De hele wereld op zijn kop

Ruim een kwart eeuw hangt er in mijn buurt een foto van Charles Darwin (1809-1882). Het portret werd kort voor zijn dood gemaakt: een kalende man met een ondoorgrondelijke blik, wit haar en een lange witte baard kijkt net niet in de lens. In de afgelopen decennia maakte dit portret enkele ingrijpende gedaanteverwisselingen door. Het veranderde van een vriendelijk hoofd in een achterbaks gezicht en omgekeerd. Aanvankelijk zag ik Darwin als een beminnelijke gentleman en meende ik dat hij een van de grootste geesten was die ooit op aarde had geleefd. Totdat verschillende wetenschapshistorici met sterke aanwijzingen kwamen dat hij, met hulp van zijn invloedrijke en hooggeleerde vrienden in Cambridge, zou hebben voorkomen dat de evolutietheorie op naam van Alfred Russel Wallace zou worden gesteld.

Darwin had twintig jaar lang als een bezetene gewerkt aan de onderbouwing van zijn evolutiehypothese en bleef aarzelen met de publicatie ervan. De argeloze Wallace daarentegen had in 1858 een manuscript persklaar, waarin een variant van die theorie van evolutie door natuurlijke selectie in beknopte vorm werd beschreven. Wallace ontwikkelde zijn evolutiegedachte geheel onafhankelijk van Darwin, maar had de pech zijn manuscript uitgerekend naar Darwin te zenden met het verzoek de tekst door te sturen naar de grote geoloog Lyell. Tenminste, wanneer Darwin het idee dat soorten niet onveranderlijk geschapen waren, maar door de inwerking van natuurlijke selectie konden evolueren, een publicatie waard vond. Dat het voor Darwin uiterst pijnlijk moet zijn geweest met dit probleem te worden opgezadeld, is duidelijk, maar hoe oprecht handelde hij bij het zoeken naar een oplossing?

Niet alleen aan zijn onkreukbaarheid heb ik getwijfeld, maar ook aan zijn genialiteit. In een essay uit 1979 toonde Loren Eisely aan dat Darwin het idee van evolutie door natuurlijke selectie zonder bronvermelding zou hebben overgenomen uit een artikel van zijn veel minder bekende tijdgenoot Edward Blyth. Weliswaar verwijst Darwin in zijn sleutelwerk On the Origin of Species uit 1859 regelmatig naar Blyth als het om natuurhistorische feiten gaat, maar juist niet in de passages waarin hij zijn evolutiegedachte ontvouwt. Het portret van de beminnelijke gentleman veranderde voor mij in een doortrapte tronie. Werd het geen tijd om de foto uit mijn buurt te verwijderen? Vlak voordat ik daartoe over wilde gaan, kreeg Darwin een wetenschapshistorische facelift en krabbelde overeind. Eisely zou de bronnen slordig hebben gebruikt en al had Blyth het sleutelidee van evolutie door natuurlijke selectie geformuleerd, het universeel belang daarvan was geheel aan hem voorbijgegaan, zodat hij de grote synthese nooit had kunnen maken. Darwin leek als held weer redelijk bruikbaar, de foto bleef hangen en ik bewonderde opgelucht verder.

Kleinkinderen

Wie de onovertroffen biografie over Darwin van Adrian Desmond en James Moore uit 1992 kent, leest zijn onderhoudende en nu in Nederlandse vertaling verschenen autobiografie met andere ogen. Het is spannend om te volgen welke onderwerpen hij aansnijdt en welke hij onaangeroerd laat. Zo krijg je niet de indruk dat de prioriteitskwestie hem erg heeft beziggehouden: `ik heb veel gewonnen door het [boek over de oorsprong van soorten] niet in 1839 uit te geven (...) maar door de publicatie uit te stellen tot 1859. Bovendien heb ik hierdoor niets verloren omdat het me weinig kon schelen of men de grootste originaliteit toeschreef aan mij of aan Wallace.' Wat een eminent Victorian!

