Americana - een introductiecursus

`Americana' is een muzieksoort die, die, – nu ja het is een muzieksoort. Ergens tussen country en rock-'n-roll. En het is te horen,morgen, in Vredenburg.

,,I have not the faintest'', mompelde een Amerikaanse collega toen ik hem de vraag voorlegde hoe hij het begrip Americana in de muziek zou omschrijven. ,,Je bedoelt muziek over ouwe Chevy's en jukeboxen en Route 66?'' Nee, dat bedoelde ik niet. Hij kaatste de vraag terug, iets waar ik niet blij mee was.

,,Het is het soort muziek waar het blad No Depression over schrijft'', probeerde ik.

,,En waar schrijft No Depression dan over?''

,,Over Americana.''

Mijn collega keek me aan. ,,Het is het soort muziek dat op de Gavin Charts te vinden is'', probeerde ik verder.

,,En wat staat daar dan op?''

,,Eh, nou, Ame....'' Ik durfde mijn antwoord niet af te maken. We waren geen stap dichterbij gekomen.

Het is ook niet eenvoudig tot een duidelijker omschrijving te komen. De aanleiding om toch een poging te doen is het Blue Highways Festival dat morgen in Utrecht gehouden wordt, en dat zich nadrukkelijk als een Americana-festival afficheert. Of het dat ook is weet ik niet zo zeker, maar dan: er is maar weinig zeker als je je binnen de vage contouren van dit begrip begeeft.

Laat ik eens een paar pogingen doen. Americana: dat is iedereen die wel eens een Hank Williams-nummer heeft gecoverd. Hmmm. Hank Williams' status als een van de godfathers van het genre is onbetwist, maar als we het over covers hebben dan hoort daar ook een heel spectrum aan onbetwistbaar foute muzikanten bij die u en ik liever niet willen horen.

Volgende poging: Americana is het totaal van platen waar Jerry Douglas op meespeelt. Ook niet helemaal in orde: deze dobro- en gitaarspeler is weliswaar met wat hij heeft vastgelegd zo ongeveer de menselijke muzikantenstatus ontstegen, maar door het binnen deze hoek te definiëren blijven we wel erg de nadruk op het blue-grass genre leggen.

Laat ik een volgende poging wagen: Americana is muziek waar geen zwarte aan te pas komt. Oei, die formulering ontglipt me zomaar, en hij is dan ook evenmin correct. Weliswaar is Americana voor 98 procent blanke muziek, maar dat wil niet zeggen dat alles wat blank is ook Americana is.

Een laatste poging: Americana is alles dat op onafhankelijke platenlabels in het zuiden van de VS en universiteitssteden in de rest van het land wordt uitgebracht. Alweer: aardig geprobeerd, maar we zouden er naast veel moois een hoeveelheid onzin mee binnenhalen die het beluisteren niet waard is.

Top 40

U merkt het aan mijn omhaal van woorden. Ik heb het er niet makkelijk mee, en daarin ben ik niet de enige. Formeel gesproken ligt de zaak eenvoudiger: het copyright op de term Americana ligt bij de firma Gavin, die onder die naam een eigen top-40, web-site en radio-format exploiteert waar ten minste enkele tientallen Amerikaanse radiostations gebruik van maken. `Too country for country radio?!?!...too twangy for rock? It might be AMERICANA' adverteert het bedrijf en wie hun top-40 bekijkt komt in elk geval wel iets meer in de richting dan ik, met mijn voorgaande pogingen. We vinden daar een aantal beslist aardige platen als de nieuwe van Dolly Parton, Guy Clark en zowaar Steve Forbert en zelfs Phil Lee, een Nashville – studiomuzikant die zojuist een verrassende, veelzijdige debuut-cd uitbracht.

Maar wie de playlists nader bekijkt van de stations die de Gavin-charts hanteren moet haast wel ontdekken dat ze veel meer op c&w georiënteerd zijn dan deze top-40 doet vermoeden: zo zou ik de Woodys, The Mavericks en Heather Myles wel toelaten tot het hoofdstuk `frisse country', maar nimmer tot Americana.

