bijzondere deelterrein bijna onvermijdelijk iets van het recenseren van eigen werk. ,,Een rechter is nu eenmaal geen onbeschreven blad, voorkennis is nog geen vooringenomenheid'', vond staatsraad P. van Dijk in 1997. Maar dat is nog geen reden de kat op het spek te binden. Een rechter kan zich altijd zelf terugtrekken. Bij een bescheiden aantal nevenfuncties zijn er altijd collega's die kunnen invallen en blijven er ruimschoots zaken over waar de maatschappelijke activiteiten geen vragen kunnen oproepen.