Globalisering sloopt Frans chauvinisme

Nog altijd doen stereotypen de ronde over Frans chauvinisme en voorkeur voor protectie. In werkelijkheid speelt de doorsnee Franse zakenman steeds meer volgens de internationale regels.

Is het chauvinisme anno 2000 nog steeds een drijvende kracht in het Franse economische denken? Een aantal recente, in het oog springende gebeurtenissen wekken de indruk dat dit inderdaad het geval is.

Frankrijk beleefde vorig jaar een heus kleuterschool-drama. De Franse banken Paribas en Société Générale wilden vriendjes worden, maar een derde bank, Banque Nationale de Paris, werd jaloers en dreef een wig tussen de twee. Deze Franse stoelendans was, aldus de buitenlandse media, ingegeven door de angst om te worden overgenomen door buitenlanders.

Het beeld van Franse bedrijven die bovenal Frans willen blijven, werd eens te meer bevestigd toen Crédit Commercial de France (CCF) zich hevig verzette tegen overname door het Nederlandse ING.

Maar volgens de beroemde Franse econoom Élie Cohen is het gedoe rondom de banken de laatste stuiptrekking van het oude economische denken. In een recent verschenen essay spreekt Cohen deftig over een ,,discours dat niet is afgestemd op de werkelijkheid''. Oftewel: Frankrijk vaart tegen wil en dank mee op de golf van mondialisering, maar zo nu en dan komen oude reflexen weer boven.

Met dat chauvinisme valt het allemaal reuze mee, vindt Dominique Franchon. De directeur van Datar Invest Benelux (een Franse overheidsinstantie die belast is met het aantrekken van buitenlands kapitaal) hoort onder Franse zakenlui zelden negatieve geluiden over buitenlandse bedrijven. Neem de recente overname van de Maille-mosterd uit Dijon door het Nederlandse Unilever. ,,Die mosterd is symbolisch voor Frankrijk, op het karikaturale af'', zegt Franchon in zijn kantoor in Brussel. De overname werd in zijn geheel niet bekritiseerd. ,,Dat zegt genoeg.''

Niettemin moeten de Fransen nog steeds wennen aan het idee dat anderen ook wat mogen zeggen over `hun' economie, zegt Jean-François Trogrlic, nationale secretaris van de vakbond CFDT (Confédération française démocratique du travail). Hij krabbelt gedachteloos figuren op het papier dat voor hem ligt. ,,Er sluipen vragen in het debat die nooit eerder aan de orde waren.'' Dat zorgt soms voor ,,paniek aan boord'', zegt Trogrlic. ,,Surrealistisch'', noemt Trogrlic de angst van Franse banken om door buitenlandse banken te worden overgenomen. ,,Sinds wanneer is de herkomst van een bank bepalend voor de culturele identiteit van een volk?''

Philippe Gautier van de werkgeversorganisatie Medef, Mouvement des entreprises de France, bespeurt ook weerstand, maar dan vooral op ,,het niveau van de opinie''. Op economisch niveau bestaat er al tien jaar geen weerstand meer, beweert Gautier. De `gewone' Fransman weet vaak niet eens ,,dat Elf-Aquitaine hoofdzakelijk Amerikaanse aandeelhouders heeft of dat Rhône-Poulenc door het Duitse Hoechst is overgenomen''. De Franse zakenman speelt het spel al lang en breed volgens de nieuwe regels.

Er is in de jaren negentig inderdaad veel veranderd. De meeste staatsbedrijven zijn geprivatiseerd, met uitzondering van de metro van Parijs, de spoorwegen (SNCF) en het Franse elektriciteitsbedrijf (EdF). Ook Franse bedrijven gaan tegenwoordig voor hun financiële behoeftes naar de beurs. Op de staatsportemonnee wordt steeds minder een beroep gedaan. Door die verschuiving is het buitenlandse aandeel in de Franse economie fors gegroeid. Zo bestaat de CAC 40, de Franse AEX, inmiddels voor 40 procent uit `vreemd' geld.

Dat is wel eens anders geweest. De naoorlogse economie werd lange tijd door de Franse overheid als een klein kind aan de hand meegevoerd. Op het machtige ministerie van Financiën in Parijs werd een industriële politiek ontworpen die tot doel had de creatie van grote nationale bedrijven, die ieder een sector van de economie (olie, chemie, etc.) voor hun rekening namen. Niet zelden hadden bedrijven een administrateur van de regering binnen hun muren. Bedrijven waren voor hun financiering afhankelijk van de staat.

Dat politiek en economie tot op de dag van vandaag in Frankrijk nauw verweven zijn, heeft een duidelijke reden, legt vakbondsman Trogrlic uit. De politici en zakenbonzen die het land bestieren, hebben vaak op dezelfde scholen gezeten, zoals de prestigieuze École Nationale d'Administration (ENA). Ons kent ons. Dat geldt in Frankrijk in het bijzonder.

Maar net als de Franse economie verliest deze elite ook haar traditionele cohesie. De mondialisering van de Franse economie laat weinig ruimte over voor het principe van `jij krabt mijn rug, ik de jouwe'. Dat werd tijdens de bankenkwestie akelig duidelijk. De bestuursvoorzitters van de drie banken, die elkaar tien jaar geleden misschien door dik en dun hadden gesteund, bestreden elkaar om het hardst. Hier gold: `eten of gegeten worden'.

De grote bedrijven in Frankrijk zullen het overnamegeweld zonder al te veel kleerscheuren doorstaan, verwacht Philippe Gautier. Het probleem ligt bij de kleine bedrijven. De structuur van de Franse economie kent een scherpe tweedeling als gevolg van de naoorlogse industriële politiek. Je hebt hele grote bedrijven en een regionaal web van hele kleine bedrijven. ,,Onze zwakte is dat we geen middelgrote bedrijven hebben die zich op wereldniveau kunnen verdedigen'', zegt Gautier.

Hierin ligt een – nieuwe – taak voor de Franse overheid, denkt Dominique Franchon. De staat, zegt hij, moet bedrijven helpen zich op regionaal niveau te organiseren. Franchon gelooft in de zegeningen van de mondialisering, maar vindt dat bepaalde gespecialiseerde sectoren (zoals de druiventeelt) beschermd mogen worden. Riekt dat niet naar een nieuwe vorm van staatsinterventie? Nee, vindt Franchon. ,,Niemand dwingt de bedrijven.''

Gautier vindt dat de overheid niet ver genoeg gaat. De Medef, zo legt hij uit, wil de regering het voorstel doen het budget voor de francophonie – het behoud van de Franse taal en cultuur – te gebruiken voor onderwijs in de Engelse taal. Gautier weet dat een dergelijk voorstel in Frankrijk veel stof zal doen opwaaien, maar ,,we dienen het in om mensen alvast bewust te maken''.

Dat er intussen écht iets is veranderd, blijkt wel uit de groeiende bekendheid van Fransen met de Engelse taal. Er was een tijd dat een Fransman óf helemaal geen Engels sprak óf alleen Engels begreep wanneer gesproken met een zwaar Frans accent. Een willekeurige rondgang bij Franse bedrijven leert dat die tijd voorbij is. Het moedig verzet biedende Gallische dorpje is niet meer.

Dit is het zesde deel uit een serie. De vorige artikelen verschenen op 1, 8, 15, 22 februari en op 10 maart.