Een romantisch misverstand

De klassieken zijn dit jaar thema van de Boekenweek, maar wat weten we eigenlijk van de Ouden? De dichter Pindarus gold vanaf de Romantiek als het prototype van een genie: duister, verheven, en volkomen onbegrijpelijk. Een nieuwe vertaling en commentaar scheppen helderheid.

De Nederlandse sportjournalistiek kent één echt orakel: Johan Cruijff. Zijn zuiver orale toelichtingen zijn onnavolgbaar, zijn beelden gewaagd. De taal die hij hanteert rekt de mogelijkheden van de grammatica zo ver op dat ongedroomde vergezichten opdoemen. Niemand begrijpt precies wat hij zegt, maar als hij gesproken heeft, wéét je gewoon hoe het zit. Hij reist de wereld af, aanschouwt de grote evenementen, en doet daar kond van wanneer wij, voor de buis massaal verenigd in het civiel ritueel van de wedstrijd, weer voelen dat wij uiteindelijk toch broeders zijn, verbonden door het streven en falen van onze jonge atleten, hoop en roem, vergankelijkheid en verval.

We weten niet hoe het klonk in de klassieke Oudheid, toen zich vergelijkbare taferelen afspeelden, wanneer een van hun jonge atleten iets over een wedstrijd wilde zeggen. De vraag of de nasale klaagzangen van de gebroeders De Boer hun antieke pendant hebben gehad is ook niet relevant: op de klippen van de tijd lijden de details schipbreuk. Wat we wèl hebben, zijn de Zegezangen van Pindarus, Griekse lofdichten op triomferende atleten uit de vijfde eeuw voor Christus. Nu de Belgische dichter en vertaler Patrick Lateur die lofzangen zorgvuldig heeft bestudeerd en vertaald, kan ook een groter modern publiek ze lezen.

Dat is niet eenvoudig. De dichter Pindarus (ca. 518-438 v. Chr.) is beroemd én berucht om zijn duisterheid, om het ongehoorde procrustesbed waarop hij zijn taal heeft gelegd. Zijn poëzie werd in de Oudheid in dans uitgevoerd, op de tonen van de lier en de dubbelhobo, en pas veel later alleen gelezen. Hij is vaak ernstig en legt diepe wijsheden bloot. En hij reisde de hele, Griekse, wereld af, van festival naar festival, van opdrachtgever naar opdrachtgever. En voor hen verwoordt hij, in alle duisterheid, de saamhorigheid die immers door grote sportieve daden zowel kan worden versterkt als bedreigd.

Maar hier houdt de moderne parallel op. Want Pindarus is niet geïnteresseerd in de sport zelf. Sport en overwinning zijn een metafoor, staan voor menselijk streven, voor de traditie van de kleine, gemeenschap waarbinnen iedereen op elkaar is aangewezen. De lofzang op de atleet verbeeldt de lof van die gemeenschap waar de dichter voor schrijft. Tenslotte is ook zijn lofzang zelf, net als de sportieve prestaties die erin worden bezongen, een streven naar voortreffelijkheid – en gaat zijn zang dus ook over poëzie.

Wat doet poëzie? Pindarus laat ons in elk geval zien hoe epinicische poëzie, de technische term voor zijn lofdichten, werkt: in de aanhef van de zevende Olympische ode (ter ere van een overwinning op de Olympische Spelen; er zijn ook lofdichten voor de Pythische, Nemeïsche en Isthmische Spelen, de grootste festivals uit de antieke spektakelkalender), opgedragen aan de legendarische bokser Diagoras uit Rhodos:

Zoals een man van weelde in de hand een

drinkschaal neemt

waarin de wingerd schuimend nadauwt,

haar aanbiedt

aan de jonge bruidegom met een

heildronk

van huis tot huis – een schaal van zuiver

goud, parel van zijn rijkdom –

en hij het feestmaal luister bijzet,

zijn schoonzoon eert, hem laat benijden

door zijn vrienden disgenoten om zijn

huwelijk vol harmonie,

zo zend ik ook naar overwinnaars golven

nektar, gave van de Muzen ...

In plaats van de platheid van onze sportjournalistiek prijkt hier een schitterend en veelbetekenend beeld: feest en drank in eendracht, en daarin Pindarus' poëzie als een `well wrought urn', de drinkschaal die alles samenvat.

