De kenniskloof

In Lissabon komen volgende week de Europese regeringsleiders bijeen voor een speciale top over werkgelegenheid, innovatie en kennis. De EU moet haar achterstand op de VS goedmaken. Maar EU-lidstaten hebben elk hun eigen belangen.

De Franse minister van Wetenschap, Claude Allegre, nam afgelopen zomer een opmerkelijk besluit. Een nieuwe synchrotron voor stralingsonderzoek komt niet in Frankrijk maar in Groot-Brittannië. De Britse medefinanciering bespaart Frankrijk niet alleen honderden miljoenen francs, het project is volgens minister Allegre ook een voorbeeld van Europese samenwerking. De Franse bewindsman vindt dat kostbare onderzoeksinfrastructuur zowel uit financieel als uit wetenschappelijke oogpunt voortaan op Europese schaal moeten worden gerealiseerd. Het besluit kwam de minister op een storm van protest te staan. Volgens personeelsbonden en vooral rechts Frankrijk druist de Europese oriëntatie van minister Allegre in tegen het nationale Franse belang. Bij de Europese Commissie in Brussel is er slechts lof voor het Frans-Britse project.

Juist op wetenschappelijk terrein is het gebrek aan Europese samenwerking fnuikend. ,,Het is alsof kleine handelaren nog steeds kijken hoe ze met elkaar kunnen concurreren, terwijl de hypermarkt al is gearriveerd. En de hypermarkt is de Verenigde Staten'', zegt Eurocommissaris Philippe Busquin (Onderzoek). De Waalse ex-politicus had bij zijn aantreden vorig jaar niet vermoed dat de ,,fragmentatie'' op onderzoeksgebied in de Europese Unie zo groot was.

En Eurocommissaris Busquin is de enige niet. De Amerikaanse topeconoom en Nobelprijswinnaar Robert Solow constateerde vorige maand op een door Busquin zelf geleide conferentie in Brussel dat de EU ,,weinig inspanningen'' heeft gedaan om de organisatie van onderzoek en ontwikkeling aan te passen. ,,Er moet grote winst zijn te boeken door schaaleffecten te benutten en dubbel werk te elimineren'', aldus de econoom, die zijn Nobelprijs dankt aan publicaties over technologie als productiefactor.

Volgens hoogleraar Luc Soete van het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology deed zich het afgelopen decennium een opvallende ontwikkeling voor in de Europese onderzoeksbudgetten. Terwijl Amerikaanse bedrijven intussen twee keer zoveel aan research & development (R&D) besteden als Europese bedrijven, geven de Europese landen sinds het eind van de jaren tachtig samen meer uit aan publiek gefinancierde R&D (zie grafiek). ,,Europa geeft nu bijna 25 procent meer aan publieke research & development uit dan de Verenigde Staten'', onderstreept Soete. De resultaten van deze publieke onderzoeksinspanning blijven echter achter bij die in de VS.

Per saldo blijft de EU met 1,8 procent van het bbp voor research & development ver achter bij de 2,8 procent van de VS. De Europese Commissie becijferde onlangs dat de VS in 1998 ongeveer 60 miljard euro meer aan R&D besteedden dan de EU, terwijl die voorsprong in 1992 nog maar 12 miljard euro bedroeg. Eurocommissaris Busquin voegt daar nog een cijfer aan toe: bij Europese bedrijven bestaat slechts 2,5 procent van het personeel uit onderzoekers, terwijl dat cijfer in Amerikaanse bedrijven op 6,7 procent ligt.

Busquin spreekt van een ,,zorgelijke'' situatie in het wetenschappelijk onderzoek. Afgelopen januari presenteerde de enigszins in de schaduw opererende Belgische Eurocommissaris zijn plan voor een `Europese onderzoeksruimte'.

,,Wetenschappelijk onderzoek was tot nu toe geen majeure politieke kwestie. Belangrijk waren de economische ruimte met de Europese eenheidsmunt en de ontwikkeling van de budgettekorten'', constateert Busquin. De `Europese onderzoeksruimte' moet een nieuwe impuls gegeven aan onderzoek en ontwikkeling in de EU. ,,Voor wetenschappelijk onderzoek is een bepaalde kritische massa nodig'', onderstreept Busquin.

Volgens het plan van Busquin moet een netwerk worden gevormd van Europese wetenschappelijke centers of excellence, waartussen onderzoekers gemakkelijk moeten kunnen rouleren. Het is volgens Busquin een van de manieren om te voorkomen dat talentvolle Europese onderzoekers hun heil in de VS zoeken. Om dezelfde reden zouden nationale onderzoeksinstituten vanaf 2002 een minimum aantal buitenlandse onderzoekers aan het werk moeten hebben.

Verder moet volgens het plan naar gemeenschappelijke financiering worden gezocht voor grote wetenschappelijke infrastructuur – zoals de Frans-Britse synchrotron voor stralingsonderzoek. Het budget voor onderzoeksprogramma's van de Europese Commissie, dat slechts 5 procent bedraagt van de publieke onderzoeksuitgaven van de EU-lidstaten, schiet hiervoor tekort. Ook moet er meer coherentie in de nationale onderzoeksactiviteiten komen, waardoor doublures worden voorkomen.

Busquin pleit verder voor aanpassing van Europese regels om indirecte (fiscale) steun aan onderzoek te vergroten, bevordering van de mobiliteit van onderzoekers tussen de Europese landen, nauwere banden tussen onderzoekers in particuliere ondernemingen en die bij publiek gefinancierde instellingen. Finland en Zweden accepteren dit idee en doen het volgens Busquin daarom zo goed. Busquin wil dat juridische hindernissen verdwijnen voor onderzoekers die net als in de VS ook willen ondernemen. Ook moet de aantrekkelijkheid van Europa voor onderzoekers uit de rest van de wereld worden vergroot.

