Rare jongens, die mannen

Asterix en (vooral) Obelix hebben maar één uitdrukking aan de Nederlandse taal toegevoegd. Maar die is dan ook ijzersterk.

DE INVLOED van beeldverhalen op het Nederlands is niet zo groot, maar er zijn wel wat woorden, uitdrukkingen en vooral soortnamen die teruggaan op stripverhalen. Vooral de beeldverhalen van Marten Toonder hebben relatief veel opgeleverd. Denk aan: als u begrijpt wat ik bedoel, denkraam, geld speelt geen rol, heer van stand, kommer en kwel, minkukel, oplettende lezertjes, verzin een list (Tom Poes) en zielknijper. Uit `Kuifje' kennen we onder meer razende reporter en het overdrachtelijk gebruik van professor Zonnebloem (voor een `verstrooide, onhandige uitvinder') en Bianca Castafiore (`diva, prima donna'). Andere stripfiguren die hun sporen in het Nederlands hebben nagelaten zijn onder anderen Dagobert Duck (zeer rijk iemand), Guus Geluk (geluksvogel), Billie en Bessie Turf (dikkerdje) en Willy Wortel (studiehoofd, technisch licht; betweter).

Soms is de invloed van een strip overigens niet meer te herkennen: ook het woord jeep heeft bijvoorbeeld iets met een stripfiguurtje te maken, namelijk Eugene the Jeep, maar dat is een lang en ingewikkeld verhaal.

Asterix en Obelix hebben maar één uitdrukking aan het Nederlands toegevoegd, maar die is dan ook ijzersterk en zeer geregeld te lezen en te horen: rare jongens die Romeinen. De oorspronkelijke, Franse uitdrukking luidt: Ils sont fous ces Romains en je mag stellen dat de vertaler hier het werk van de scheppers heeft overtroffen. Je treft de uitdrukking wel eens aan in publicaties over de oude Romeinen, maar er wordt vooral heel veel op gevarieerd. Een onderzoekje in de digitale bestanden van 21 kranten uit de afgelopen tien jaar leert dat de basisvorm `rare jongens, die x' zeker honderdvijftig keer is gebruikt – wat echt veel is.

Voor x wordt het vaakst een nationaliteit ingevuld: rare jongens die Amerikanen, Australiërs, Britten, Chinezen, Fransen, Hollanders, IJslanders, Noren, Portugezen, Schotten, Zwitsers enzovoorts. Opmerkelijk is dat Amerikanen en Britten het vaakst rare jongens zijn genoemd. Daarna komen de Fransen. Dat zij zo vaak rare jongens worden genoemd, komt zonder twijfel omdat het in het hoofd van menig journalist een kleine stap is van Gallië, via Asterix en Obelix, naar rare jongens. Wie schrijft, hoort zijn klassiekers paraat te hebben.

Aan de achterzijde van de uitdrukking duiken niet alleen allerlei nationaliteiten op, maar ook veel beroepsgroepen. Als wij de kranten van het afgelopen decennium mogen geloven, dan is de populatie rare jongens vooral opmerkelijk groot onder architecten, Duitse journalisten, gemeenteambtenaren, golfers, mariniers, onderwijzers, onderhandelaars, politici, schaatsers, schakers, voetbaltrainers en wetenschappers. Daarnaast vindt men ze onder Beverwijkers, Dordtenaars, Europeanen, Spaarndammers, expats, hetero's, natuurfanaten, verzamelaars en onder de achterban van GroenLinks. Er wordt natuurlijk ook gevarieerd aan de voorzijde van de uitdrukking, wat vooral de nodige `gekke' en `vreemde' jongens heeft opgeleverd.

Tot slot nog een variant die grotere bekendheid verdient, uit een boekje van de educatieve omroep RVU over `mannenziektes': `Rare jongens, wij mannen'. ,,We scheppen op over de snelheid van de nieuwe wagen die we net gekocht hebben (natuurlijk met spoilers, sportuitlaat en lichtmetalen velgen). We lullen uren over voetbal, lekkere wijven en de kleine en grote successen die we geboekt hebben op de zaak. Maar als het over ons eigen lijf gaat, houden we onze klep dicht.''

Nederlandse taal