Hoe transparant dit beeld ook is, toch hebben vooral de technische en stilistische aspecten van Pindarus' poëzie zijn reputatie bij het nageslacht bepaald. Want Pindarus' brutale dissonanten, in zowel lexicale als thematische zin, en zijn enorme metrische complexiteit maken hem tot een vertegenwoordiger van de `verheven' klassieke stijl. De steile hoogten van deze poëzie zijn niet makkelijk te beklimmen, voor lezers noch navolgers. Zijn vakgenoot Horatius, veilig en gesubsidieerd in Rome, weigert delicaat zo hoog te vliegen als Pindarus, en wijst op het lot van Icarus:

`Wie, Iulus, Pindarus wil evenaren, steunt op vleugels gemaakt uit Daedalus' was en is gedoemd zijn naam te geven aan een spiegelende zee: want Pindarus ziedt als een rivier die van de berg omlaag stort, tot buiten haar oevers door regens gevoed, en stormt immens voort met zijn diepzinnige klank ...'

Met deze passage doet de Romeinse dichter aan literaire polemiek: hij kan wel, maar hij wil niet. Juist deze woorden hebben in de literaire traditie het idee van de onhaalbare hoogtes van Pindarus' poëzie versterkt.

De Romantiek droeg veel aan die opvatting bij. Toen de archaïsch-Griekse oudheid in de negentiende eeuw een rage werd – zoals de Hellenistische en Latijnse oudheid in de Renaissance – was het enthousiasme waarmee zij werd begroet bijna omgekeerd evenredig aan de wetenschappelijke kennis ervan. Juist de raadselachtige, verheven Pindarus sprak tot de verbeelding van de romantici. Niet het achttiende-eeuwse, op het Latijn gebaseerde, `logische dichten', maar het `onbegrijpelijke dichten' geïnspireerd door de Grieken werd voortaan gezien als het échte dichten. Dat Pindarus vooral `onbegrijpelijk' was omdat niemand nog voldoende accuraat het kader kon reconstrueren waarin zijn poëzie ontstond, dát zag men niet. Sterker nog, juist de onvolledigheid ervan – Pindarus' lyriek is overgeleverd zonder de bijbehorende muziek en choreografie – wekte bewondering. Naar antieke poëzie keek men zoals naar antieke beeldhouwkunst: verbleekte torso's die geacht werden edle Einfalt und stille Größe te verbeelden, terwijl ze in werkelijkheid, toen de goden nog leefden, bont beschilderd waren en vanzelfsprekend deel uitmaakten van een levendige religieuze cultus.

De romantische verheffing van het genie deed de rest. De zelfbewuste, duistere Pindarus werd het archetype van de profetische kunstenaar: waarlijk groot, wánt onnavolgbaar en onbegrijpelijk. Het gevolg daarvan was dat hij inderdaad nauwelijks nog werd nagevolgd; de grote uitzondering is Hölderlin, die briljant `Pindarisch' werk heeft geschreven, maar door zijn gekte ook juist een bevestiging leek van Horatius' Icarus-waarschuwing. Pogingen Pindarus, zoniet na te volgen maar dan toch te begrijpen, namen de onbegrijpelijkheid tot uitgangspunt – en slaagden dus niet.

Maar Pindarus is niet onbegrijpelijk. De lezer die de vertaling van Lateur ter hand neemt, zal dat misschien niet meteen beamen, maar met een goed commentaar komt men verder. Zo'n commentaar is nu vervaardigd door Ilja Pfeijffer, het aanstormend talent van de Nederlandse classici. Zijn boek is dik, onnodig dik – terwijl het nota bene maar drie van de 46 oden bespreekt – te geleerd voor niet-Graeci en bovendien te duur voor menig Graecus. Maar het is wel de moeite waard, omdat het een zeer interessante, nieuwe sleutel tot het werk van Pindarus biedt.

Pfeijffer sluit aan bij de moderne, twintigste-eeuwse Pindaruskritiek, die heeft geprobeerd Pindarus' oden ten lange leste in hun context te plaatsen. Hij ziet in de oden die hij bespreekt aanwijsbare verbanden met de sociale en politieke situatie van Pindarus' opdrachtgevers, de uitvoerders en de dichter zelf. De achtste Pythische ode bijvoorbeeld, geschreven voor de winnaar bij het worstelen voor junioren, Alcimedon uit Aegina, is fameus, alleen al omdat het de laatst dateerbare van Pindarus' oden is. Vaak wordt daarbij het memento mori vlak voor het slot aangehaald:

Wezens van één dag. Iemand zijn,

niemand zijn: wat betekent dat? Droom

van een schaduw is een mens. Maar komt een glans door god gegeven,

dan ligt een stralend licht over de mensen, hun bestaan is zoet als honing.