Een misschien iets meer afgebakend idee kan de inhoud van het tweemaandelijke tijdschrift No Depression bieden. Dit in 1995 door Peter Blackstock en Grant Alden gelanceerde blad poneerde in zijn eerste nummer de stelling dat `er wel degelijk zoiets is als alternatieve country-muziek'. Dat nu, was voor de kenners geen nieuws. Zangers die problemen hadden met de strikt zakelijke, lopende-band mentaliteit van Nashville zijn er altijd geweest, te beginnen met Hank Williams zelf. In de jaren zeventig was er al een rebelse stroming binnen het genre met intussen gekalmeerde zangers als Willie Nelson, Waylon Jennings en David Allan Coe. Die laatste wist ooit met succes het muzikale establishment in Nashville te shockeren met liedjes als: If that ain't country – I'll kiss your ass.

Sindsdien zijn er generaties van muzikanten opgekomen die het erfgoed van de beste muziek uit deze stroming wisten te combineren met elementen uit de contemporaine rock-'n-roll en vooral met persoonlijke expressie. Er loopt een lange, maar duidelijke lijn van Gram Parsons (ook een van de Godfathers) via de Long Ryders en Green on Red uit de jaren tachtig, naar bands als de Jayhawks en Uncle Tupelo. Het is veelzeggend dat No Depression zijn naam ontleent aan de uit 1993 daterende debuut-cd van deze laatste band, maar minstens even veelzeggend is het dat die naam ook weer de titel is van een liedje van the Carter Family uit de jaren dertig: `No Depression in Heaven'.

Muzikaal-historisch bewustzijn is misschien wat deze muzikanten het duidelijkst gemeen hebben; beste bewijs daarvoor vormt bijvoorbeeld het project van Uncle Tupelo zanger Jeff Tweedy, die vorig jaar samen met de onschatbaar sympathieke Britse Billy Bragg het onuitgegeven repertoire van Woody Guthrie aan de vergetelheid ontrukte.

Toen het blad No Depression alternatieven voor de term Americana probeerde te verzinnen kwam men op termen als `Grand Young Opry', `y'allternative' en `twangcore', termen die op geen enkele manier vertaalbaar zijn maar wel iets uitdrukken van de rebelse houding die de muzikanten aannemen tegenover de schlock die Nashville nu al decennia op ons loslaat. Wat dat betreft is het beste uitgangspunt een statement van Steve Earle: ,,Als Garth Brooks een country-artiest is dan hoop ik bij God dat ik er geen ben.'' Je zou het als de rebel-yell van de Americana kunnen beschouwen. Garth Brooks wordt, met zijn antiseptische hoed, zijn nietszeggende hoofd en vooral zijn lopende band-productie gezien als het toonbeeld van alles wat er mis is met Nashville en country&western:onechtheid, standaard-sentimentaliteit, het primaat van de dollar.

Wel, zijn uitspraak klopt inmiddels: men zou Earle na zijn rehabilitatie (hij was jarenlang een wanhopige junkie die de goten en kraakpanden van Nashville beter kent dan wie dan ook) misschien wel de enige levende Godfather van de Americana kunnen noemen, al zal hij daar zelf wel weer niks mee te maken willen hebben.

kruisbestuiving

Curieus genoeg is het mede dit soort reacties dat bij Garth Brooks (een zanger die voor een miljardenverkoop garant staat) tot iets als een identiteitscrisis heeft geleid. Niet alleen bracht hij de laatste jaren onverantwoordelijk veel tijd zoet met pogingen om met de Major League Baseball jongens mee te mogen spelen, maar ook verstopte hij zich achter het pseudoniem Chris Gaines om te laten zien dat hij ook wel degelijk andere muziek kan maken (best een leuke plaat overigens).

Als gezegd: de geschiedenis van de tegenbewegingen binnen het country&western genre is lang. De eerste kruisbestuiving kwam met de toetreding van Gram Parsons tot de Byrds en daarna zijn formatie van de Flying Burrito Brothers. Sindsdien zijn er in de jaren '80 en '90 verschillende, dikwijls lokaal georiënteerde bewegingen geweest waarbij elementen van rock en punk in de muziek werden geïncorporeerd, variërend van Jason & the Scorchers tot Wilco, van de Jayhawks tot BR 549. Al deze stromingen hebben elkaar beïnvloed, bouwen op elkaars inbreng voort, absorberen weer elementen van verwante, en volgende genres. Was het vroeger een genre dat zich beperkte tot het zuiden, tegenwoordig is, curieus genoeg, niet alleen Austin, Texas meer een broeinest van dit soort muzikanten en de bijbehorende kleine labels maar ook Seattle, Minneapolis, Raleigh (North Carolina) en vooral Chicago, waar de insurgent country van Bloodshot maar ook de wat artistiekere Americana van het Checkered Past label vandaan komt. Toen een zanger als Robbie Fulks voor Bloodshot het liedje `Fuck this town' opnam (`fuck it in the end, fuck it up and down') wist iedereen dat hij het over Nashville had.

