Halfgod en onmens

Moordenaar, drinkebroer, ijdeltuit, wereldvorst – de Macedonische veroveraar Alexander de Grote spreekt al vanaf de Oudheid tot de verbeelding. In twee recent vertaalde klassieken, een serieus geschiedwerk en een avonturenverhaal, zien we het bouwmateriaal van de Alexandermythe; een moderne Italiaanse roman probeert daar een steentje aan bij te dragen.

Kort voordat Alexander van Macedonië, nog niet bijgenaamd `de Grote', in 334 voor Christus tegen de Perzen optrok, werd hij opgeschrikt door het bericht dat in het oosten van zijn rijk een beeld van de mythische dichter Orpheus `onafgebroken zweette'. Een onheilspellend voorteken, maar volgens de geschiedschrijver Arrianus werd de jonge koning door een ziener gerustgesteld. `Want het betekende dat de dichters en zangers van epen en lyrische poëzie veel werk zouden hebben met dichten en zingen over Alexander en zijn daden.'

De ziener verstond zijn vak. Over geen figuur uit de oude geschiedenis Jezus van Nazareth uitgezonderd is zoveel geschreven als over Alexander. Al meteen na de dood van de veroveraar, op 32-jarige leeftijd in Babylon, werden zijn tochten naar Arabië, India en de westelijke Himalaja vereeuwigd door verschillende van zijn generaals. Hun (inmiddels verloren gegane) reisverslagen werden niet alleen gebruikt door min of meer serieuze historici als Arrianus van Nicomedia en Diodorus van Sicilië, maar ook door vrolijke fantasten die de uitzinnigste dingen aan hem toeschreven. De `Alexandermythe' die zo ontstond, werd de bron voor honderden middeleeuwse verhalen, waarin de ondernemende Griek afwisselend ten tonele werd gevoerd als sprookjesfiguur, ontdekkingsreiziger en eigentijdse riddervorst. In Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië, IJsland, Tsjechië en de Nederlanden (Jacob van Maerlant!) werd Alexander een literair personage, terwijl zijn wonderbaarlijke reizen een inspiratiebron waren voor onder meer Chaucer, Dante, Boccaccio en de tiende-eeuwse Perzische schrijver Firdausi.

Verwonderlijk is dat niet, want zelfs zonder romantisering was de anderhalve meter lange Alexander een grootheid zonder weerga. Als zoon van de vermoorde Philippus II, de Macedonische bedwinger van Griekenland, werd hij in 336 koning vóór zijn twintigste. Twee jaar later rustte hij een expeditie van 35.000 man uit tegen de Griekse erfvijand Perzië, die hij in drie veldslagen op de knieën dwong. In de acht jaar die hem daarna gegeven waren, veroverde hij het oostelijk deel van de toenmalig bekende wereld, en bracht hij door het stichten van nieuwe steden en het propageren van gemengde huwelijken een versmelting van culturen tot stand die pas geëvenaard zou worden door de kapitalistische globalisering na de Tweede Wereldoorlog. De door Alexander met harde hand doorgevoerde multiculturele samenleving zou de klassieke wereld zo grondig veranderen dat latere historici er een nieuwe aanduiding voor moesten verzinnen: het Hellenisme.

En dan was er de privé-persoon, de tragische held. Alexander was de leergierige pupil van de filosoof Aristoteles die niets liever wilde dan weten hoe de grenzen van de wereld eruit zagen, en die gaandeweg Aziaat met de Aziaten werd. Hij was de charismatische legeraanvoerder die in de voorste gelederen meevocht met zijn mannen, en vriendschap en hoffelijkheid boven alles stelde. Maar hij was ook een onverbeterlijke dronkelap, die in blinde drift of nietsontziende achterdocht zijn beste vrienden vermoordde; een on-Griekse tiran die zijn manschappen de dood injoeg en zijn naasten vernederde; en een hoogmoedige streber die alles en iedereen ondergeschikt maakte aan zijn wil om de wereld te onderwerpen – om uiteindelijk op het toppunt van zijn roem te sterven. Hij was een halfgod én een onmens.