Maar Pfeijffer maant ons bij deze filosofische woorden niet te veel aan de oude Pindarus te denken. Ze zijn stevig ingebed in een thema – de door de goden beschikte wisseling van het lot – dat zeer illustratief was voor de positie van Pindarus' opdrachtgevers, aristocraten uit Aegina die buitenspel gezet waren door de Atheense democraten maar die nu, na een zware Atheense nederlaag, de kans zagen zich weer in een leidende positie te werken. Dit moment wordt des te pregnanter door de Pythische overwinning van één van hun telgen. De ode laat dus zien dat hun aanvankelijke politieke verlies, door de goden, makkelijk in een overwinning kon worden omgezet, en wel door de voortreffelijkheid van de clan van de winnaar. En zij maant de tegenstanders zich met die situatie te verzoenen. Dat verklaart de opening van de ode, een bede gericht tot Hesychia, de godin van de (politieke) rust, door Lateur wat misleidend weergegeven als `Vriendelijke Vrede'. Een politieke interpretatie biedt ook de sleutel tot de mythe midden in het gedicht, die zoals zo vaak bij Pindarus bijzonder moeilijk inhoudelijk te plaatsen is. Ten slotte geeft Pfeijffers interpretatie zin aan de specifieke nadruk op het erfelijke karakter van voortreffelijkheid, een cruciaal element in het vaandel van de aristocratie.

Zo probeert Pfeijffer Pindarus' thema's concreet te verklaren en te plaatsen binnen de Griekse context. Hij gaat hierin soms te ver. Dat de Zegezangen in de eerste plaats gelegenheidspoëzie zijn wordt inderdaad nog altijd niet genoeg benadrukt. Maar ook gelegenheidspoëzie hoeft natuurlijk niet altijd naadloos op de gelegenheid te passen. En zeker waar we relatief weinig weten van de details van de gelegenheid, is een rigoreuze interpretatie van de beschikbare gegevens riskant.

Iets vergelijkbaars geldt voor Pfeijffers nadruk op de optimistische toon van Pindarus: hij sluit daarmee een pessimistische interpretatie van bijvoorbeeld diens passage over `Mensen van één dag' op voorhand uit. Dat is niet nodig. De overwinning kan tenslotte, net als de lente, óók tot somberheid stemmen. Men hoeft geen dweper te zijn om van de weergaloze melancholie van Pindarus te genieten, die ook doorklinkt in zulke passages. De eenzame tocht van Heracles op zoek naar de bomen die later aan de eindstreep in Olympia zullen staan, de tragische bede op het strand van de drie helden uit Aegina, die weldra op moord en doodslag uit zal lopen – het zijn voorbeelden van de verstilling die Pindarus al in de feestroes weet aan te brengen.

Ilja Pfeijffer zet met dit commentaar zichzelf – en zodoende de lezer – op scherp. We krijgen greep op de ongrijpbare Pindarus. De concentratie die zijn benadering oplegt en de overgave van de interpreet aan zijn stof dwingen respect af. Zo'n boek hebben we nodig bij Pindarus; want nu we niet meer in de negentiende eeuw leven en dus niet meer in blinde bewondering kunnen neerzijgen voor het altaar van de zwaan van Thebe, blijft er voor wie de structuur en metriek niet onder de loep legt, alleen nog poésie pure over. En Pindarus is geen pure poëzie, niet in het Grieks, laat staan in vertaling.

Zo biedt Pindarus ook stof tot nadenken over de klassieke boekenweek, gevierd met een aantal kleinere werkjes over de klassieken. Hein van Dolen schreef De klassieke canon, een verzameling stukjes over de grote klassieke auteurs, vergezeld van beroemde zegswijzen die eraan zijn ontleend en een ruimbemeten fragment in vertaling. Piet Gerbrandy bundelde zijn stukken (met name uit De Groene Amsterdammer) onder de titel Boeken die ertoe doen en laat zo zijn licht schijnen over wat hij mooi en niet mooi vindt aan de antieken. Pfeijffer zelf schreef ook nog De Antieken, een korte literatuurgeschiedenis, een titel die de lading goed dekt. Hoewel de jonge dichter zich hier en daar vertilt aan de details en zijn boude stellingnames tot reserve manen is ook dit boek oorspronkelijk.

De klassieke canon, van Van Dolen, is het werk van een beschaafde causeur. Hij vertelt veel anekdotes, waarbij hij tussen neus en lippen door effectief en ironisch een grote hoeveelheid informatie overbrengt, zonder dat het saai wordt. Wel leidt de conversatietoon onvermijdelijk tot oppervlakkigheid, zodat het boekje iets krijgt van een nettere versie van het door Pfeijffer zo gewaardeerde Bluff your way in Classics.

