Het klassieke kopjes geven

Katten zijn de redders der mensheid. Zonder hun stille, heroïsche strijd tegen het knaagdier hadden we het jaar 2000 nooit gehaald. Voor wie hier meewarig glimlacht, wat harde cijfers. Een gemiddelde rat eet jaarlijks 41 kilo, maar vernielt er 412, knagend tegen de klippen op, omdat zijn razendsnel groeiende snijtanden anders zijn hersens binnen zouden groeien. Nog steeds wordt twintig procent van de menselijke voedselvoorraad door knaagdieren vernield. Een kat die van de jacht leeft, doodt jaarlijks 1100 knaagdieren. Uitgaande van 500 ratten, betekent dat de redding van 226 ton voedsel; nog afgezien van de mensenlevens. Het aantal doden door builenpest, tyfus en andere ziekten die door knaagdieren worden overgedragen, wordt inmiddels geschat op een miljard. Maar waar zaten die reddende katten dan, zal de scepticus vragen. Waarom grepen ze niet beter in?

Donald Engels geeft in zijn voortreffelijke, breed opgezette studie uitvoerig antwoord op die vraag. Maar hij doet nog veel meer. Classical Cats. The Rise and fall of the sacred cat is een adembenemend relaas over het nu al vier millennia durende verbond tussen kat en mens. Een verhaal over volksgezondheid en hygiëne, cultuur, religie en politiek, godinnen, vruchtbaarheidsrituelen – katten worden van oudsher geassocieerd met vruchtbaarheid – en de Werdegang van de vrouw, die nauw met die van de kat verbonden is. Het is, kortom, onze eigen Westerse geschiedenis, bezien vanuit een verrassende hoek, waarin de kat eindelijk de plaats krijgt die haar toekomt.

Engels' bronnenonderzoek concentreert zich op het millennium tussen ca 600 voor Christus – toen de kat zich in Griekenland vestigde – tot ca 400 na Christus – toen zij al vaste poot had in heel Europa. Tot dusver was deze periode een ontbrekende schakel in de serieuze studies over katten. Over de Egyptische heilige katten is al wel veel geschreven; onlangs nog het prachtige The cat in ancient Egypt van Jaromir Malek (1993). Donald Engels put er rijkelijk uit voor zijn inleidende hoofdstuk over Egypte – onontbeerlijk, want de Egyptische kattengodin Bastet blijkt een grote rol te hebben gespeeld in de Westerse godsdienstgeschiedenis. Engels legt een direct verband tussen deze vruchtbaarheidsgodin in kattengedaante, de Griekse godin Artemis en haar Romeinse pendant Diana – eveneens vruchtbaarheidsgodinnen met katten aan hun zijde – en de latere Grieks-Egyptische godin Isis, die tot ver in de Middeleeuwen in heel Europa populair was. Het beeld van Diana/Artemis uit de Villa Albani in Rome met haar vele borsten en heilige dieren (ook met borsten) op haar kleed spreekt boekdelen. We herkennen de kattenkoppen van Bastet, en zien op haar hoofd de vuurtoren, een attribuut van Isis. De talloze teksten, inscripties en munten die Engels heeft weten te traceren zijn een bron van genot voor elke kattenliefhebber, maar ook voor elke historicus. De lijst met recente archeologische vondsten bijvoorbeeld verwijst naar de kattenresten in Pompei. Ze werden begraven in een tuin, wat wijst op hun status van gewaardeerd huisdier. Hechtten de Romeinen weliswaar meer aan de hond als gezelschap, de grafstenen van hun vrouwen spreken een andere taal. Hun graven dragen niet zelden de koosnaam `katje', en de beeltenis van een kat. Ook taferelen van kinderen met hun lievelingskat wijzen op een grote vertrouwdheid met het dier.

Het knaagdierverhaal is niet los te denken van allerlei andere aspecten. Het verband tussen ziekten en knaagdieren was voor de Grieken en Romeinen zonneklaar. Volksgezondheid, persoonlijke en publieke hygiëne, waren van primair belang in de Oudheid. Wat gezond en goed was voor de mens, moest wel een goddelijk gebod zijn. Ziektes werden toegeschreven aan menselijke onwetendheid of slordigheid. Met hun huizen van steen, hun aquaducten, badhuizen, geplaveide straten en riolen bleef het knaagdierenprobleem voor de aanwezige katten te behappen. De pest kreeg tijdens de Pax Romana dan ook geen kans, hoewel de zwarte rat in de eerste eeuw na Christus wel degelijk zijn intree deed in het Romeinse Rijk. Niet voor niets zullen de katten met de Romeinse legioenen naar het barbaarse noorden zijn gekomen – waar ze alweer een vruchtbaarheidsgodin ontmoetten die hen in de armen sloot: de Viking-godin Freya, die zich in haar wagen door katten voort placht te laten trekken.

In de Middeleeuwen werden ketters beschuldigd van duivelse praktijken, waarbij de aanbidding van een zwarte kater tot het vaste repertoire behoorde. Van de weeromstuit raakten ook de bij beschaafde civilisaties behorende reinheidsrituelen en hygiënische maatregelen taboe; vuil, stank en armoe werden zelfs tekenen van vroomheid. In plaats van moederschap en vruchtbaarheid propageerden de kerkvaders kloosters en celibaat.

Onder keizer Justinianus brak een verschrikkelijke pestepidemie uit (540-47). In de vervuilde steden konden katten de explosies van rattenpopulaties niet meer aan. De epidemie luwde pas toen alle ratten zelf aan de ziekte waren bezweken. De overlevende katten kregen stank voor dank. Onder de Inquisitie werden ook katten massaal het slachtoffer. Paus Gregorius IX bestempelde de zwarte kat in 1233 expliciet tot een incarnatie van Satan. Een appendix in Engels' boek geeft de vertaalde tekst van deze Vox in Rama – een buitengewoon goor document. Paus Innocentius VIII excommuniceerde vervolgens alle katten. Het groene licht voor de grote kattenslachting was gegeven. Die duurde tot in de zeventiende eeuw; miljoenen katten en honderdduizenden `heksen', werden meedogenloos vervolgd en verbrand.

Zo kon de Zwarte Dood tussen 1346 en 1351 alleen al in Europa twintig miljoen slachtoffers maken: een derde tot de helft van de bevolking. Bovendien werd de kattenvervolging nog verhevigd: de overlevende dieren werden gezien als de veroorzakers van de pest, in plaats van als het enige wapen ertegen. Tijdens de pestepidemie in Londen in 1665-66 werden er nog eens 200.000 verbrand. Dat katten als soort dit alles nog overleefd hebben, mag een wonder heten. Pas met de ontdekking door Pasteur van de pestbacil in 1898, werd de drager van de pest ontmaskerd. Wat in de Oudheid iedereen allang duidelijk was, werd nu. anderhalf millennium daarna, wetenschappelijk bewezen.

Donald Engels: Classical Cats.

The rise and fall of the sacred cat. Routledge, 227 blz. ƒ99,-