Al het goede is lichtvoetig

Friedrich Nietzsche vond Bizets opera `Carmen' soepel en volmaakt. Sommige muziekliefhebbers zagen in dit oordeel een voorbode van zijn naderende krankzinnigheid.

`Ik hoorde gisteren – wilt u me geloven? – voor de twintigste keer Bizets meesterwerk. Ik bleef alweer zitten, een en al serene concentratie; ik liep alweer niet weg. Deze zege over mijn ongedurigheid verbaast me. Hoezeer een dergelijk werk iemand tot een beter mens maakt! Men wordt daarbij zelf tot een meesterwerk.' De opera Carmen had op Friedrich Nietzsche (1844-1900) een louterende werking. Avond na avond bezocht de filosoof in mei 1888 het theater in Turijn om zich te laven aan de zoete klanken van de Habanera en het schouwspel van de tragische, onmogelijke liefde tussen de zigeunerin en de legersergeant Don José. Carmen fungeerde voor Nietzsche als een ontwenningskuur voor de muziek van Richard Wagner (1813-1883). Zijn gehoor moest gepurgeerd worden, verlost van de poliep in de muziek, de oneindige melodie. `Met dit werk neemt men afscheid van het klamme noorden, van alle waterdamp van het wagneriaanse ideaal. Deze muziek lijkt me volmaakt. Ze komt lichtvoetig en soepel aanlopen, een en al hoffelijkheid. Ze is beminnelijk, ze zweet niet. Het goede is lichtvoetig, al het goddelijke loopt op tere voetjes.'

Carmen, twintig keer achter elkaar? Het lijkt een experiment dat niet bevorderlijk is voor het tandglazuur. Een overdosis van wuft wapperende waaiers, van castagnettegekletter en blinkend kruisende degens. Zorro, de geur van Maya-zeepjes, een roos tussen de tanden en een orchidee in het haar. Hoe kwam Nietzsche daar in Turijn in hemelsnaam in een repetitieve trance verzeild? Wat had Carmen dat Brünnhilde niet had? De onnavolgbaar besnorde denker die God had doodverklaard, werd in vervoering gebracht door de betraande wang van het zigeunerjongetje naast de schemerlamp boven het dressoir. Tapte hij met zijn voet mee op de maat van het `Les Voici', of was dat in die dagen nog onwelvoeglijk in het uitgaansleven? Wellicht trommelde hij het marsritme met zijn vingers op de stoelleuning, dat verhoudt zich ook beter met zijn verontruste, wat argwanende blik. Om te ontwagneren, zou The Sound of Music voor Nietzsche natuurlijk de ultieme remedie zijn geweest, maar dat kwam pas veel later. Hij was in elk geval dringend aan een ontwagneringskuur toe: `Is Wagner überhaupt een mens? Is hij niet eerder een ziekte? Hij maakt alles wat hij aanraakt ziek. Wagner heeft het effect van overmatig alcoholgebruik. Hij stompt af, hij ontregelt het maagslijm.'

In zijn in september 1888 verschenen pamflet Der Fall Wagner schreef hij, geholpen door de euforie die Carmen in hem teweeg had gebracht, alle opgekropte wrok en aversie van zich af. Wagner had de muziek beroofd van haar instinct en wereldverheerlijkende karakter. Het was de muziek van de décadence, niet afkomstig van de fluit van Dionysos. Wagner was eigenlijk geen musicus, maar een toneelspeler. Hij had de muziek ondergeschiktgemaakt, een middel ter versterking van het theatrale effect. Net als de spectaculaire decors en vuurspuwende draken diende zij slechts één doel: het overweldigen. Wagner was `de grote verleider'.

Een afkeer die zo diep zit, wordt meestal voorafgegaan door bewondering en vriendschap. In een brief uit 1869: `Richard Wagner is het grootste genie en de grootste mens van onze tijd.' En: `In hem heerst een zo onvoorwaardelijke idealiteit, een zulk intense en roerende menselijkheid, een zulk verheven levensernst, dat ik mij in zijn nabijheid voel als in de nabijheid van het goddelijke.' In zijn eerste boek, Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (1872), betoogt Nietzsche dat de vergeten idealen van de Griekse oudheid in de muziek van Richard Wagner tot nieuw leven worden gewekt. Wagner was hier verguld mee: `Nog nooit heb ik een mooier boek gelezen dan het uwe. Ik zei tegen Cosima dat u meteen na haar komt, en dan heel lang niemand.'