Het boek van Gerbrandy is een ingewikkelder geval. Gerbrandy vindt iets van de klassieken, en zegt dat ook. Sterker nog, hij schreeuwt het. Het probleem is dat hij ook hard blijft schreeuwen als de lezer alleen maar braaf zit te luisteren. Met andere woorden: Gerbrandy, die zijn doel `retorisch' noemt, faalt juist in zijn retorische strategie. Plato verkocht `lariekoek', Sophocles formuleerde - net als Mozart - nooit iets waar je van ophoort en zijn Antigone is gebaseerd op `primitieve theologische flauwekul', Ovidius `bleef maar door kakelen'. Om zulke rauwe stellingen over het voetlicht te krijgen heb je stijl nodig, en die heeft Gerbrandy niet. Toch staan er ook zinnige dingen in zijn boekje. Al met al doet het denken aan de beroemde uitspraak van Aristoteles, dat alle levende wezens droevig zijn na de coïtus, behalve de haan die kraait en de ezel die balkt. Na zijn coïtus met de klassieken, blijft Gerbrandy maar kraaien.

Deze auteurs vormen, met elkaar, een merkwaardig driemanschap. De oudere Van Dolen heeft zijn sporen in klassiek Nederland verdiend, en schrijft rustig voort. Pfeijffer en Gerbrandy lijken eerder op Romeinse politici uit de late Republiek, die niet meer wilden wachten tot ze oud genoeg waren (43) om consul te worden en de revolutie ontketenden die zou leiden tot het principaat. Ze willen meteen de buit binnenhalen, en gaan desnoods over tot geweld. Caesar en Augustus waren zulke politici. Wie weet wat volgt in klassiek Nederland. Op zichzelf is het tijd voor vernieuwing. Maar welke?

De klassieke boekenweek probeert, door dergelijke populariserende overzichten, een update van de klassieke canon te bewerkstelligen. De weerbarstige klassieken moeten worden aangepast aan de eisen van de massacultuur. Daartoe moet de strijkijzer-methode gehanteerd worden, die vroeger werd gebruikt om oude meesters in de schilderkunst te verdoeken. Een rigoreuze methode: wie een strijkijzer op een Titiaan zet, plet het impasto, zodat het werk zijn grootste verfijning verliest.

Ook de woeste Pindarus, die schreef voor een publiek van goede vertaanders en slechts als torso is overgeleverd, leent zich niet voor deze methode. De vertaling van Lateur waarover we nu kunnen beschikken, is gelukkig altijd degelijk en regelmatig overtuigend, en zijn interpretatie is, voorzover mogelijk, zorgvuldig. Wel is de overwegend jambische metriek wat monotoon, en ook het weglaten van de bij Pindarus toch al spaarzame nevenschikkende voegwoorden heeft nadelen. Maar de poëticale kracht, zo groot bij Pindarus, blijft groot bij Lateur, en dat is een prestatie op zichzelf. Ook al is vertalen nog niet voldoende, zelfs niet als je, zoals Lateur, uitstekende parafrases in proza toevoegt om de grote lijn te verduidelijken.

Om erin te geraken, moet de lezer studeren, werken. Dat kan nu, dankzij Lateurs werk, veel beter dan voorheen.

Pindarus' levenseinde was volgens de traditie die Hein van Dolen nauwkeurig volgt en die Ilja Pfeijffer in zijn commentaar even nauwkeurig deconstrueert, `heel romantisch', zoals Van Dolen het noemt. Op hoge leeftijd nog verliefd op een schone knaap, stierf hij uiteindelijk in diens armen tijdens een theatervoorstelling. Uit het sonnet waartoe de Romantische dichter August von Platen zich hierdoor liet inspireren mag blijken dat het Romantische misverstand over Pindarus ook tot prachtige dingen heeft geleid. Het eindigt als volgt:

Er sass im Schauspiel, vom Gesang

beweget,

Und hatte, der ermüdet war, die wangen

Auf seines Lieblings schöne Knie geleget:

Als nun der Chöre Melodien verklangen,

Will wecken ihn, der ihn so sanft geheget,

Doch zu der Götter war er heimgegangen.

Pindaros: Zegezangen. Vertaald en toegelicht door Patrick Lateur; Athenaeum-Polak & Van Gennep,

299 blz, ƒ80,-

Hein van Dolen: De klassieke canon. Ambo/Anthos, 211 blz. ƒ25,-

Piet Gerbrandy: Boeken die ertoe doen. Meulenhoff, 267 blz. ƒ34,90

Ilja Leonard Pfeijffer: Three Aeginetan Odes of Pindar;

A commentary on Nemean v, Nemean iii, & Pythian viii. Brill, 721 blz. ƒ326,15