Gortdroog rapport met pijnlijke bijlage voor Peper

De Rotterdamse commissie die het declaratiegedrag van onder anderen A. Peper onderzocht, pleit voor een integere overheid maar laat oordelen over de integriteit van de onderzochte personen achterwege. De pijn voor Peper zit in de bijlage.

Nu is dan toch duidelijk geworden waarom minister A. Peper (Binnenlandse Zaken) afgelopen maandag vertrok. Het rapport van de Rotterdamse raadscommissie die zijn declaraties onderzocht - en van de 23 wethouders in de periode 1986-1999 - moet precies gelezen worden. Het stuk is allerminst een thriller, eerder een ambtelijk opstel. De pijn voor Peper zit in de bijlage. De opsomming daarin van niet of nauwelijks verantwoorde reizen met een privé-karakter is zo lang, en gaat over zoveel geld, dat het voor Peper hoe dan ook een zware kluif zou zijn geworden een geloofwaardige verdediging te voeren.

De Rotterdamse onderzoekscommissie heeft de recentelijk veel aangehaalde rede uit 1992 van wijlen minister I. Dales (Binnenlandse Zaken) over de integriteit bij de overheid in herinnering geroepen, dit om een moreel kader te schetsen. ,,Van politici wordt een hoge moraal, hoge zuiverheid gevraagd. Men moet zich permanent bewust zijn van de eisen die de bestuurlijke zuiverheid stelt, bij voorbeeld bij het (-) declaratiegedrag.''

De commissie spreekt zich zelden uit over de vraag of die hoge moraal uit de feiten blijkt. Het eerste deel van het rapport is een gortdroge opsomming van bevindingen die bij de lezer gemakkelijk bevreemding kan opwekken. Niemand wordt met naam genoemd, geen enkele functionaris krijgt er specifiek van langs, bedragen blijven achterwege. Het stuk beperkt zich tot algemene waarnemingen inzake onzorgvuldige, slordige, niet-functionele of onrechtmatige uitgaven. Een alarmerend gevoel kan er niet aan worden ontleend. Bij de meeste onderzochte bestuurders is niet al te veel gevonden, wordt vastgesteld, en bovendien was er in het algemeen een behoorlijke declaratiemoraal.

Zou het dan toch zo zijn - zoals Peper de laatste maanden liet blijken - dat in de media en door Rotterdamse politici veel te hard op de trom is geslagen terwijl uit de feiten nauwelijks wrongdoing blijkt? Het is maar hoe men het bekijkt. De commissie maakt duidelijk waarom in haar rapport zo terughoudend over individuele (oud-)bestuurders wordt geoordeeld. Dat was haar taak niet. Haar taak was een algemeen beeld te geven van de declaratiemoraal teneinde een al jaren aanhoudende geruchtvorming te dempen. En haar taak was niet, zo wordt door de commissie nadrukkelijk meegewogen, individuele bestuurders aan een hoge boom te hangen.

Het lijkt tweeslachtig. Want om dat oordeel te vellen was het niettemin noodzakelijk alle individuele declaraties te onderzoeken. Daarvoor zijn de forensische accountants van KPMG ingeschakeld, en de reflectie van hun onderzoek is in de bijlage terug te vinden: daar wordt het menens. Want dan blijkt uitputtend dat er, in ieder geval inzake Peper, ten minste van een ruim declaratiegedrag mag worden gesproken waarop de `hoge moraal' van Dales op geen stukken na van toepassing was.

Veelvuldig reisden partners (meestal echtgenote N. Kroes) en familieleden mee zonder dat KPMG hiervoor een functionele aanleiding kon aanmerken. Het ging derhalve niet zelden om reizen - naar Oslo, naar Thailand en Sydney, naar Baltimore, naar Keulen, naar Indonesië - met een voornamelijk privé-karakter. En niet om goedkope reizen. Eén voorbeeld: een reis naar Japan kostte aan tickets en verblijf ruim 71.000 gulden, afzonderlijke travellers cheques van 7.800 gulden werden ter beschikking gesteld, Peper zelf gaf ruim 14.000 gulden uit op zijn gemeentelijke creditcard - maar niettemin heeft KPMG ,,de functionaliteit van de reis'' niet kunnen ,,duiden''. Dat betekent: nergens is terug te vinden dat het college van burgemeester en wethouders tot de reis besluiten, en niet valt vast te stellen of de reis ook zin heeft gehad.

KPMG baseert zich op een reeks van dit soort voorbeelden voor de conclusies dat Pepers reizen in een aantal gevallen ,,een privé-karakter'' hadden; dat ,,in een groot aantal gevallen'' de ,,functionaliteit van het meereizen van de partner'' niet is aan te geven; dat voor uitgaven op dergelijke reizen via gemeentelijke creditcards nooit onderliggende bescheiden zijn terug te vinden.

Daar blijft het voor Peper niet bij. Ook gebruikte hij twee aparte fondsen - het `B en W-potje' en het `Burgemeestersfonds' - voor betalingen te zijner gerieve die buiten de vooral charitatieve doelstellingen van de fondsen vielen. En dan zijn er nog talloze kleine gevalletjes (de huur van een helikopter, een lunch op een PvdA-conferentie met dertien mensen, de aanschaf van snacks op zijn 50ste verjaardag) waarvan het belang voor de gemeente Rotterdam niet valt in te zien, maar waarvoor de rekening desondanks aan de gemeente werd geadresseerd.

Peper heeft in zijn verdediging aan de KPMG-accountants duidelijk gemaakt dat hij, wat hem betreft, 24 uur per dag burgemeester was. Over echtgenote N. Kroes liet hij blijken dat zij, dankzij haar ruime netwerk van relaties, van grote waarde was voor de Rotterdamse belangen. Eveneens hebben de accountant en de advocaat van Peper laten blijken dat zij grote vraagtekens plaatsen bij de wijze van onderzoek door KPMG, omdat de gemeenteraad eerder via verlening van een decharge aan B en W in feite de verantwoordelijkheid van de uitgaven van B en W heeft overgenomen. Dan mag je achteraf niet mekkeren, zo luidt hun redenering.

De commissie laat in haar rapport blijken deze opvatting niet valide te vinden. Aangezien het de raad, naar nu blijkt, onbekend was waaraan bestuursuitgaven werden gespendeerd, kan niet worden volgehouden dat de raad dus verantwoordelijkheid nam voor onjuiste uitgaven. Aldus de commissie.