Obsceen

Een obsceen libretto. Kleurloze, groezelige en karakterloze muziek. De kritieken na de Parijse première van Carmen in maart 1875 logen er niet om. Het koor was oververmoeid geraakt door het vele repeteren, de muzikanten waren onderbetaald en de zangers werden nukkig. Georges Bizet, parisien van geboorte, zou een paar maanden na het debacle overlijden, verbitterd en 36 jaar oud. De voortekenen waren zo gunstig geweest. Bizet had met zijn Les Pêcheurs de Perles (1863) en L'Arlésienne (1872) al enige naam gemaakt. Librettist Ludovic Halévy, die samen met Henri Meilhac de bewerking van Mérimée's novelle vervaardigde, had al meegewerkt aan Jacques Offenbachs Orphée aux Enfers. Hieruit stamt de roemruchte Cancan, met de benen in de lucht, die de Parijse harten in 1874 sneller deed kloppen. Alles leek in stelling gebracht voor een nieuwe hit in de Opéra Comique. Maar het enthousiasme van het premièrepubliek taande naarmate de voorstelling vorderde. De laatste akte werd met een ijzige stilte ontvangen. Een nieuwe productie van Carmen die herfst in Wenen maakte Bizet niet meer mee. Zijn vriend Ernst Guiraud had de partituur opgelapt en gecorrigeerd. De gesproken dialogen werden vervangen door recitatieven en hij voegde balletten toe, samengesteld uit oudere stukken van Bizet. Julius Hopp maakte een pakkende Duitse vertaling. Vanuit Wenen veroverde het stuk de wereld stormenderhand, zij het lange tijd in de Duitse versie. Nog altijd is Carmen onbedreigd in haar status van meest uitgevoerde opera. Bizet zelf werd tijdens zijn leven voornamelijk met onverschilligheid tegemoet getreden. Zijn sprankelende Symfonie in C dateert uit 1855, maar werd pas in 1935 voor het eerst uitgevoerd.

Nietzsche en Wagner ontmoetten elkaar voor het eerst op 8 november 1868 in het huis van oriëntalist Hermann Brockhaus te Leipzig. Het ideeëngoed van Schopenhauer vormde hun gemeenschappelijke fascinatie. De ontmoeting was voor beiden een godsgeschenk. Nietzsche had enige dagen ervoor de ouvertures van de Tristan en de Meistersinger voor het eerst gehoord en zich terstond tot het wagnerisme bekeerd. Hij was ervan overtuigd geraakt dat alleen Wagner het versufte Duitsland nieuw leven in zou kunnen blazen en voor een culturele omwenteling kon zorgen. Wagner zag op zijn beurt heel goed in hoe hij zijn denkbeelden een wetenschappelijk cachet kon geven. In universitaire kringen werd hij niet serieus genomen, maar Nietzsche was immers buitengewoon hoogleraar in de klassieke filologie aan de universiteit van Basel. Binnen de kortste keren was Nietzsche kind aan huis bij Wagner. Ze vulden elkaar naadloos aan, de beroepscomponist annex amateurfilosoof en de beroepsfilosoof annex amateurcomponist. Van Nietzsches muziek is niet veel bewaard gebleven. Hij maakte aan het einde van het jaar altijd een kritisch overzicht van zijn werken en vernietigde wat hem niet beviel. Verder ging veel in de Tweede Wereldoorlog verloren. Wat rest heeft voornamelijk curiositeitswaarde. Het is vaak een wat bleekneuzerige romantiek, in een vrij traditioneel idioom. Veelal voor piano, soms met viool en er zijn enige liederen. Waar Liszt wel eens de neiging vertoont om wat te gaan zwalken, moduleert Nietzsche zichzelf bij tijd en wijle regelrecht het bos in. Zijn Manfred-Meditation (1872) voor strijkorkest, stuurde hij op aan dirigent Hans von Bülow, die het werk kwalificeerde als `een verkrachting van Euterpe'. Maar daarbij moet worden opgemerkt dat von Bülow de voormalige echtgenoot van Cosima Wagner was.

Voor Nietzsche was het leven zonder muziek een onvoorstelbare vergissing, een onmogelijkheid, een niet in te denken dwaling. Tot in zijn laatste dagen – de laatste elf jaar van zijn leven bracht hij door in een inrichting – improviseerde hij aan de piano. Nietzsche spreekt omtrent de breuk met Richard Wagner altijd over een `dodelijke belediging'. Hij zou daarbij kunnen doelen op een brief die Wagner aan de arts van Nietzsche schreef, waarin hij suggereert dat Nietzsches labiele geestelijke en fysieke toestand wel eens het gevolg zou kunnen zijn van diens overmatige onaneren. Door een indiscretie kreeg Nietzsche de brief onder ogen. Maar de `dodelijke belediging' lijkt meer verband te houden met de opening van Bayreuth, het door Wagner ontworpen theater waar hij zijn muzikale drama's onder zijn supervisie gestalte kon geven. Nietzsche raakte diep ontgoocheld door wat hij daar aantrof. `Bereits bereut', (nu al spijt) telegrafeerde hij aan zijn zus Elisabeth. De pracht en praal, het arrivisme en de zelfgenoegzaamheid, de façades die de innerlijke leegte moesten verhullen. `Waar was ik toch? Ik herkende niets, ik herkende Wagner nauwelijks. Vergeefs bladerde ik in mijn herinneringen.' Nog één keer zouden ze elkaar ontmoeten, op aandringen van een wederzijdse vriendin, in oktober 1876 in Sorrento. Er is naarstig gespeculeerd over dit zeer tot de verbeelding sprekende afscheid, maar verder dan het uitwisselen van wat plichtmatige beleefdheden zijn ze vermoedelijk niet gekomen.

