Kwaad bloed van een collaborateur

In 94 na Christus voltooide de Joodse historicus Flavius Josephus zijn twintig boeken tellende Antiquitates Judaicae, 57 jaar na zijn geboorte, 27 jaar na zijn overlopen naar de Romeinse bezetters, en 6 jaar voor zijn dood. Niet al die jaartallen staan vast, zelfs niet het geboortejaar van Christus.

Josef ben Matitjahoe ha-Kohen, alias Flavius Josephus, was van huis uit een gelovige jood en een Romeins burger door verdienste, maar zijn roem heeft hij te danken aan zijn bericht over de eerste christenen. In boek XVIII treft de lezer het testimonium flavianum aan, een passage die tot niet zo lang geleden als getuigenis gold van een historische Jezus: `In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voorzover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk werden geacht, en hij was de leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen.'

In hun inleiding bij De oude geschiedenis van de joden zetten vertalers Meijer en Wes de bedenkingen tegen deze bewijsplaats uiteen. De vermeldingen in de tekst van Joannes de Doper en van de apostel Jacobus, `de broer van Jezus', zijn daarentegen geen interpolaties van later datum. Hun verschijning moet begrepen worden in de context van wedijver tussen joodse leerscholen. Niemand, ook niet Jezus' discipelen, was zich in de eerste eeuw na Christus bewust van de eigen koers die het christendom zou gaan varen. De tempel in Jeruzalem waar zich alle gekrakeel voltrok, was allang omstreden. In het bijzonder als het officiële bestuur wankelde, laaide de strijd tussen Sadduceeën, Farizeeën, Essenen en Zeloten hoog op. Tussen 67 voor Christus, het jaar waarmee dit laatste deel aanvangt, en 66 na Christus, het slotjaar, ontbrak het niet aan zulke gelegenheden.

Dit laatste deel van de voortreffelijk vertaling van Meijer en Wes opent met een opvolgingskwestie in 67 voor Christus. Twee broers betwisten elkaar de troon van het Hasmoneïsche koningshuis dat al een halve eeuw in Palestina regeerde. Voor het eerst sinds de dagen van David en Salomon regeerden joodse koningen over een groot joods rijk. Tot ergernis van de religieuze orthodoxie bekleedde het Hasmoneïsche koningschap zich echter met de attributen van de voormalige Ptolemeïsche despoten. Toen het joodse volk tijdens de dynastieke perikelen de kans kreeg zijn zaak te bepleiten, verzocht het om van een koning verschoond te mogen blijven: `Het was namelijk van oudsher gewoonte bij hen, zo brachten ze naar voren, dat ze onder gezag stonden van de priesters van de God die zij vereerden.'

Jammer genoeg legden het volk en de twee koninklijke broers hun zaak voor aan Pompeius, en Romeinse generaals huldigden nu eenmaal het principe `verdeel en heers'. In 63 voor Christus vond hij een voorwendsel om Jeruzalem in te nemen, en daarmee was een onafhankelijke joodse staat tot 1948 van onze jaartelling van de baan. Wat over bleef was een vazalstaat die tot 4 voor Christus door een Hasmoneïsche parvenu werd bestuurd, `Herodes de Grote' (Niet hij, maar zijn kleinzoon, was de Herodes van de bijbelse kindermoord). De helft van dit deel is gewijd aan de wederwaardigheden van deze hellenistische opschepper.

Na Herodes' dood braken opnieuw ongeregeldheden uit. Het land werd verdeeld, herenigd en tenslotte onder toezicht van Romeinse procurators gesteld. Die traden zo bars op dat in 66 na Christus een opstand tegen Rome uitbrak. Op dat punt eindigt De oude geschiedenis van de joden. In zijn eerdere De Joodse Oorlog had Josephus die opstand al beschreven, inclusief de verraderlijke rol die hij daarin zelf had gespeeld door over te lopen. Aan Romeinse zijde was hij in 70 getuige van de verwoesting van Jeruzalem en van de heilige Tempel.

Machtsstrijd

Josephus is ook een zijdelingse bron voor de overgang van de Romeinse Republiek naar het keizerrijk. Hij werpt een licht op de machtsstrijd tussen Pompeius, Julius Caesar en Octavianus, die in de provincies werd uitgevochten. En al mist Josephus de scherpzinnigheid van Tacitus, dankzij een jarenlang verblijf in Rome heeft hij een idee van de akelige hofhouding van Tiberius en Caligula. Voor de staatkundige geschiedenis van Romeins Palestina is Josephus de enige bron. De schildering van Herodes' hof stelt de gruweldaden van de Julisch-Claudische keizers nog in de schaduw. In zijn achterdocht roeide de koning eerst alle restanten van de Hasmoneïsche dynastie uit, en vervolgens zijn eigen familie, inclusief drie van zijn zonen. Toen hij tegen het einde van zijn leven zag aankomen dat over zijn dood niemand zou treuren, verzamelde hij de joodse prominenten op de renbaan, met de bedoeling ze na zijn dood te laten vermoorden. Dán zouden zijn onderdanen wel over hem rouwen. Op het laatste moment ging het plan niet door.

