Wij kenden onze Caesar

Al meer dan veertig jaar tekent Albert Uderzo de avonturen van Asterix. Na het overlijden van scenarist René Goscinny overwoog hij te stoppen, maar hij veranderde van gedachte. ,,Astérix chez les Bâtards, dat lijkt me wel wat!''

HIJ HEEFT ZICHZELF een paar keer getekend in de avonturen van Asterix. In De Olympische Spelen bijvoorbeeld, als `tyrannos' op een Grieks reliëf, of in Obelix & Co., als verlopen legionair. Maar dat is meer dan een kwart eeuw geleden, en het is dan ook een verrassing dat Albert Uderzo nog steeds sprekend op zijn zelfportretten lijkt. De 73-jarige tekenaar met het langwerpige gezicht, de Romeinse gok en het golvende haar is alleen wat gezetter. Dik? Nee, maar hij heeft een embonpoint dat zich kan meten met dat van zijn beroemde Galliërs. Het getuigt dan ook van realisme dat hij zichzelf op het zeven jaar oude vignet van zijn uitgeverij, `Les Éditions Albert René', afbeeldde als Obelix.

Dat de jaren voor Uderzo – anders dan voor zijn bejaarde schepping Nestorix – wel gaan tellen, zou kunnen blijken uit zijn werktempo. In de afgelopen twintig jaar verschenen zes Asterix-avonturen; het meest recente, De beproeving van Obelix, is al weer van drieënhalf jaar geleden. Een heel verschil met de jaren zestig, toen er in één annus mirabilis (1966) maar liefst drie albums uitkwamen. ,,Ik ben inderdaad geen dertig meer'', zegt Uderzo in zijn met Asterix-merchandise volgestouwde kantoor aan de Avenue Victor Hugo in Parijs. ,,Bovendien ben ik lui. Over het bedenken en schrijven van een scenario doe ik bijna een jaar en hetzelfde geldt voor het eigenlijke tekenen – ook al omdat ik ervan hou om eindeloos aan de bijna voltooide illustraties te blijven prutsen. Als het album in de winkel ligt, wacht ik tot ik weer een nieuw idee krijg, en dat duurt meestal een jaar of drie.''

Maar wat het werken écht moeilijk maakt, zo beklemtoont Uderzo, is het gemis van zijn `malheureux ami' René Goscinny. De scenarist van Asterix (en een half dozijn andere strips, zoals Lucky Luke en Iznogoedh) stierf in 1977, halverwege het verhaal van Asterix en de Belgen. Uderzo overwoog met de strip te stoppen, maar veranderde van gedachte toen hij overstelpt werd met smeekbeden van fans in meer dan veertig landen. ,,Asterix was publiek bezit geworden; volgens sommige briefschrijvers had ik niet eens het récht om met de strip op te houden. Wat moest ik doen? Na 26 jaar samenwerken, waarvan 18 aan Asterix, vond ik dat ik Goscinny niet kon laten vervangen, ook niet door een van de tientallen nègres die aanboden om zonder naamsvermelding scenario's te leveren. Ik besloot alleen door te gaan en zelf de hele verantwoordelijkheid te nemen.''

Ook de Asterix-lezer mist Goscinny. Van de zes `postume' albums benaderen er maar twee (De Odyssee en In Indus-land) het oude niveau. Het laatste album was zelfs een grote tegenvaller, al was het alleen maar omdat de beschreven reis naar het mythische eiland Atlantis uit de lucht kwam vallen en niet genoeg gelegenheid bood tot de succesrijkste specialiteit van de Asterix-strips: het vrolijk variëren op nationale stereotypen. Ook in het volgende album, dat ijs en weder dienende (,,si les petits cochons ne me mangent pas'', zegt Uderzo) eind 2001 verschijnt, zullen de onoverwinnelijke Galliërs niet op reis gaan naar een ver land. Uderzo: ,,Om niet in sleur te vervallen, hebben Goscinny en ik al ten tijde van De ronde van Gallia afgesproken dat we om en om een binnenlands avontuur en een buitenlandse reis zouden verzinnen. Dat stramien volg ik nog steeds. Over het nieuwe album, waarvan zelfs de titel een verrassing moet blijven, wil ik dan ook alleen zeggen dat het zich afspeelt in het hart van Gallië.''