Paarden

Vroeger op de lagere school heeft er al een onverbiddelijke scheiding der geesten plaatsgevonden: of je was gek op paarden, of je vond het maar `stomme beesten'. Als je gek op paarden was, betekende dat vrijwel automatisch dat je ook van Abba hield. Het zal deze schare muziekliefhebbers zijn, aan wiens gevoelens de Carmen-voorstellingen van La Cuadra de Sevilla in theater Carré wil appelleren. Een witte hengst wordt in de piste bereden door een trotse picador. Een dans van Carmen met het paard brengt haar liefde voor deze picador tot uitdrukking. In hun volstrekte nutteloosheid hebben paarden wel wat met het kunstzinnige gemeen. Doe iets met paarden en adjectieven als vurig, mythisch, erotisch, poëtisch, vitaal en gepassioneerd vliegen je om de oren. Niets is schaamteloos genoeg om meisjes van twaalf mee op te geilen. De paarden-hausse is voorzichtigjes begonnen in '94 met Rosa, a Horse Drama van Louis Andriessen en Peter Greenaway. En verdomd, korte tijd later vond ook een revival van die Abba-liedjes plaats. Nu worden we compleet overlopen door een op hol geslagen horde. Want naast die ene knol in Carré staan er wel vijfentwintig schuimbekkende schimmelaars in de Westergasfabriek te trappelen van ongeduld om voor het voetlicht te treden: Zingaro is eveneens een mythische dans van mens en paard, op een bewerking van Stravinsky's Sacre du Printemps en Psalmensymfonie door Pierre Boulez. Ik geloof dat noch ik, noch de paarden hier voldoende verbeeldingskracht voor op kunnen brengen. Liever tref ik in het theater acteurs, zangers en musici aan. Als Richard III uitroept: ,,Mijn koninkrijk voor een paard', is het niet de bedoeling dat er iets gebeurt.

Een ernstiger vergissing begaat La Cuadra de Sevilla door bij hun Carmen geen gebruik te maken van de oorspronkelijke muziek van Bizet. Want wat is nu een Carmen zonder Habanera, de Seguidille, de Air de la Fleur, zonder `C'est toi! ... C'est moi!', zonder die niet aflatende stroom evergreens die Bizet schijnbaar achteloos uit zijn mouw schudde? Dat is.. enfin, dat is toch nu juist het paard achter de wagen spannen.

Wagnerianen hebben Nietzsches felle aanvallen op hun idool vaak in verband gebracht met zijn krankzinnigheid. Op 3 januari 1889, kort na de publicatie van Der Fall Wagner, stort Nietzsche geestelijk ineen op de Turijnse PiazzaCarlo Alberto. De diagnose is tot op heden omstreden, maar de meest plausibele is die van post-syfilitische, progressieve paralyse. Eén ding had Nietzsche zonder meer scherp in de gaten: Bizet's Carmen is van een uitzonderlijke schoonheid. Er is veelvuldig geprobeerd om deze formule te kopiëren, La Dolores (1895) van Tomás Bretòn komt nog een aardig eind op streek. Maar Carmen is in zijn genre ongeëvenaard. In een goed geoutilleerde cd-winkel treft men er met gemak twintig verschillende versies van aan. Daar zitten ietwat belegen Carmencita's tussen, zoals die van Victoria de Los Angeles en Ebe Stignani. Of interessante, maar toch wat zwoegerige, van Maria Callas en Jessye Norman. Er zijn er die boeien vanwege het orkestrale vuurwerk, zoals de opname van Winnifred Heidt en Leopold Stokowski uit 1946. De vertolking van Teresa Berganza is echter met voorsprong de beste. Haar Carmen is lichtvoetig, soepel en beminnelijk. Ze zweet niet en loopt op tere voetjes.

Carmen: Theater Carré, Amsterdam van 16 tot 26 maart; Zingaro in de Westergasfabriek, Amsterdam van 17 maart tot 2 april.

Friedrich Nietzsche: Nietzsche contra Wagner. Vertaling: Hans Driessen,Uitg. Arbeiderspers, ISBN 90 295 3178 9

George Bizet: Carmen, Teresa Berganza, Plácido Domingo, London Symphony Orchestra o.l.v. Claudio Abbado, Deutsche Grammophon 427 885-2

Friedrich Nietzsche : Piano works, Elena Letnanova, piano, Kuniko Nagata, viool, DOMusic 291031