Mythen met speurzin gelezen

De antieke mythologie is een soort literair steno. De moderne schrijver of dichter kan er altijd gebruik van maken, als hij betekenis wil suggereren zonder woorden te verspillen. Laat een jongeman bij zijn moeder in bed kruipen of zijn vader een pak slaag geven, en iedereen denkt: Oedipus! Komt een onschuldig meisje tijdens het voeren van de eendjes met een zwaan in botsing: Leda! Stort een hoogmoedig personage tijdens zijn vliegvakantie in de golven: Icarus! Ook al keren steeds dezelfde mythen terug, toch raken schrijvers, dichters en lezers er niet op uitgekeken. Eigenlijk is dat vreemd, want niemand gelooft meer in hun ooit `heilige' waarheid, sinds christendom en secularisatie. Waarom dan toch die blijvende fascinatie?

Het is de meest intrigerende vraag die Paul Claes opwerpt in zijn essaybundel De Gulden Tak. Antieke mythe en moderne literatuur. En tegelijk zowat de enige vraag waarop geen bevredigend antwoord komt. Want als we lezen dat mythen voor iedereen `spiegelbeelden' zijn, dan is dat ongetwijfeld juist, maar als verklaring niet erg diepgravend. Meer de moeite waard is zijn andere antwoord, dat zich in feite over de hele bundel uitstrekt. Aan het slot wordt het in een paradoxale formule samengevat: `De mythe bestaat niet, er bestaan alleen metamorfosen van mythen'. Het antwoord heeft iets van een tautologie. Wat zegt het tenslotte anders dan dat de attractie van de mythe ligt in het feit dat zij zich zo makkelijk en veelzijdig laat gebruiken?

Het raadsel blijft. Maar Claes schrijft er zo elegant en erudiet over, dat dat nauwelijks een bezwaar mag heten. In twaalf essays behandelt hij de vele `metamorfosen' die de mythen in de loop van de literatuurgeschiedenis hebben doorgemaakt. Claes begint met drie essays van meer algemene strekking: over de relatie tussen mythe en literatuur, over Frazers The Golden Bough, en over de `travestie' van de antieke mythe in de moderne literatuur, die verrassenderwijs al blijkt te zijn voorbereid in de romanliteratuur van de Oudheid. Niet Ulysses en Salammbô zijn de eerste romans waarin een mythe op de achtergrond meespeelt, maar door het publiek al lang vergeten romans van Chariton, Xenophon van Efese en – minder onbekend – Longus, de auteur van Daphnis en Chloë.

Labyrint

In het eerste essay bespreekt Claes de tegenstelling tussen Muthos (het verhalende woord) en Logos (het redelijke woord). Het is de Logos die in de rest van de bundel de `leidraad' verschaft door het `labyrint' van de mythologische metamorfosen. Claes ontpopt zich daarbij als een gedreven systematicus. De mythen onderscheidt hij in vijf types, de interpretatie van de mythen in vier hoofdtypes, terwijl het laatste hoofdtype (de functionele interpretatie) op zijn beurt in drie subtypes wordt opgesplitst. Zo krijgt het labyrint langzaam maar zeker herkenbare trekken, want Claes komt steeds met concrete voorbeelden die de systematiek van vlees en bloed voorzien.

Literatuur, schrijft hij, is als `meerzinnig verhaal' de directe opvolger van de mythe. Dat klopt. Maar tegelijkertijd ontheiligt de literatuur de mythe, door haar te veranderen in nuttig steno. Een belangrijke impuls daartoe moet in de negentiende eeuw zijn uitgegaan van The Golden Bough, waarin alle mythen tot één kern worden gereduceerd. Volgens Frazer gaat het steeds om een antropomorfische voorstelling van de jaarlijkse natuurcyclus. Vandaar dat ondergang, loutering en herstel (winter, lente, zomer) er het terugkerende patroon van vormen.

De verlichte rationalist Frazer had met zijn analyse alleen wel een geheime agenda, betoogt Claes; hij wilde aantonen dat ook het christendom met zijn centrale thema's van dood en verrijzenis zo'n vegetatiemythe was. Zelf oppert Claes een mogelijke schatplichtigheid van het Evangelie aan de antieke roman, waarin een soortgelijke thematiek is terug te vinden.

