`Aristofanes maakt het bont'

Wie weet duiken uit het woestijnzand nog eens onbekende papyrusrollen op, maar vooralsnog hebben we `een magere oogst' aan klassieke teksten, aldus classicus Hein van Dolen. Gelukkig is het beschikbare materiaal verrassend veelzijdig.

Het Erotisch woordenboek en het Bargoens woordenboek zijn niet de eerste naslagwerken die we verwachten aan te treffen op de werktafel van een vertaler uit de klassieke oudheid. Evenmin nemen we van een classicus aan dat hij op de Amsterdamse volksmarkt de Albert Cuyp of in een van de belendende cafés inspiratie opdoet en zijn oor te luisteren legt. Vertaler Hein L. van Dolen (Amsterdam, 1941) staat ver af van de vermeende verhevenheid van de antieke literatuur. Als vertaler van de komedieschrijver Aristofanes (geboren omstreeks 445 voor Christus) moet hij een oneindige woordenschat bezitten in het scabreuze, platvloerse en laag-bij-de-grondse genre. Tientallen synoniemen moet hij bedenken of opzoeken voor schuttingwoorden. Dubbelzinnigheden ontdekken. Toespelingen ontmaskeren en ze in even smeuïg en sappig Nederlands weergeven als in de taal van tweeënhalf millennium geleden.

Seksuele knipoog

``Als rechtgeaard Amsterdammer ben ik heus niet snel van de wijs gebracht'', zegt Van Dolen. ``Maar Aristofanes maakt het vaak bont. Ik las zijn komedies voor het eerst tijdens mijn studiejaren Grieks en Latijn aan de Universiteit van Amsterdam. Aanvankelijk lees je eroverheen, of ben je niet zo alert. Na verloop van tijd merk je dat bijna elke regel een seksuele knipoog bevat of een obscene insinuatie. De komediedichter deinsde niet terug voor grofheden van de ergste soort. Als satiricus van zijn tijd had hij het vooral gemunt op de machtige Kleon, een gehaat staatsman die, volgens Aristofanes, het slechtste voor had met de Atheners. Het was in die tijd gebruikelijk bij komedies dat de vooraanstaande burgers, zoals ook Kleon, vooraan zaten op erezetels. Nu, dit schrijft Aristofanes over hem in zijn ongemeen fel blijspel Wespen: `Ja, hij spuugt ook, wanneer hij zijn mond opendoet,/ als een bergstroom die dood en verderf zaait,/ en hij meurt uit zijn bek als een zeehond, zijn reet/ lijkt wel op een kameel en zijn kloten,/ zijn smerig en goor als de kut van een heks.'''

Ontluisterende woorden, die vloeken met de beschaafde sfeer in het huis aan de stille straat in Amsterdam-Zuid. Scheldpartijen loslaten op vooraanstaanden, hen hekelen in de kleine vijftig blijspelen die hij schreef, was een geliefde bezigheid voor Aristofanes. Echte komedies zijn stukken van hem als Wolken, Kikkers, Vogels, Wespen, Vrouwenpolitiek of het bekende Lysistrata dan ook niet. Van Dolen: ``De aanduiding `komedie', hoewel afkomstig uit het Grieks, is eigenlijk misleidend. Ik denk eerder aan politiek cabaret of revue. Er werd gezongen en gedanst, het was spektakel, het publiek gooide met noten of vijgen,trommelde op de houten banken. De satire zoals Aristofanes die beoefende was een geaccepteerd onderdeel van de Atheense democratie. In de gehele oudheid kwam je tegen dat schrijvers hierin een uitlaatklep zochten. Aristofanes was beslist geen actief politiek figuur. Dat zou ook niet kunnen, dan werd hij voor het gerecht gedaagd. Juist de omweg van satire maakt dat hij zijn kritiek op de politici kon spuien.''

Behalve vertaler van Aristofanes trad Van Dolen naar voren als essayist in de zeer inspirerende studie De Griekse komedie, als detective-schrijver met Een moord in Triëst over de doodslag op de achttiende-eeuwse archeoloogen kunstfilosoof Winckelmann. Bovendien vertaalde hij de Historiën van Herodotus en stelde hij het boek samen Post uit Athene. Brieven van, aan en over hoeren, klaplopers, vissers en boeren. Zijn onderzoek naar de komedie kon plaatsvinden dankzij de gelukkige omstandigheid dat een kwart van de blijspelen van Aristofanes bewaard is gebleven, elf in totaal. Duizenden blijspelen door anderen moeten verloren zijn gegaan. Van Dolen: ``Het is, uiteindelijk, een schrale oogst waarover wij kunnen beschikken. Dat Aristofanes behouden werd, heeft verschillende oorzaken, die sluitend in elkaar grijpen. Allereerst werd zijn taal meteen al mooi bevonden. Hierdoor werd hij op scholen onderwezen. Rond het jaar 300 voor Christus kwam er een stroming op gang onder de geleerden die zich concentreerden op Aristofanes' stijl en beeldspraak. Men schepte er behagen in om te schrijven zoals hij dat deed. Dit gebeurde in de bibliotheken van Alexandrië, in Athene en het Pergamon. Zo kwam hij terecht in de canon en veel later gingen de monniken hem kopiëren.''