Alexanders zucht naar nieuwe uitdagingen en het verkennen van onbekende streken – zijn pothos, zoals de Grieken het noemden – is het steeds terugkerende thema van de belangrijkste bron die over Alexanders leven bestaat: Arrianus' Anabasis (`Tocht naar het binnenland'), die nu voor het eerst integraal in het Nederlands is vertaald onder de titel Alexander de Grote Het verhaal van zijn verovering. De in het Grieks schrijvende Lucius Flavius Arrianus (ca 95-175 nC) was een echte fan van Alexander. Niet omdat de Macedonische veroveraar het toonbeeld van een stoïcijnse wijsgeer was – Arrianus had een naam op te houden als de man die de college-aantekeningen van de stoïcijn Epictetus in boekvorm had uitgegeven – maar omdat hij `niemand anders' kende `die in zijn eentje zoveel zo belangrijke daden heeft verricht'. In een kort terzijde in het eerste deel van zijn geschiedwerk meldt Arrianus dat hij voor zijn idool wil zijn wat Homerus voor Alexanders vermeende voorvader Achilles was geweest. En, voegt hij er met typerende antieke onbescheidenheid aan toe: `zoals Alexander een eerste plaats innam onder de veldheren, [zo] maak ik ook aanspraak op een eerste plaats in de Griekse literatuur.'

Die eerste plaats is wishful bragging, de rechttoe-rechtaan schrijvende bestuurder uit Bithynië (Klein-Azië) mag blij zijn als hij tot de top 40 wordt gerekend. Op basis van de rapporten van Alexanders adjudanten vertelt Arrianus een in zijn bloedigheid eentonig verhaal, over belegerde steden, uitgemoorde dorpen, dagenlange veldslagen, zware ontberingen en angstaanjagende verschrikkingen. Maar gelukkig beperkt hij zich niet tot Alexanders manoeuvres bij de veldslagen aan de Granicus (334), bij Issus (`Drei-drei-drei/Issos Keilerei' leerden Duitse kinderen op school) en bij Gaugamela (331). Arrianus is serieus geïnteresseerd in de geo- en etnografie van verre landen (dat waren er heel wat, op Alexanders expeditie), en hij heeft een goed oog voor de drama's van de geschiedenis. Een van de hoogtepunten van de Anabasis is de korte necrologie die Arrianus wijdt aan de verslagen Perzenkoning Darius, eens de machtigste man op aarde, maar na een leven vol rampen `een vluchteling in zijn eigen rijk [...] door zijn eigen hovelingen prijsgegeven aan de grootste ellende, eerloos rondgesleept en ten langen leste verraderlijk vermoord door degenen die hem het naast stonden.'

Arrianus wilde een serieus geschiedschrijver zijn, maar als ware fan kon hij de romantiek niet weerstaan die zijn held vijf eeuwen na dato omgaf. De Anabasis begint bij de dood van Philippus, en gaat dus niet in op de jeugd van Alexander; maar verder zijn alle bouwstenen van de Alexandermythe erin terug te vinden. Om te beginnen de Gordiaanse knoop, waarover Arrianus wél met zekerheid weet te vertellen dat die was gemaakt van de bast van de kornoeljeboom, maar niet of Alexander hem met zijn zwaard loshakte. Dan de ontmoeting met de hondse filosoof Diogenes (`Diogenes zei dat hij niets nodig had, maar dat hij hem en zijn gezelschap verzocht uit zijn zon te gaan'). De tocht door de woestijn van Zuid-India natuurlijk, toen Alexander een aan hem geschonken helm met water leeggoot omdat hij een voorkeursbehandeling weigerde. En ook beroemd: Alexanders ontmoeting met de onverschrokken Galliërs/Kelten uit het Westen, die hem vertelden alleen maar bang te zijn dat de hemel op hun hoofd zou vallen – een uitspraak die we tegenwoordig kennen als een van de running gags in de Asterix-strips van Uderzo en Goscinny.

Aan deze laatste anekdote voegt Arrianus toe dat Alexander zei: `Wat een branieschoppers zijn die Kelten.' Het is een van de vele laconieke zinnetjes die de Anabasis ondanks het eindeloze geschermutsel zeer leesbaar maken. En ook al is Alexander bij Arrianus eerder een wijs vorst dan een kleurrijke drinkebroer-moordenaar, hij heeft één schaduwzijde die zijn grootste bewonderaar niet kan verbloemen, en die de Anabasis spanning te over geeft: nietsontziende hoogmoed. Alexander voelt zich een halfgod, `overtuigd dat hij overal moest kunnen komen en alles moest kunnen veroveren'; hij is een aardje naar zijn voorvaartje Heracles, even driftig en met een vergelijkbaar gebrek aan zelfbeheersing.