Aan de secularisatie valt dus niet te ontkomen, hoeveel mea culpa's de paus ook nog mag uitspreken. Claes laat zich er niet door ontmoedigen en komt in de laatste negen essays met minutieuze interpretaties van de manier waarop `moderne' schrijvers en dichters (van Vondel tot Faverey) met het mythologisch erfgoed zijn omgesprongen. Opnieuw steekt de systematiek de kop op, want Claes heeft exemplarische teksten uitgekozen waarin het mythische materiaal telkens op een andere manier wordt verwerkt, met daarbij telkens een andere – al even exemplarische – interpretatie van hemzelf.

Zoiets tekent de weldoordachtheid waarmee zijn bundel is samengesteld. Hetzelfde geldt voor de interpretaties, die blijk geven van grote kennis van zaken en van doortastende speurzin. Of het nu om Keats of Lucebert, om Gerhardt of Ten Berge gaat – geen raadsel zo groot, of Claes weet het op te lossen. Hij is de Sherlock Holmes onder de Nederlandstalige critici, zoals ook al was gebleken uit zijn Raadsels van Rilke (1995), waarin het essay over Rilke's sonnet `Archaïscher Torso Apollos' uit deze bundel moeiteloos een plaatsje had kunnen krijgen. Net zoals het essay over de Oedipus-mythe bij Hugo Claus een off-spring lijkt van De mot in de mythe, zijn grote studie over de Oudheid en Claus uit 1984.

Onverstoorbaar plezier

`Het is plezierig puzzelen om verdere allusies te vinden', schrijft Claes naar aanleiding van Mulisch' kleine roman De elementen. Eenzelfde bedaard en onverstoorbaar plezier spreekt uit de overige essays van de bundel. Claes heeft er schik in en de lezer mag meeprofiteren. Maar soms zijn analyse en interpretatie de essayist blijkbaar niet genoeg en is het tijd om te gaan spelen. Drie romans zijn daar inmiddels uit voortgekomen, waarin Claes zich net zo'n postmoderne `recycler' toont als Mulisch volgens hem is. Met dit verschil alleen, dat bij hem het grotere verband ontbreekt oftewel het eigen literaire universum, waaraan Mulisch' gebruik van mythen en pasklare verhalen zijn meerwaarde ontleent. Claes speelt het spel uitsluitend om het spel.

Dat is ook zo in de tegelijk met De Gulden Tak verschenen dichtbundel Glans, Feux, waarin Claes mythische gegevens transformeert tot twee maal zesendertig gedichten. Op de ene pagina staat telkens een Frans sonnet met regels van afwisselend twee en drie lettergrepen per vers, op de andere pagina een Nederlands kwatrijn in klassieke disticha. De onderverdeling van de gedichten correspondeert met het patroon van Frazer. In de afdeling `Vernietiging' bezingt Claes `tragische' personages als Oedipus, Electra, Antaeus en Narcissus, in de tweede afdeling `Zuivering' ondergaan de personages (onder meer Odysseus, Penelope, Orpheus en Sysiphus) een beproeving, en in de derde aflevering `Verlichting' laat hij aan de hand van Zeus en diens vele geliefden, Theseus en Ariadne, Amor en Psyche en enkele andere mythische koppels zien dat het ook goed kan aflopen.

Vooral de Franse sonnetten zijn bijzonder knap gedaan. `Au lieu/ De naître/ Pénêtre/ Ce creux' (het gaat om Oedipus en Iocaste) klinkt bepaald vernuftiger dan het Nederlandse `Ga (...)/ de grot in van uw geboorte'. Wat niet wil zeggen dat deze gedichten veel toevoegen aan de mythen waarnaar ze verwijzen, of het zou de nadruk op seksualiteit moeten zijn. Anders dan de schrijvers en dichters die Claes in zijn essaybundel analyseert, beperkt hij zich in Glans, Feux tot een oefening in virtuositeit. Zonder een poging te doen het op te lossen maakt de Logos, nu vermomd als dichter, een tweetalig dansje rond het raadsel. Een feestelijk gezicht, maar daar blijft het ook bij.

Paul Claes: De Gulden Tak.

Antieke mythe en moderne literatuur.

De Bezige Bij, 142 blz. ƒ29,50

Paul Claes: Glans, Feux.

Gedichten – Poèmes.

De Bezige Bij, 92 blz. ƒ29,50