Busquin verheelt niet dat de Europese Commissie weinig meer dan `coördinator' en `katalysator' kan zijn. Het laatste onder meer door benchmarking: de onderlinge druk op lidstaten verhogen door hun prestaties te publiceren.

De Eurocommissaris denkt aan de mogelijkheid dat de Commissie als coördinator van nationale onderzoeksprogramma's gaat optreden. Ook zou Brussel criteria kunnen vaststellen op basis waarvan zij de centers of excellence kan aanwijzen.

Vooralsnog prijst de Belgische Eurocommissaris zich al gelukkig met het feit dat het plan voor de Europese onderzoeksruimte op de agenda staat van de top van regeringsleiders op 23 en 24 maart in Lissabon. Belangrijk onderwerp tijdens de top zijn ook voorstellen van de Europese Commissie om ontwikkeling en gebruik van digitale technologieën te versnellen. In de ogen van de Commissie is digitalisering de ,,sleutel'' voor werkgelegenheid.

Ook hier moet volgens Brussel op belangrijke punten een achterstand op de VS worden ingelopen. Commissie-voorzitter Romano Prodi lanceerde dit `eEurope-initiatief' aan de vooravond van de Europese top in Helsinki, waar de regeringsleiders een nader actieplan vroegen. De Europese Commissie heeft inmiddels de regeringsleiders opgeroepen in Lissabon met ,,concrete beleidsacties'' in te stemmen, die veelal een versnelling betekenen van eerdere voornemens.

Enkele van de `eEurope-doelstellingen' voor 2000 zijn: de uitvoering van Europese richtlijnen die betrekking hebben op elektronische handel, openbare aanbestedingen via Internet, liberalisering van lokale telecomlijnen en verbetering van Internet-infrastructuur voor onderzoekers en studenten. Ook voor de onderwijssector zijn zulke `eEurope-doelstellingen' geformuleerd, waaronder toegang van alle scholen tot Internet in 2001.

De Europese Commissie wijst in haar voorstellen voor `Lissabon' op het nog altijd gebrekkig functioneren van de interne markt als een voorname oorzaak van de achterstand van de EU op de VS. Door ,,gefragmenteerde'' markten worden concurrentievermogen, innovatie en digitalisering onvoldoende bevorderd. ,,De Europese economie moet veel dynamischer worden'', zo heet het. Als belangrijke hervorming voor de komende jaren noemt de Europese Commissie de volledige integratie van de financiële markten. Om het belang ervan te illustreren wijst zij op het feit dat de kapitalisatie van de effectenbeurzen in de EU slechts de helft bedraagt van het niveau in de VS. Hierdoor worden financieringsmogelijkheden voor bedrijven en dus innovaties beperkt.

Ook het ontbreken van de door Eurocommissaris Busquin bepleite `Europese onderzoeksruimte' is in feite terug te voeren op feilen van de interne markt, dat wil zeggen op nationale belangen van individuele lidstaten.

Busquin wijst in dit verband op het na jaren van discussie nog steeds ontbreken van één EU-patent. Nu nog moeten ondernemers in elke lidstaat afzonderlijk op hun uitvinding octrooi aanvragen, wat het octrooi vele malen duurder maakt dan in de VS. ,,In 1996 moesten Europese ondernemingen 12 miljard euro royalties betalen aan Amerikaanse bedrijven. Door de ontwikkeling van biotechnologie en software zal dat alleen maar toenemen'', zo waarschuwt Busquin.

De Europese Commissie wil groen licht van de regeringsleiders voor realisatie in 2001. Busquin onderstreept dat één Europees patent ook inhoudt dat er één juridische instantie voor octrooizaken komt. ,,Dus moet het Europees verdrag worden aangepast'', aldus Busquin. En daarvoor is instemming van alle lidstaten nodig.

Bij Europese wetenschapsinstellingen heerst scepsis over de haalbaarheid van Busquins plannen, vooral zijn streven naar een gemeenschappelijke infrastructuur voor onderzoek. ,,Hoe gaat hij de landen overtuigen?'' zegt Christopher Hull van de European Association of Research and Technology Organisations, waarbij onder meer het Nederlandse TNO is aangesloten. ,,Men zal het eens zijn met de economische argumenten, maar nationale regeringen hebben ook politieke argumenten.''

De Maastrichtse hoogleraar Soete is optimistischer. Tijdens besloten discussiebijeenkomsten met het Nederlandse kabinet en de regering van Portugal (de huidige EU-voorzitter) bespeurde hij een sterke geëngageerdheid met de onderwerpen van de top. ,,Je ziet dat sociaal-democraten zich nu vereenzelvigen met dynamiek en kenniseconomie. Je zou dat van liberalen verwachten, maar die praten meer over de staatsschuld. Dat is de ultieme paradox.''

En Eurocommissaris Busquin zegt: ,,Een land als Frankrijk vraagt nu zelf om een Europese onderzoeksruimte.'' Hij vreest niet dat het oorspronkelijke thema innovatie en kennis ondergesneeuwd raakt door recente sociale en werkgelegenheidsinitiatieven van regeringsleiders, die om redenen van binnenlandse politiek geneigd zijn hun `eigen' top te maken. ,,Het is voor het eerst dat op dit niveau over wetenschappelijk onderzoek wordt gesproken,'' onderstreept Busquin.