Slordige vertrekkers

Elk debat in de Tweede Kamer over het aftreden van een bewindsman heeft iets onwezenlijks: volle zaal, weinig inhoud. Simpelweg doordat de persoon in kwestie er niet bij is, die is immers al weg. Daardoor krijgt zo'n debat toch iets van een begrafenis zonder overledene.

In Nederland wordt niet alleen weinig afgetreden, het gebeurt bovendien ook nog slordig. Politieke bestuurders gaan altijd vluchtend ten onder, nooit strijdend. Het roept de vraag op of een `koninklijk' aftreden eigenlijk wel bestaat.

Bram Peper is de jongste in de rij voortijdig vertrokken bewindslieden. Op zich is hij een bijzonder geval. Peper nam afgelopen maandag ontslag, juist om voluit te kunnen vechten. Niet in de arena van de Tweede Kamer, maar erbuiten. Zonder de ballast van het ambt van minister van Binnenlandse Zaken wil hij de strijd aangaan met de commissie uit de Rotterdamse gemeenteraad die de afgelopen maanden met behulp van een batterij accountants van de KPMG een onderzoek heeft verricht naar zijn declaraties als burgemeester.

In de Tweede Kamer was afgelopen dinsdag van diverse kanten de nodige kritiek te horen op deze redengeving. Peper had (nog) geen conflict met de Tweede Kamer, terwijl het `dossier Rotterdam' om het dubbele-pettenprobleem te voorkomen al eerder was overgedragen aan zijn collega-minister Van Boxtel. Met andere woorden: hij had zijn aangekondigde gevecht ook als minister volop kunnen voeren. Staatsrechtelijk was dit zonder meer de zuiverste weg geweest. Maar of het ook had gekund?

Het eigenaardige in de kwestie-Peper blijft natuurlijk dat het gaat om een zaak uit een vorig bestuurlijk leven die niets te maken heeft met zijn ministerschap van Binnenlandse Zaken. Maar tegelijk straalde de commotie al wel af op zijn functioneren als minister. Als anderen het niet deden maakte Peper zelf wel toespelingen op de bonnetjesberoering. Maar ook in het gewone werk zou hij zichzelf waarschijnlijk telkens zijn tegengekomen. Ga er maar aan staan: als minister de nota `Integriteit van het openbaar bestuur' verdedigen, terwijl de eigen integriteit ten tijde van het Rotterdamse burgemeesterschap onderwerp van openbaar debat is.

Maar toch blijft het iets onbevredigends hebben, als de Tweede Kamer opeens geconfronteerd wordt met een `om niets' vertrokken minister. Tegelijk zullen heel wat volksvertegenwoordigers in hun hart blij zijn dat het zo verlopen is. Het bespaart hun in elk geval het uitspreken van een oordeel. Want, stel dat Peper als minister het gevecht was aangegaan. Dan zou de Kamer ook gecommitteerd zijn. Want een minister geniet nu eenmaal het vertrouwen totdat het tegendeel blijkt.

Het grote nadeel van bewindslieden die aftreden zonder verantwoording af te leggen is dat geen `jurisprudentie' ontstaat over de reden van hun vertrek. In het geval Peper hoeft daarvoor overigens niet te worden gevreesd. Hoewel formeel niet noodzakelijk omdat het een Rotterdamse zaak betreft, mag toch worden aangenomen dat ook de landelijke politiek een oordeel zal vellen over de bevindingen van de Rotterdamse raadscommissie.

Maar al te vaak hebben bewindspersonen de Tweede Kamer te gemakkelijk laten wegkomen door zonder het finale parlementaire oordeel af te wachten, zelf al te vertrekken. Minister Apotheker (herinneren we hem nog?) was halverwege vorig jaar plotseling weg, volgens eigen zeggen omdat hij binnen het kabinet onvoldoende steun had gekregen voor zijn varkensbeleid. Of dat de werkelijke reden was, blijft gissen. Zelfs collega-ministers waren volledig verrast door zijn besluit en meer aannemelijk is dan ook het verhaal dat de voormalige burgemeester van Leeuwarden zich gewoon had `vertild' aan het ministerschap. Moet kunnen, ook in de politiek geldt het Peters Principle, maar waarom blijft dat dan onuitgesproken? Toegegeven, juist vanwege de mogelijk persoonlijke motieven, zou een confrontatie tussen minister en Tweede Kamer waarschijnlijk een schimmig debat hebben opgeleverd. Maar er was tenminste een poging tot helderheid ondernomen.

Doordat openbare bestuurders in Nederland zo moeizaam tot aftreden komen, lijkt alleen het zetten van de stap zelf al een hoogtepunt van bestuurlijke zuiverheid. Maar in feite gaat het niet om het aftreden, doch allereerst om het rekenschap afleggen. Als die volgorde wordt omgedraaid, ontstaat slechts bestuurlijke mist. Dit bleek vorig jaar bij de afhandeling van de Ceteco-affaire in de provincie Zuid-Holland. De kwestie kostte in totaal drie gedeputeerden en de commissaris der koningin de kop. Geen van allen vertrok echter na het oordeel van de Provinciale Staten; allemaal hielden ze de eer aan zichzelf. Ontslag nemen is altijd mooier dan ontslagen worden maar voor de doorzichtigheid van het openbaar bestuur is het een ramp.

De Zuid-Hollandse commissaris Leemhuis-Stout vertrok omdat, zoals ze zei in haar afscheidstoespraak, rondom haar persoon een beeldvorming was ontstaan, waardoor zij niet meer kon functioneren. Dat mocht haar perceptie zijn, maar wat was het politieke oordeel van de gekozen leden van de Provinciale Staten over haar optreden in de Ceteco-zaak? Dat oordeel hoefte niet te worden gegeven, want Leemhuis was al weg.

Elk aftreden heeft zijn eigen specifieke aspecten. Ook hier geldt dat het staatsrecht levend is en dus van geval tot geval wordt geschreven. Vaste regels bestaan niet. Het gaat allereerst om de instelling van de betrokkenen. Zij moeten de durf kunnen opbrengen de weg naar de uitgang via de volksvertegenwoordigers te laten lopen. In wezen is het heel simpel: Openbaar bestuur vraagt om openbare verantwoording.