``Het vertalen van Aristofanes stelt me voor grote problemen. Als vertaler ga ik ervan uit dat ik het werk geschikt wil maken voor opvoering. Een omzetting kun je ook in het Engels of Duits lezen, maar ik wil het zo levendig maken alsof de woorden in deze tijd uit de mond van de sprekers gevloeid zijn. Een van de grootste dilemma's waar ik uit moest zien te komen, heeft te maken met de talloze verwijzingen naar eertijds levende politieke figuren. Het zegt de lezer of toeschouwer niets als je die met hun eigen naam noemt. Het heeft evenmin veel zin om daar Kok of Peper voor in de plaats te stellen, want over tien jaar zijn ook zij vergeten. Ik heb Aristofanes weleens vergeleken met Wim Kan. Ongelooflijk hoe gedateerd diens humor nu is. Weinig mensen weten nog over wie het gaat. Ik heb ervoor gekozen om een enkeling, als de gewraakte Kleon, wel met hun naam van toen vertegenwoordigd te laten zijn en anderen als een type aanduiden.''

``Het andere probleem is de kunsttaal die Aristofanes voor zijn liederen kan bezigen. Het wordt vaak vergeten dat de lyriek van de Griekse toneelstukken, inclusief die van de blijspelen, in een poëtische kunsttaal is geschreven. Aristofanes grijpt daarbij terug op een taal die enkele eeuwen vóór hem werd gebezigd. Maar ik kan niet het Nederlands van Brederode uit Moortje of De Spaansche Brabander gaan gebruiken. Dat begrijpt alleen een kleine elite. Op de Albert Cuyp verstaan ze daar niets van. Dus ik vertaal binnen het spanningsveld tussen het platvloerse en het poëtische. De liederen in zijn blijspelen laat ik rijmen, hoewel de Grieken helemaal nooit rijmden. Ik doe dat om de poëzie aan de taal terug te geven. Ik ben er een tegenstander van om de gezongen gedeeltes van het Grieks toneel te vlak te vertalen. Het moet op de een of andere manier als poëzie herkenbaar blijven.''

In zijn onderzoek naar de Griekse komedie ontdekte Van Dolen dat de stukken slechts voor één opvoering waren geschreven, iets wat in de hedendaagse toneelpraktijk ondenkbaar is: ``De tragedieschrijvers en de blijspeldichters deden mee aan een concours. In Athene werd tweemaal per jaar, in januari en eind maart, een wedstrijd in toneelstukken georganiseerd. Een jury bepaalde wie de prijs won. Er was geduchte concurrentie. Aristofanes hoont regelmatig andere blijspeldichters die hun publiek tracteren om in goede gunst te komen. Die voorstellingen waren verschrikkelijk duur en drukten zwaar op de staatskas. Ga maar na, alle acteurs droegen maskers. Mannen speelden vrouwenrollen met maskers op. Soms moest zo'n vrouw dan weer een man spelen, dus weer een masker. Of de kikkermaskers die nodig waren voor de Kikkers; wespenmaskers voor de Wespen.

Malloot

``Jarenlang ben ik elke dag met Aristofanes' woorden, komma's, dubbelzinnigheden in de weer geweest. Hij is een deel van mezelf geworden. Maar ik zou hem niet graag ontmoeten, Herodotus daarentegen wel. Aristofanes zou me onzeker maken, ik zou hem vrezen. Je weet nooit hoe het terugkomt op de planken. We hebben fijn zitten dineren, en dan? Het verhaal is bekend dat hij op goede voet stond met Socrates en Plato gaf hem zelfs een mooie plaats in het Symposion. Toch moest Socrates uit een van zijn blijspelen vernemen dat Aristofanes hem maar een `malloot' vond. Desalniettemin schittert hij voor mij in zijn taal. Het Atheense volk was een `hoorvolk', het luisterde naar de voorstellingen. Het feit dat hij na zijn dood eeuwenlang werd gelezen betekent dat de Grieken geen genoeg van hem konden krijgen. Die elf teksten zijn als door een godswonder gespaard gebleven.''

``Het kan altijd zo zijn dat het droge woestijnzand nog veel meer herbergt, of dat een papyrusrol waarop hij schreef gebruikt is om een mummie te omwikkelen. Dat zou prachtig zijn. De klassieke literatuur zou dan weer rijker zijn geworden. Want eigenlijk tasten we over zoveel zaken nog in het duister. Kreeg de winnende schrijver bijvoorbeeld een beloning? Dat weten we niet. Wel is zeker dat Aristofanes elke dag in het gemeentehuis een gratis maaltijd kreeg. Over zijn persoonlijke leven is vrijwel niets bekend. In die tijd telde dat niet, de aandacht voor de persoon kwam pas veel later. De dialoog in het klassieke toneel ontstond uit de samenspraak tussen een speler en het koor. Degene die antwoordde, heette de `hypokrites', de antwoordman. Daar komt ons woord huichelaar vandaan. De toneelspeler als antwoordman, ik vind dat een mooi beeld.''

Hein L. van Dolen: De Griekse komedie. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 171 blz. ƒ32,95; Aristofanes: Cavalerie, Vrede. Vertaling Hein L. van Dolen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 712 blz. ƒ59,95; Hein L. van Dolen: Moord in Triëst. Ambo, 96 blz. ƒ24,90; Alkfiron: Post uit Athene. Vertaald en toegelicht door Hein L. van Dolen. Ambo, 135 blz. ƒ24,90