Het raadsel van het schrijverschap

Het lijkt wel alsof ze het hebben afgesproken, Harry Mulisch, Hugo Claus en Remco Campert. Ter gelegenheid van de boekenweek schreven ze, wat thematiek betreft, sterk overeenkomstige verhalen. De gerenommeerde generatiegenoten hebben het alle drie over de relatie tussen fictie en werkelijkheid – en schrijven dus over het schrijverschap zelf.

In het officiële boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid (besproken in Boeken van vorige week) analyseert Harry Mulisch de droom, aan de hand van een acteur die zijn dromen omzet in daden en daarmee ophoudt kunstenaar te zijn. Droom is ook het meest prominente woord in – de titel zegt het al – Als in een droom van Remco Campert, een mooie, suggestieve vertelling die De Bezige Bij woensdag bij het begin van de Boekenweek presenteerde.

Campert schrijft over een toneelgezelschap waar de vriendin van hoofdpersoon Simon deel van uitmaakt. De groep besluit solidariteit te betuigen met de bevolking van een land in burgeroorlog en reist af naar een belegerde stad, waarbij de lezer denkt aan Sarajevo. Simon, een op Campert lijkende schrijver, vindt dit `een vorm van liefdadigheid gecombineerd met hoogmoedswaanzin'. Zijn vriendin verwijt hem op haar beurt dat hij `slappe, zogenaamd humoristische romannetjes schrijft waar niemand op zit te wachten.' Simon vervalt vervolgens in machteloos gemijmer over de functie van taal, poëzie, dromen. De mens wordt volgens hem al vroeg van zijn dromen afgescheiden en leidt daarna een geamputeerd leven.

Waar Simon het meest onder lijdt, is zijn onmogelijke, overspelige liefde voor Lana, een droombeeld, dat bij daglicht niet houdbaar blijkt. `Een droom toont zich maar één keer helder en vanzelfsprekend: terwijl hij gedroomd wordt. Nadien ga je hem verzinnen en verandert hij in een verhaal of een gedicht', bedenkt Camperts alter ego, en het lijkt of we Mulisch' alter ego Felix horen die in Het theater, de brief en de waarheid bijna leterlijk dezelfde tekst uitspreekt: dat wie een droom navertelt, iets anders vertelt dan wat je droomt, maar wat?

Campert vermijdt bewust elke zweem van humor als hij schrijft over het (on)vermogen van de taal. `Bouwvallen' noemt hij zijn eigen schrijfsels, gedroom van een buiten de werkelijkheid staande zonderling, `dat verijlt naast de stralende werkelijkheid van de verliefdheid.' Elders heeft hij het over `de barricade van de taal' en beschrijft hij hoe `het lichaam spiedt terwijl de geest ergens in een hoekje woorden stottert, bezig het zinloze te bezweren in plaats van het te aanvaarden.'

Simon lijkt in veel opzichten op Luc, de held uit Hugo Claus' novelle Een slaapwandeling, die hij ter gelegenheid van de boekenweek schreef voor De Bijenkorf. Niet alleen verwijst Campert in zijn `vertelling' een paar keer naar Claus' toneelstukken, Claus' protagonist is net als Simon verliefd op een Euridice-achtige vrouw (Laura), die hij niet genoeg begeert om haar blijvend te `bezitten'. `Lichamelijk stelt onze liefde weinig voor', zegt Simon over Lana. `Als ik aan haar dacht toen ze nog onbereikbaar was deed ik dat zonder begeerte, zonder het verlangen om met haar in bed te belanden.' (Campert). In Een slaapwandeling mijmert Luc dat `alleen willen weinig is, dat je om iets te bereiken moet begeren.' (Claus) Hij wil Laura, maar begeert haar niet.

Ook Luc stuit op de barricade van de taal. Als hij Laura, zijn grote liefde, na jaren terugziet, herkent hij haar niet. Maar dat is niet het enige: hij kan niet horen wat zij zegt, noch kan hij zich verstaanbaar maken. `De bewegingen van het lichaam (zijn) zichtbaar en die van de geest onzichtbaar verborgen.' Denkend aan Laura verhaspelt hij als een hedendaagse Petrarca de woorden tot poëzie. `Ik heb je niet bekend', stamelt hij als hij herkend bedoelt en hij heeft last van luizelingen, duisterlingen en duister zingen in plaats van duizelingen.