Arrianus wilde de historische Alexander voor het nageslacht redden. In het laatste deel van de Anabasis zegt hij het onomwonden: `De legende heeft die verhalen van de eerste leugenaars opgepikt en bewaart ze tot in onze tijd, en zal die leugens ook generatie na generatie aan anderen blijven doorgeven, als er door mijn boek geen einde aan wordt gemaakt.' Dat hij deels heeft gefaald, komt doordat de leugens waar hij op doelde zo aantrekkelijk waren opgeschreven, in een anoniem Grieks werk dat naar alle waarschijnlijkheid niet zo lang na de dood van Alexander in het door hem gestichte Alexandrië was ontstaan. De Alexanderroman, die door Patrick De Rynck onder de titel Avonturen van Alexander de Grote nu voor het eerst in het Nederlands is vertaald, was op de Bijbel na het meest gelezen verhaal tot ver in de Middeleeuwen. `De Hollywoodversie van het leven van Alexander' is het wel genoemd, maar het in verschillende versies overgeleverde manuscript is meer een kruising tussen een oosters sprookje en een negentiende-eeuwse avonturenroman.

In De Alexanderroman is de hoofdpersoon niet de zoon van Philippus II, maar van de gevluchte Egyptische koning-tovenaar Nectanebo, die aan het Macedonische hof koningin Olympias verleidt in de gedaante van de god Ammon. Al in zijn jeugd laat Alexander zien dat hij eigenlijk niet van deze wereld is, door het mensenetende paard Boukephalus te temmen en op zijn vijftiende bij de Olympische Spelen de wagenrennen te winnen. In zijn campagnes tegen de Perzen betoont hij zich in de eerste plaats een volksheld, die grossiert in krijgslisten en kans ziet om in vermomming bij al zijn vijanden aan tafel te gaan. Op zijn ontdekkingsreizen komt hij niet alleen in aanraking met Indiërs en olifanten, maar ook met Appeleters, kannibalen, wonderoliebomen, steden met muren van saffier, driekoppige slangen, Aapmensen, Hondskoppen, et cetera. En passant doet hij als een personage van Jules Verne onderzoek op de zeebodem in een primitieve duikersklok, en maakt hij een reis naar de hemel in een mandje dat omhoog wordt getrokken door uitgehongerde reuzenvogels die een stuk vlees voorgehouden krijgen.

`Elk verhaal dat geloofwaardig is kan zijn toehoorders overbluffen', merkt de schrijver van De Alexanderroman ergens op. Maar zelf geeft hij geloofwaardigheid geen prioriteit. De historische Alexander is niet meer dan een kapstok voor een aaneenschakeling van sterke verhalen, `brieven' met wonderlijke avonturen (voorbeelden van een traditie die in later eeuwen onder meer zou resulteren in Gullivers reizen), en verwijzingen naar de klassieke Griekse literatuur. Als Alexander een brief van de Amazonen over hun staatsvorm krijgt, leest die als een parodie op de beroemde lijkrede van Pericles uit Thucydides' geschiedenis van de Peloponnesische Oorlogen. Als hij in Phrygië een dichter achter zich aankrijgt (`wij zullen over uw dagen schrijven, beter dan Homerus'), dan reageert hij met een variatie op beroemde woorden van Achilles in de Odyssee: `Ik was nog liever [de ordinaire schreeuwer] Thersites bij Homerus dan Agamemnon bij jou.'

Het verhoogt allemaal de levendigheid van De Alexanderroman, die inderdaad wel iets wegheeft van een spektakelfilm. Alexanders wagenrace bij de Olympische Spelen had de blauwdruk kunnen zijn van de beroemde scène uit Ben-Hur, terwijl een woedeuitbarsting van Philippus tijdens een bruiloftsmaal een slapstick avant la lettre is. En Alexander is een held zoals er maar weinig zijn; hij heeft zelfs één blauw en één bruin oog, net als David Bowie.

In De tweede man, de onlangs besproken roman van Doeschka Meijsing, overweegt de hoofdpersoon een boek over Alexander en zijn boezemvriend Hephaistion; maar, zo concludeert hij al gauw: `De wereld had zoveel over Alexander de Grote geschreven dat er geen beginnen aan was.' Dat geldt niet alleen in de literatuur (waar in de afgelopen eeuw onder meer Couperus, Klaus Mann en Mary Renault een boek aan Alexander wijdden), maar ook in de wetenschap. Sinds de Duitser J.G.Droysen in 1833 Alexander eerde als de verbreider van de superieure Griekse geest in het Oosten, zijn historici heen en weer geslingerd tussen bewondering en verkettering. Vóór de Tweede Wereldoorlog werd Alexander al afgeschilderd als een paranoïde psychopaat met een drankprobleem; onder invloed van de erfenis van het nazisme en de dekolonisatie, die het denken over rassenpolitiek en kolonisatie veranderden, verwerd hij zelfs bij sommigen tot een hitleriaanse tiran.