Waarom is Asterix in het laatste reisalbum niet naar een bestaand land, zoals Rusland of China, gegaan?

,,In Europa zijn de meest karakteristieke landen wel aan de beurt geweest, van Scandinavië tot Spanje en van Engeland tot Griekenland. Ik wil geen twee keer hetzelfde land behandelen, dus je zou kunnen zeggen dat ik een gevangene ben van wat ik eerder heb gedaan. Wat de bestemmingen buiten Europa betreft: ik heb er altijd naar gestreefd om de reizen van Asterix te beperken tot de gebieden die behoorden tot de Romeinse invloedssfeer of die in elk geval bekend waren in de klassieke oudheid. Amerika, dat door de Galliërs wordt ontdekt in De grote oversteek, was een uitzondering, maar die hebben we ons veroorloofd omdat we net hadden gehoord van de theorie dat de Phoeniciërs duizend jaar eerder op Newfoundland waren dan de Vikingen.

,,In Rusland zijn de Romeinen nooit geweest, net zo min als in China, al dreven pioniers in de nederzettingen in het oosten wel handel met reizigers die van de andere kant van de Zijderoute kwamen. Maar eigenlijk vind ik dat ik al te ver ben gegaan door Asterix per vliegend tapijt naar het Indus-gebied te laten reizen. Alle reizen moeten, net als in de Romeinse tijd, per paard, kar of boot kunnen worden volbracht. Als je daarmee sjoemelt, kun je Asterix net zo goed naar de maan sturen.''

Dus Nederland komt nog in aanmerking – Asterix bij de Bataven?

,,Ha, `Astérix chez les Bâtards', dat lijkt me wel wat! Zonder gekheid: Holland is in veel opzichten een geschikte bestemming. Allereerst omdat er van uw land zoveel typerende kenmerken in het collectieve geheugen liggen opgeslagen; over bollenvelden, windmolens en waterlinies is het goed grappen maken. Daarnaast was Holland in de Romeinse tijd een belangrijk gebied: de rijksgrens liep er dwars doorheen en het gebied ten zuiden van de Rijn was behoorlijk geromaniseerd. Je hoeft de historische werkelijkheid dus niet te veel geweld aan te doen.''

In Leiden wordt nu een tentoonstelling over Asterix gehouden, geïnspireerd door een boek dat de historische waarheid achter uw strips onderzoekt.

,,Vanzelfsprekend ben ik gevleid door de belangstelling van de wetenschap. Maar Goscinny en ik hebben altijd gezegd: we zijn geen pedagogen, wij willen de historische werkelijkheid niet dunnetjes overdoen. On a pris le contrecoup; we hebben de zaken van de andere kant bekeken en overdreven, maar doorgaans binnen het raam van de geschiedenis. Neem de bezetting van Gallië. We konden niet zeggen dat heel Gallië de Romeinen weerstond, want de nederlaag van Vercingetorix bij Alesia was verpletterend; maar het is plausibel dat er Gallische oppida waren die zich zoveel mogelijk aan de Romeinse invloed probeerden te onttrekken. Onze verheerlijking van het onoverwinnelijke dorpje is een tegenwicht voor het beeld dat Julius Caesar van de Galliërs ophing in De Bello Gallico. Hij bedreef propaganda, wilde het thuisfront laten zien hoe geweldig hij zelf was. En dus kom je in zijn verslagen alleen maar barbaren tegen.

,,Het gaat in Asterix om de humor, niet om hoe het werkelijk was. Wat niet wil zeggen dat we ons niet goed documenteerden. Goscinny zwoer bij twee boeken van de Corsicaanse historicus Jérôme Carcopino, over het dagelijks leven in het oude Rome en in de Gallische provincies. Zelf heb ik veel gehad aan de Geschiedenis van Gallië van de negentiende-eeuwer Camille Jullian. En natuurlijk kenden we onze Caesar – die was er op de middelbare school goed ingeramd. Om de Romeinse gebouwen goed te kunnen tekenen, maakte ik studiereizen naar Rome en bestudeerde ik reconstructietekeningen en maquettes. Maar ik smokkelde wel: mijn Rome is dat van de tweede eeuw na Christus, want onder Caesar stelde het nog niet veel voor.''