Explicieter dan Campert refereert Claus in zijn novelle aan de mythe van Orpheus die zijn geliefde Euridice uit de Hades wil redden. Tijdens een droom daalt de antiekhandelaar Luc, getrouwd met de overspelige Agnes, af in de onderwereld van Brugge, waar kunstvervalsers zich met notabelen overgeven aan seksorgieën. Tijdens deze slaapwandeling, onder invloed van een tabletje valium, lopen fictie (in de vorm van film, theater en literatuur) en al dan niet gedroomde werkelijkheid voortdurend door elkaar. Zo herinnert Luc zich zijn eerste ontmoeting met Laura in de metro in Parijs, waar zij zich gezamenlijk bewogen `door de holle gang in de holte van de aarde'. Zij wilde hem, hij wilde haar niet genoeg. Dus kijkt hij op een fataal moment om en raakt haar kwijt. Een dergelijke situatie herhaalt zich enkele malen.

Wanneer Luc ontwaakt, nadat Laura in een taxi uit zijn droom is verdwenen, blijkt hij zich in zijn eigen garage te bevinden, een paar meter verwijderd van zijn `verlicht huis', waar hij zich een paar uur eerder te ruste legde. Toch is hij ver weg geweest. Zo ver, dat zijn vrouw zegt: `Ik dacht dat je dood was'.

Of Claus van de Bijenkorf opdracht heeft gekregen zich in zijn novelle te houden aan het motto van de boekenweek, `Lectori Salutem. Verhalen uit de klassieke oudheid', weet ik niet. Mulisch heeft er zich in Het theater, de brief en de waarheid weinig aan gelegen laten liggen, al strooit hij hier en daar wel met verwijzingen naar de orakelende Pythia in Delphi en naar Apollo, god van de dichtkunst en dus de sleutel tot het wereldraadsel.

Orakeltaal, het spreken in raadsels die de werkelijkheid beter benaderen dan keurig in het gelid staande woorden, is de `kwaal' waar Claus' hoofdpersoon aan lijdt. Apollo schiet hem niet te hulp al is er wel een klein rolletje voor deze god weggelegd. Midden in de onderwereld, in Lucs droom een `maniakale kopie van het Witte Huis', wil hij aan vier dronken voyeurs zijn verhaal uit de bovenwereld kwijt. Hij probeert te spreken over Hector, de minnaar van zijn vrouw. Een van zijn toehoorders kent Hector als `de edelste van de Grieken' en vertelt dat zijn kadaver rond de wallen van Troje werd gesleept tot Apollo er tussenkwam en hem `vrijwaarde voor bederf'.

Luc spreekt de dronkaard niet tegen, legt niet uit dat Hector de leider was van de Trojanen die door de Griekse held Achilles werd gedood en verminkt (hij sneed zijn hielpezen door). Wat de bedoeling is van deze omkering van de mythe is mij niet duidelijk.

Fictie, mythe, droom, werkelijkheid: Luc noch Simon ontwart het raadsel van het schrijverschap al komt Luc in de buurt met zijn constatering `dat wij overgeleverd zijn aan taal en aan toeval en dat dit herkennen het enige is dat ons rest.' Zo is het, zonder woorden zijn we nergens. `Ik verstik mezelf in zwijgen. Ik kan geen woord vinden. Ik word een steen', om met Camperts Simon te spreken.

Er is – met alle overeenkomsten – één belangrijk verschil tussen de intrigerende boekenweek-verhalen van Claus en Campert. Een slaapwandeling zit vol actie, sfeerbeelden en verwijzingen, terwijl de verstilde Campert, die zijn hoofdpersoon laat zeggen dat hij als schrijver `geen drama' heeft, meer bespiegelt dan beschrijft. Om in de sfeer van het boekenweekthema te blijven: Claus is de man van het epos, Campert lijkt op een hellenistische dichter, subtiel, poëticaal, de liefde als onderwerp combinerend met zelfreflectie over het schrijverschap.

Hugo Claus: Een slaapwandeling. De Bijenkorf, 75 blz. (Alleen in de Bijenkorf verkrijgbaar) ƒ15,-

Remco Campert: Als in een droom. Een vertelling.

De Bezige Bij, 69 blz. ƒ25,-