Maar de fascinatie voor de meedogenloze held is gebleven. Alexander werd als heldhaftige avonturier gerehabiliteerd door de Engelse historicus Robin Lane Fox (Alexander the Great, 1973), en sinds het eind van de jaren negentig viert de Italiaanse archeoloog-romancier Valerio Massimo Manfredi triomfen met een trilogie over Alexander de Grote. Het door Zuid-Europese critici geprezen drieluik, waarvan al meer dan een half miljoen exemplaren zijn verkocht, wordt nu in hoog tempo in het Nederlands vertaald, te beginnen met De Zoon van de Droom, dat twee weken geleden bij Luijtingh-Sijthoff uitkwam.

De Zoon van de Droom vertelt het leven van Alexander vanaf zijn conceptie tot het moment dat hij vanaf een oorlogsschip de kust van Azië in zicht krijgt. Het is een opmerkelijk ouderwetse historische roman, geschreven in korte alinea's en in een jongensboekig proza, dat in de vertaling extra ontsierd wordt door populair idioom als `sorry', `bloedmooi' en `zo rood als een biet'. Zoals als gesuggereerd wordt door de titel, schuwt Manfredi de kitsch en het sentiment niet: tranen vloeien rijkelijk over bleke wangen, honden zijn trouwer dan je beste vrienden, en niemand, niemand, kan de tand des tijds doorstaan.

Ten minste zo erg is het gebrek aan inhoudelijke visie dat Manfredi in zijn roman tentoonspreidt. Meer dan driehonderd bladzijden kroonprins Alexander, dan wil je toch iets bijzonders lezen, en niet alleen een brave hervertelling van alle bronnen die er over Alexanders leven bekend zijn. In zijn superieure historische roman Ik Claudius werkte Robert Graves op overtuigende wijze de stelling uit dat de hinkende en stotterende hoofdpersoon een van de verstandigste heersers was die het Romeinse rijk ooit heeft gehad. In De memoires van Hadrianus leefde Marguerite Yourcenar zich in in de passies van een ogenschijnlijk saaie keizer, die daarna zelfs voor serieuze historici nooit meer dezelfde zou zijn. En in Iskander, net als De Zoon van de Droom een herschrijving van het Alexander-verhaal, legde Couperus een van zijn favoriete thema's aan het basismateriaal op: de teloorgang van een westerling in het grote, onbegrijpelijke Oosten.

Anders dan deze gelauwerde historische-romanciers toont Manfredi een onvaste hand bij het schetsen van het karakter van zijn hoofdpersoon. Alexander is nu eens een typische westernheld, die op zijn paard en samen met zijn vrienden avonturen beleeft in het Wilde Noorden, en dan weer een soort centaur, die een Griekse inborst combineert met een barbaars temperament. Wat hem overkomt, kan de lezer eigenlijk niet schelen; de enige sympathie gaat uit naar zijn vader Philippus, die met zijn opvliegende karakter en zijn gespierde taalgebruik (`tien zilveren talenten tegen een hondendrol dat je het al weet') tenminste nog een beetje een personage van vlees en bloed is. Philippus' dood laat het boek nog verweesder achter dan het al was.

`Helden worden door dichters gecreëerd, en niet andersom', zegt een van de personages in De Zoon van de Droom als Alexander hem vraagt of `er nu een man zou kunnen bestaan die in staat zou zijn daden te verrichten die een grote dichter als Homerus zouden kunnen inspireren.' De spreker heeft gelijk. Nog meer dan een product van zijn eigen daden is Alexander de creatie van een geschiedschrijver als Arrianus of een fantast als de schrijver van De Alexanderroman. Manfredi heeft daar niets aan toe te voegen; zelfs de grootste held uit de geschiedenis heeft van hem geen dichter kunnen maken.

Ter gelegenheid van de Boekenweek is van de vertaling van de Alexander-biografie van Robin Lane Fox (1993) een herdruk verschenen bij

De Arbeiderspers, 603 blz. ƒ39,90

Avonturen van Alexander de Grote. De Alexanderroman. Uit het Grieks vertaald door Patrick De Rynck. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 307 blz. ƒ57,50 (geb.)

Lucius Flavius Arrianus: Alexander de Grote. Het verhaal van zijn verovering van het Perzische Rijk. Uit het Grieks vertaald door Simone Mooij-Valk. Ambo Klassiek, 446 blz. tot 15 april ƒ64,90, daarna ƒ89,50 (geb.)

Valerio Massimo Manfredi: Alexander de Grote, de Zoon van de Droom. Uit het Italiaans vertaald door Giulia Sileci. Luitingh-Sijthoff, 351 blz. ƒ34,90 (geb.)