Het vertrouwen op waarheid

Willem Jan Otten heeft Rudy Kousbroek aangeklaagd als een `verachter der religie'. Kousbroek zou willen reageren maar denkt aan een gedicht van Ida Gerhardt: ,,Het wonder van dit gedicht is niet het geloof, maar de reconstructie ervan.''

Sinds de verschijning van Het wonder van de losse olifanten van Willem Jan Otten, ben ik van vele kanten benaderd om te reageren op dit boekje, dat in zekere mate tot mij gericht is, als `verachter der religie'.

Misschien doe ik het nog wel eens. Wat mij voor het moment weerhoudt is dat Otten kennelijk nooit beseft heeft dat mijn uitroep: Kom terug Willem Jan! niet voor honderd procent ernstig gemeend was, terwijl ik op mijn beurt grote moeite heb zijn bekering helemaal au sérieux te nemen. Een van de Mysteriën der Christelijke Religie, zo heb ik wel vaker vanuit mijn diepten geroepen, is het Mysterie van de Humorloosheid.

Een ander motief om nog wat bij de pakken neer te blijven zitten is dat de opgave mij zwaar valt. Gelukkig is veel van wat ik er zelf van vind al tot uitdrukking gekomen in de reacties van anderen, ik denk aan het artikel van Carl Friedman in Trouw van 15 januari en dat van H.M. Kuitert in deze krant van 18 februari dit jaar. Enkele uitspraken van deze laatste over de bekering van Willem Jan luidden bijvoorbeeld: ,,Hij [W.J.O.] kan zich geen eerlijke verliezers voorstellen, waarom moeten wij dan wel in een eerlijke vinder geloven?'' en: ,,Hoe kan een dichter met bundels als Paviljoenen en Augustuswind op zijn naam, zo'n soepverhaal maken van bekering, van religie, en van God en Jezus bij elkaar?'' Vooral het voorgaande citaat is mij uit het hart gegrepen, niet in de laatste plaats om de waardering van Ottens gedichten die er uit spreekt. Het riep, ik weet niet precies waarom, een herinnering bij mij op die ik nu zal proberen te beschrijven.

Begin vorig jaar bevond ik mij in Zuid-Afrika, met een geleerd gezelschap uitgenodigd om een gehoor van Zuid-Afrikaanse neerlandici te vertellen hoe er in het moederland over de moderne Nederlandse poëzie wordt gedacht.

Zoals ik wel vaker heb ervaren houden gezaghebbende critici er over poëzie soms wonderlijke voorkeuren op na; een van hen presenteerde bijvoorbeeld een beredeneerde `canon' van onze moderne dichtkunst waarin tot mijn verrassing Ida Gerhardt ontbrak. Ik nam mij voor om in mijn spreekbeurt iets te citeren van deze dichteres, die ik als een van onze grootste beschouw. Dat zal mij weinig moeite kosten, dacht ik: ik laat mij er namelijk wel eens op voorstaan dat ik, anders dan menige verklaarde poëzieminnaar, veel gedichten uit mijn hoofd ken.

Het bleek minder gemakkelijk dan ik dacht. Het gedicht dat ik wilde citeren was `De reiskameraad'. Het duurde wel even voor ik het gereconstrueerd had; gelukkig bleek er bij latere verificatie alleen maar een komma (na `draden') te ontbreken. De tekst staat hierbij afgedrukt. Ik beschouwde het altijd al als een van de mooiste gedichten die ik kende, maar nu, terwijl ik bezig was het voor te lezen, gebeurde er iets bijzonders; opeens drong tot me door waar dit gedicht in feite over gaat, wat er in beschreven wordt: het geloof in God. Het geloof gevonden als kind en daarna begrepen als beginsel. Het greep me hevig aan, ik moest me bedwingen om niet in snikken uit te barsten.

Let wel: ik bedoel absoluut niet dat ik weer tot het geloof terugkwam, of daar behoefte aan voelde; het was integendeel juist op die leeftijd dat ik ermee gebroken heb en dat ervaar ik nog steeds als een bevrijding. Maar gelovigen denken altijd weer dat het 't geloof is waar het in religieuze kunst om draait; dat misverstand is ook wat ze onontvankelijk maakt voor kunstuitingen afkomstig uit andere religies.

Het wonder van dit gedicht is niet het geloof, maar de reconstructie ervan – de heldere, nauwkeurige en op betekenis gerichte manier waarop dat gebeurt, speciaal in de tweede strofe. Het is (`onomkoopbaar, onverbiddelijk') een door en door protestants gedicht – in de historische betekenis, het zoeken naar de waarheid, het vertrouwen dat er een waarheid bestaat, de vaste burcht; dat is de emotie die ik herkende en die me aangreep.

In het tegenwoordige protestantisme speelt dat geen rol meer, alles gaat nu onder in tot niets verplichtend gewauwel, maar historisch correspondeert het met een manier van denken die in veel opzichten anders is (of was) dan die van de katholieken. Dat historische verschil protestants/katholiek is nog op allerlei manieren sterk aanwezig in Nederland, maar er wordt niet over gesproken; het is de onmiskenbare verklaring voor allerlei culturele verschillen, maar er rust een soort taboe op, het wordt niet bij naam genoemd.

Waar het vaak om gaat is dat het één voornamelijk verbaal is en het andere voornamelijk non-verbaal; jullie kerk is een bioscoop, zeiden in mijn jeugd de protestantse kinderen tegen de katholieke, en het verschil openbaart zich nog steeds in opvallend andere concepties van, en preoccupaties met, vorm en inhoud.

Wat tegenwoordige bekeerlingen in de roomse kerk zoeken is een soort New Age, en dat geldt ongetwijfeld ook voor Willem Jan Otten. ,,[Hij] maakt van godsdienst zoiets als het er op nahouden van merkwaardige gedachten over Jezus'', aldus Kuitert. Maar onlangs hoorde ik dat iemand, zelf ex-katholiek en niet de eerste de beste, sprekend over Otten, gezegd had dat diens streven in wezen protestants was, het was toch `zoeken naar de waarheid en dat doen echte katholieken niet'.

Als de erfenis van de vroegere oppositie protestants/katholiek openlijk mag worden genoemd, worden sommige Nederlandse aangelegenheden veel begrijpelijker. Een ongelofelijk staaltje is dan bijvoorbeeld de bespreking van Mulisch' boekenweekgeschenk, door Arnold Heumakers in het vorige Boekennummer (van 10 maart); er komt een passage in voor waarin het streven om iemand aan zijn uitspraken te houden omschreven wordt als `reductionistisch lezen' en het `degraderen van literatuur tot informatie'. Zoiets rooms had ik geen jaren meer gelezen. Lang leve Freek de Jonge, maar die is dan ook de zoon van een dominee.

Het verschrikkelijkste voor Otten, stel ik mij voor, zijn zijn medestanders. Dingen moeten lezen als: `..ja, Otten en ik, wij begrijpen elkaar wel..' in een artikel vol astrologie, door iemand als Désanne van Brederode (in Roodkoper feb/mrt 2000). Dat lijkt me nog heel wat erger dan: ,,Willem Jan, kom terug!'' want het is ook nog ernstig gemeend. En beschamende vertoningen moeten goedpraten als het recente Mea Culpa van de paus. Dat is nu werkelijk het Grote Apostolische Mysterie van de Humorloosheid, hoe het mogelijk is dat daarbij niet althans de ontwikkelden onder de gelovigen in een hulpeloos lachen uitbarsten is mij een raadsel.

Willem Jan Otten: Het wonder van de losse olifanten. Een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie (Van Oorschot, 1999)