Darwin schreef zijn autobiografie, die vermoedelijk nooit voor publicatie bedoeld is geweest, om zijn kinderen en kleinkinderen een plezier te doen. Hij koos het perspectief van een overleden persoon die vanuit een andere wereld terugkijkt op zijn leven. Uit zijn jeugd herinnert hij zich een voorval, dat illustreert hoe vroeg hij zich al interesseerde in de variabiliteit van planten. Een jongetje vertelde hij dat hij verschillend gekleurde primula's en sleutelbloemen kon maken door ze water te geven met bepaalde kleurstoffen. Dat was gelogen, want hij had het nooit geprobeerd. Enkele decennia later was Darwin, door kunstmatig te selecteren, in staat erfelijke veranderingen in bloemkleuren te bewerkstelligen. Een probleem dat hem als achtjarige dus al bezighield.

Aan zijn vroeg overleden moeder bewaart hij, behalve aan haar doodsbed, geen herinneringen. Meer herinnert hij zich over zijn vader, een honderdvijftig kilo zware mensenkenner en arts, over wie hij met veel sympathie schrijft. Ook beschrijft hij andere familieleden, zoals zijn broer en zusters, aan wie hij de beste herinneringen heeft, al heeft hij intellectueel gezien aan geen van allen veel te danken. Opvoeding en omgeving oefenen slechts een geringe invloed uit op de mens, meent Darwin, om er nogal voorbarig aan toe te voegen dat de meeste van onze eigenschappen aangeboren zijn. Opmerkingen als deze kenmerken zijn levensverhaal. Darwin maakt de indruk niet buitensporig geïnteresseerd te zijn in het noteren van persoonlijke herinneringen, gevoelens en emoties, tenzij ze iets zichtbaar maken over de wetten van de natuur.

Schijnbaar moeiteloos zet hij familieleden, vrienden en leermeesters neer in enkele zinnen, en vaak volgt er dan een anekdote met universeler waarde. Zoals over het volksgericht waarvan hij en de botanicus Henslow getuige waren op een van de vele wandelingen die ze samen maakten in de omgeving van Cambridge. Darwin beschrijft dat hij nooit in zijn leven op iemands gezicht zo'n woede zag als op het gezicht van Henslow bij het aanschouwen van deze afgrijselijke scène. Tientallen jaren voordat Darwin zijn boek over emoties en gelaatsexpressies (1872) zou publiceren, had dat onderwerp kennelijk al zijn aandacht.

Darwin geeft een eerlijk beeld van zijn weinig succesvolle schooltijd, de saaie medicijnenstudie in Edinburgh, die hij nooit afmaakte en zijn opleiding tot plattelandsgeestelijke, waaraan ook al voortijdig een einde kwam. Hij kreeg door bemiddeling van Henslow de kans om als metgezel van kapitein Fitzroy met de Beagle op wereldreis (1831-1836) te gaan. Het aanbod kwam als geroepen, omdat Darwin twijfelde of hij wel voldoende innerlijk bewogen was door de Heilige Geest om een bestaan als geestelijke te rechtvaardigen. Tijdens deze reis met de Beagle transformeerde Darwin van een gelovige die het woord van de bijbel letterlijk nam tot een evolutionist.

Wonden

Elke wisseling van wijsgerig perspectief, of die nu betrekking heeft op de evolutie van het heelal of op onze eigen oorsprong op aarde, slaat diepe wonden. De autobiografie draagt daar nog de sporen van en illustreert hoe moeilijk het is een verouderd paradigma radicaal af te zweren. Darwin hield ernstig rekening met de lamarckistische mogelijkheid `dat de constante inprenting van een geloof in God een zo sterke en misschien erfelijke invloed uitoefent op de nog zo onvolledig ontwikkelde hersenen van kinderen, dat het zich bevrijden van het geloof in God even moelijk voor hen zou kunnen zijn als het voor een aap is zich te bevrijden van zijn instinctieve angst voor een slang'.

