De dikke uit de Breestraat

Het is winter. Buiten sneeuwt het. Ik ben een jaar of twaalf en zit bij de kachel te lezen, terwijl moeder aardappels aan het schillen is. Op de kachel staat de waterketel zacht te zingen. Plons, plons gaan de aardappels in de grote pan met water. Moet ik niet naar school? Ik zal wel gezegd hebben dat ik buikpijn heb en morgen zal ik van moeder voor meester een briefje meekrijgen dat ik niet lekker was. Plons, plons. Zo zou ik nu wel altijd willen zitten, met buiten de sneeuw en zo dicht bij moeder bij de warme kachel met mijn boek.

Titus de zoon van Rembrandt heet het. Voor staat een plaatje van Titus met een monnikskap over zijn hoofd en binnenin nog een terwijl hij, net als ik, aan het lezen is. 't Is net een meisje met dat lange haar, maar ja, dat was toen mode, net als die fluwelen baret en die rare kanten kraag aan zijn mouw; stel je voor dat ik er zo zou bijlopen. Het boek is heel mooi. Mooi omdat het zo droevig is, daarom lees ik het ook langzaam, dan heb je er meer aan, dan doe je langer met je boek.

Als ik kom bij de passage waar zijn vader hem stervende aantreft en zich niet bekommert om het gevaar dat hij loopt door zijn eigen kind met de pest te worden besmet, maar bij hem blijft zitten en zijn koortsige handen vasthoudt om hem uiteindelijk de ogen voor altijd te sluiten, lopen er natuurlijk twee dikke parmantige tranen over mijn wangen. Arme Titus, hartstikke dood. Nog maar zevenentwintig.

Moeder is klaar met aardappelen schillen. Als ze ziet hoe ik de tranen uit mijn ogen wrijf, glimlacht ze, `t zal wel een mooi boek zijn als je er zo lekker om kunt huilen.

Mijn vaders broer was een roomse kruiswegstatieschilder in Limburg. Een gedegen vakman, die had niet voor niks op de Antwerpse Kunstacademie gezeten. Ondanks zijn vergevorderde reuma bleef hij tot op zijn sterfbed doorschilderen, weliswaar een beetje aan de onvaste kant, maar wat wil je ook beginnen met een kwast die ze tussen de verkromde vingers van je linkerhand hebben gestoken terwijl je rechtshandig bent.

Thuis hadden we een paneeltje van hem. Een zelfportret met een flambard op zijn Limburgse artiestenkop en een zwierige, rode sjaal over zijn schouders. Vader wees ons als kinderen op de schoonheid van wat hij als een absoluut meesterwerk betitelde. Het ging om de stofuitdrukking en om het clair-obscur. `Als ik niet beter wist zou ik zo zeggen dat het een Rembrandt was, mijn broer deed echt voor Rembrandt niet onder, moet je die lichtval zien, hoe dat voorhoofd geborsteld is. Een meesterwerkje, dat doe ik voor geen goud de deur uit.'

Mijn eerste echte Rembrandt zag ik in mijn lagere-schooltijd toen meester ons meenam naar het Groninger Museum. Tussen al de grote schilderijen in protsige lijsten hing een portretje van een meisje met blond haar in een strak lijfje met pareltjes in haar oren. Rembrandt had het geschilderd. Dat meisje keek je zo aan zodat het leek, ook al stonden we met zijn tienen naar haar te kijken, dat ze speciaal naar jou keek. Als je heen en weer liep bleef ze je aankijken.

Meester vertelde dat Rembrandt de allergrootste schilder was die ooit geleefd had en dat wij als Nederlandse kinderen blij en vooral dankbaar moesten zijn dat wij zo'n wereldberoemde kunstenaar als landgenoot in ons midden hadden. Waar een klein land groot in kon zijn. Ik zei dat wij thuis ook een echte Rembrandt bezaten die mijn oom had geschilderd. De kinderen lachten mij allemaal uit, maar meester was aardig. Hij streek over mijn hoofd en zei dat we er heel zuinig op moesten zijn.

's Nachts droomde ik van het meisje en nog geen week later stapte ik helemaal alleen naar het museum om naar haar te kijken, maar ze lieten me er niet in omdat ik geen 75 cent entreegeld had.

Toen ik eenmaal groot was ging ik weer op zoek naar mijn Rembrandt. Er stond onder het portretje dat het was toegeschreven aan... Ik fluisterde haar toe dat ik nog net zo veel van haar hield als toen ze nog niet was toegeschreven. Rembrandt of geen Rembrandt.

Peter Vos noemt mijn buurman Rembrandt de Dikke uit de Breestraat. Op zijn zelfportretten zie je hem in gewicht toenemen. Zelfs toen hij insolvent werd verklaard en de boel bij hem openbaar werd verkocht, zag hij er goed doorvoed uit.

Zoals bij elke rechtgeaarde kunstartiest, kwam bij mij ook een keer een belastingambtenaar om in Naam der Koningin beslag te leggen op mijn have en goed, zoals dat indertijd bij Rembrandt was gebeurd.

Alle maten. Alle data en titels. Honderden tekeningen dienden niet alleen geteld, maar ook te worden gemeten.

Ambtenaar: `Ik zelf geef niks om kunst. Ik ben nog nooit in een museum geweest. Mijn vrouw niet en mijn kinderen al helemaal niet.' Ik vroeg met een uitgestreken gezicht of hij voordat hij bij mij aanbelde misschien bij mijn buurman de boel had opgeschreven. Hij begreep niet wie ik bedoelde.

`Rembrandt', zei ik schalks.

`Ik ben hier om mijn plicht te doen en niet om flauwe grappen aan te moeten horen. Die man kon er echt wat van. Die hangt niet voor niets in het Rijksmuseum. Als ik vanavond met zo'n ding van u zou thuiskomen zou mijn vrouw het nog niet eens op het balkon zetten. Het kwam de deur niet eens in. Nu ik ze allemaal bij elkaar heb gezien, kan ik me heel goed voorstellen waarom u in de belastingproblemen zit.'