Zo zijn we, via een aantal omtrekkende bewegingen, toch wel dichter bij een afbakening van de term gekomen. Wie de (zeer subjectieve) hitlijsten van No Depression bekijkt vindt een grote hoeveelheid namen die over het algemeen nauwelijks bekend zullen zijn, maar die wel een genre vertegenwoordigen dat op de grens ligt van de country&western en het singer/songwriter fenomeen. Met andere woorden: muziek die oer-Amerikaanse thema's op een persoonlijke wijze behandelt binnen een genre dat traditionele elementen in zich herbergt.

Maar denk niet dat we er met hierboven geformuleerde omtrekkende bewegingen zijn. De No Depression top 101 bevat als enige zwarte muzikant Chuck Berry, waar ik geen moeite mee heb, maar ook een Engelse plaat (van de Rolling Stones, wat volgens mij onzin is) en wordt aangevoerd door iemand die ik als puur historische country beschouw: Roy Acuff.

Dolgedraaid

Met dat laatste bezwaar komen we misschien op een van de nauwkeurigste, negatieve benaderingen van het begrip: Americana kan nooit een puur genre zijn als c&w, rock, punk, rockabilly of blue-grass. Het moet een mix zijn van al dat mooie dat Amerika de laatste halve eeuw heeft geboden. Dat is in een shaker gegooid en heeft zichzelf soms dolgedraaid, en is na diverse omzwervingen langs de blue highways van het land tot stand gekomen. Het houdt in dat het ook een contemporaine mix moet zijn, een ander argument om Roy Acuff, maar ook andere vertegenwoordigers van pure genres als zydeco, gospel, en rhythm&blues buiten te sluiten. Zonder een kwaad woord over hun kwaliteiten, overigens.

Is Americana daarmee een generatie-genre? Lijkt me wel, al is men zich meer dan bewust van zijn wortels en eert men de peetvaders van het genre. Maar het maakt wel de interessante discussie los of (om maar eens wat te noemen) The Band en Bruce Springsteen nu tot die peetvaders of tot het genre zelf gerekend moeten worden. De discussie is eindeloos en leidt – ik waarschuw maar – tot doorwaakte nachten. Hoort Los Lobos er nu bij? John Fogerty? Wijlen Doug Sahm?

Zoals ik al direct suggereerde is het een begrip dat buiten Amerika meer zeggingskracht lijkt te hebben dan in het land zelf. Het blad No Depression haalt met moeite een oplage van 10.000, en veel van de zangers en zangeressen die tot het genre gerekend kunnen worden, worden tegenwoordig op Duitse of Nederlandse labels uitgebracht. Een prachtige zanger als John Prine wordt in zijn land pas weer erkend nu hij een cd met klassieke country-duetten heeft uitgebracht.

Ik besef dat ik de niet-kenners met bovenstaande woorden nauwelijks verder heb geholpen. Daarom raad ik u aan als introductiecursus naar de volgende tien cd's te luisteren, die allemaal voortbouwen op de oeroude thema's van de Amerikaanse populaire muziek en waarin het wiel, godzijdank, telkens opnieuw weer wordt uitgevonden:

Buddy Miller, Poison Love

Fred Eaglesmith, Lipstick, Lies & Gasoline

Steve Earle, El Corazon

Billy Bragg & Wilco, Mermaid Avenue

Gillian Welch, Revival

The Gourds, Dem's Good Beeble

Slobberbone, Barrel Chested

Robbie Fulks, South Mouth

The Bottle Rockets, Leftovers

Jimmy LaFave, Highway Trance

met als toegift The Old Joe CLarks, Town of ten.

Maar ik ga het nog moeilijker maken. Als u al het bovenstaande heeft beluisterd en denkt te begrijpen waar ik het over heb, wordt de volgende vraag interessant: waarom is de prachtige, integere plaat waarop Dr. John het werk van Duke Ellington interpreteert geen Americana? Om alle van de bovengenoemde redenen, dat is duidelijk. En toch zou ik grote moeite hebben in een debat hierover mijn poot stijf te houden. Het is immers een plaat die met respect voortbouwt op het beste dat de Amerikaanse muziektraditie te bieden heeft. Waarmee veel van het bovenstaande onderuit wordt gehaald.