Sloot Darwin werkelijk niet uit dat de erfelijke eigenschappen van deze op geloof in God ingeprente kinderen zodanig zouden worden beïnvloed dat hun eigen nageslacht gospels zong nog voordat het kon lopen? Dat zou betekenen dat hij nog niet helemaal gewend was aan zijn eigen ideeën.

Darwin zette de paradigmawisseling niet alleen in gang maar personifieerde die ook, en niet alleen in zijn geschriften.

Hij hield zijn grote idee geheim voor vrijwel iedereen totdat hij alle zwakke plekken zelf zou hebben aangewezen en onderzocht. Hoe ontstonden bijvoorbeeld kruisingsbarrières tussen soorten? Was evolutie van zo'n ingewikkelde structuur als een oog eigenlijk wel voorstelbaar? Waarom waren missing links in het fossiel archief zo zeldzaam, terwijl het er boordevol mee zou moeten zitten?

Darwin had geleerd van een misstap die hij in zijn jeugdige overmoed had begaan en was uiterst voorzichtig geworden. Ooit vertelde hij aan professor Sedgwick, die hem de beginselen van de geologie bijbracht, dat een werkman een tropische schelp in het midden van Engeland had gevonden. Het had Darwin destijds verbaasd dat deze vondst Sedgwick niet opwond, totdat Sedgwick hem had uitgelegd dat alles wat er bekend was over de geologie in dit gebied zou moeten worden herzien wanneer die schelp daar werkelijk was afgezet. Er was geen enkele aanwijzing dat op die plek tropische soorten hadden geleefd. Zonder twijfel had iemand die schelp weggegooid. Zo leerde Darwin dat er meer nodig was dan een weggegooide schelp om gevestigde wetenschappelijke theorieën te verwerpen.

Wat Darwin niet noemt in zijn beknopte autobiografie zijn de reacties op een populair-wetenschappelijk boek, Vestiges of the Natural History of Creation, waarin ook een evolutietheorie werd gebracht. Het boek was geschreven door een intelligente journalist en werd in 1844 anoniem gepubliceerd. Het sloeg in als een bom, maar uitgerekend de geoloog Sedgwick boorde het genadeloos de grond in. Darwin trok zich de kritiek persoonlijk aan en werd panisch bij het vooruitzicht zijn eigen theorie te moeten publiceren.

Zouden zijn talloze kwalen uit die angsten zijn voortgekomen? De hedendaagse leek denkt aan een combinatie van m.e., burn-out verschijnselen, jungleziekte en sociofobie, maar wie weet was het de angst voor de kritiek van Sedgwick en de zijnen, die hem nekte. Naar het antwoord hierop heb ik in de autobiografie tevergeefs gezocht. Wel beschrijft Darwin uitvoerig zijn uitputtingsverschijnselen en ingewandsstoornissen. Hij was op den duur zelfs niet meer in staat tot het onderhouden van sociale contacten.

Het gezin verhuisde in 1842 naar Down waar hij tot het einde van zijn leven een teruggetrokken bestaan leidde.

De grootste slag in zijn leven was zonder twijfel het verlies van zijn geliefde dochtertje Anne, dat op tienjarige leeftijd stierf. Aan de Nederlandse versie van de autobiografie is behalve een enigszins lachwekkende opsomming van de voor- en nadelen van het huwelijk, een ontroerend in memoriam toegevoegd dat hij kort na haar dood schreef. Na lezing van deze autobiografie was ik er weer van overtuigd dat Darwin wel degelijk deugt, al was hij minder naïef dan ik veronderstelde. Zijn foto hangt er voorlopig weer rustig bij.

Charles Darwin: De autobiografie van Charles Darwin. De oorspronkelijke versie. Vertaald door Fieke Lakmaker.

Nieuwezijds, 158 blz. ƒ39,90