Toch schemert door alle verontwaardiging van Josephus een zekere bewondering voor Herodes heen. Niet alleen die renbaan had Herodes aangelegd, ook een amfitheater in Jeruzalem en grotere ondernemingen nam hij ter hand. Aan de kust stichtte hij een nieuwe stad, Caesarea Maritima, en in het binnenland Sebaste. Om zijn joodse onderdanen te paaien, vergrootte en verfraaide hij tevens de Tempel in Jeruzalem. Die royale gebaren leidden wel vaak tot fricties. Toen Herodes militaire zegetekenen in Jeruzalem liet opstellen kwamen de religieuze facties klagen, en dat was ook het geval toen hij de Tempel met een Romeinse adelaar versierde: de joodse Wet verbood immers gesneden beelden. Ook de beruchte procurator Pontius Pilatus kwam op dit punt hardhandig in aanvaring met de joden; de rellen kostten hem zijn baan. Lang niet alle joden legden de Wet overigens zo streng uit. In Tiberias werd een synagoge betegeld met een mozaïek waarin de zonnegod Helios triomfantelijk tussen de tekens van de dierenriem prijkt.

De geschiedschrijving van Josephus balanceert steeds tussen de verzekering aan een hellenistisch publiek dat joden eigenlijk heel redelijke mensen zijn, en zijn ergernis over de religieuze scherpslijperij onder bepaalde groepen. De Zeloten – ijveraars voor een van vreemde smetten gezuiverd Palestina – schildert hij onophoudelijk af als rebellen, gekken of misdadigers. De joodse Tempel en Wet waren (en zijn) ook politieke elementen, en deze rechtzinnigen waren uit op het herstel van het rijk van David. Tot op vandaag beschouwen joodse nationalisten Josephus als een collaborateur.

Josephus trekt ook veel tijd uit om zijn lezers ervan te overtuigen dat de joden van oudsher geziene burgers waren in Romeins Palestina, en in de Griekse en Aziatische steden waar ze gevestigd waren. Zij genoten veel voorrechten. De Romeinse overheid had bijvoorbeeld de joden van dienstplicht ontslagen wegens hun sabbatverplichtingen. In Tegen de Grieken, het laatste deel van het Flavius Josephus-vertaalproject, staat zelfs de verhouding tussen joden en niet-joden centraal. Hij schreef het ná De oude geschiedenis van de joden, voor wie daar niks van had geleerd. De boodschap valt uiteen in twee delen: de geschiedschrijvers, speciaal de Griekse, hebben de joodse geschiedenis altijd verwaarloosd, en de joodse religieuze wetgeving is én de oudste én de beste. Die verongelijkte apologie gaat gepaard met een omhaal van feiten, verhalen, insinuaties en beledigingen aan het adres van andere historische autoriteiten, en van hele volksstammen. Met meer recht had het boek `Tegen de Egyptenaren' kunnen heten. Josephus' verachting voor die `dierenaanbidders' kent geen grenzen. Meijer en Wes hebben in de inleiding handenvol werk om de lezer te verzoenen met de laster en opschepperij van Josephus. Het is een raadsel hoe iemand dit rancuneuze schotschrift Josephus' `meest sympathieke werk' kan noemen, zoals de boekomslag ons wil doen geloven.

Aanslagen

De vertaler van Philo Judaeus' Pogrom in Alexandrië heeft wel enig begrip voor de woede die joden soms wekten in den vreemde: hun voorrechten zetten kwaad bloed. In Alexandrië werd in 38 na Christus een aanslag op de joden gepleegd. Philo Judaeus, een vooraanstaand lid van de joodse gemeente, deed verslag van de terreur, en van het gezantschap naar Rome dat erop volgde. Ook Philo laat zich niet onbetuigd als het erom gaat de tegenstanders krachtig neer te zetten. De Romeinen zijn in Philo's verslagen net als bij Josephus natuurlijke heersers die hooguit wel eens dwalen. De Egyptische onderklasse van Alexandrië beschrijft Philo zonder enige reserve als tuig, `net zo giftig en kwaadaardig als de krokodillen en slangen die je in hun land vindt'. Die uitbarstingen doen twijfelen aan de toepasselijkheid van het begrip `antisemitisme' dat Philo's vertaler en inleider De Vries hanteert. Waarschijnlijker is, dat de betrekkingen tussen etnische groepen in de hellenistische metropolen vervuld waren van wederzijdse vooroordelen. De joden waren in hun bejegening van vreemdelingen niet toleranter dan andere groepen. Josephus mag het in Tegen de Grieken ontkennen, er was ongetwijfeld veel xenofobie onder de joden. De `oorlogsrol' uit Qumran aan de Dode Zee, product van zo'n bende dwepers waar Josephus in De oude geschiedenis van de joden zijn afkeer van uitspreekt, loopt over van de onvriendelijke voornemens jegens andersdenkenden.

Deze twee schrijvers uit de Romeinse buitengewesten gaven een stem aan een volk waar de heersers van dat ogenblik zich maar matig voor interesseerden. De vertaler van Philo Judaeus, wiens Nederlandse versie de Josephus-uitgave evenaart, heeft ook een aantal fragmenten opgenomen uit Griekse en Latijnse werken waarin Palestina en de joden optreden. Al met al getuigen die vooral van onwetendheid en onverschilligheid. Toch zouden Rome en de klassieke erfenis een paar eeuwen na de vurige pleidooien van Josephus en Philo in handen vallen van een joodse ketterij, toen in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst werd verheven.

Flavius Josepus: De oude geschiedenis van de joden. Deel III. Boek XIV-XX. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes.

Ambo, 526 blz. ƒ89,50

Flavius Josephus: Tegen de Grieken. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door

F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes.

Ambo, 229 blz. ƒ49,50

Philo Judaeus: Pogrom in Alexandrië, en Gezantschap naar Caligula. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door G.H. de Vries. Ambo, 301 blz. tot 15 april ƒ34,90, daarna ƒ49,50