Wat vindt u van de veelgehoorde stelling dat het lezen van Asterix kinderen meer leert over de Romeinen dan jarenlang les in Latijn of oude geschiedenis?

,,Onzin natuurlijk, de volgende stap is dat ze mij verantwoordelijk gaan stellen voor alle historische fouten – of liever: grappen – die in Asterix te vinden zijn; dat ik in een voetnoot moet zetten dat menhirs veel ouder zijn dan Gallische nederzettingen en Romeinse legerkampen. En het is mooi als het Latijn in de strips onze scholieren enthousiast maakt voor de klassieke talen, maar voor Goscinny en mij was het gewoon een gimmick: we legden vaak de betekenis niet eens uit. De Latijnse citaten worden niet toevallig vooral gedebiteerd door een piraat – quel pédagogue!''

De alleen maar Frans sprekende Uderzo kampt met een verkoudheid, die hem af en toe net zo onverstaanbaar maakt als de Auvernse wijn- en kolenverkopers in Het ijzeren schild. Vooral wanneer hij zich opwindt wordt de articulatie minder; bijvoorbeeld na de vraag of Asterix, als proto-Fransman die zich met hand en tand verzet tegen vreemde indringers, niet het gevaar loopt door extreem rechts te worden ingelijfd.

,,Asterix is neutraal, en we doen er alles aan om dat zo te houden. Zodra de politiek probeert Asterix te annexeren, vechten we terug. In de afgelopen jaren is het wel eens voorgekomen dat mijn tekeningen clandestien werden gebruikt, bijvoorbeeld op een poster van de Gaullisten of in een folder van de vakbond. Maar dat veroorzaakte al schandaal in de pers voordat wij zelfs maar excuses hadden geëist. Frankrijk is zich ervan bewust dat niemand Asterix mag gebruiken.''

Asterix is een fenomeen in Frankrijk en de rest van Europa, en verschijnt in vijftig talen. Valt er nog iets te wensen, de verovering van Amerika bijvoorbeeld?

,,Toen ik dertien was, wilde ik graag net zo beroemd als Disney worden. Maar sinds Asterix succes heeft, is dat niet meer in mijn hoofd opgekomen – al was het alleen maar omdat ik liever scenario's dan marketingstrategieën uitzet. In Amerika kán de strip niet aanslaan. Als ze daar al een beeld hebben van de Romeinse cultuur, dan is dat gebaseerd op een handjevol films; en met Vercingetorix heeft Hollywood zich nooit beziggehouden. Asterix zal nooit zo universeel zijn als Mickey Mouse, daarvoor is hij veel te Europees. Geen toverdrank die daar verandering in kan brengen.''

De aantrekkingskracht van de onoverwinnelijke Galliërs berust op hun non-conformisme en hun streven naar onafhankelijkheid. Is er nog wel plaats voor een strip als Asterix in het verenigde Europa?

,,Meer dan ooit. Begrijp me goed, ik ben zeer Europees ingesteld. Maar het is een feit: hoe meer de centrale organisatie voortschrijdt, hoe meer de gewone burger zich verschanst in zijn eigen nationale of regionale cultuur. Dat hebben we de afgelopen tien, twintig jaar al in Frankrijk zien gebeuren. In Bretagne is het Bretons als tweede taal op sommige scholen ingevoerd en is er een herleving van de Keltische volkscultuur. Vergelijkbare tendensen zie je in de Languedoc, in Baskenland, op Corsica en in de Elzas. Aan Asterix is dat allemaal niet te danken, het is de verdienste van enthousiaste linguïsten en volkskundigen. Maar ik ben ervan overtuigd dat de onafhankelijke instelling van Asterix, zijn merde à tout le monde, iedere cultuur in verdrukking aanspreekt. Niet alleen in Frankrijk. Of we nu Duitser, Italiaan of Hollander zijn, we willen toch niets liever dan met rust gelaten worden?''

Tekenaar