Opties veelal toegekend voor prestatie

Tweederde van de Nederlandse bedrijven die hun managers opties toekennen doet dat op basis van hun prestaties. De meeste bedrijven publiceren de criteria daarvoor echter niet.

Nederlandse en andere Europese bedrijven zijn verder dan Amerikaanse, die de toekenning of uitoefening van opties niet koppelen aan prestaties van het management.

Dit zijn twee conclusies uit een internationaal onderzoek van adviesfirma Towers Perrin naar de toekenning van opties aan (top-)managers, dat vanmiddag wordt gepresenteerd.

,,Wat ik heel opvallend vind is dat zoveel bedrijven kennelijk al prestatiecriteria gebruiken, zoals de groei van de winst per aandeel', zegt M. Spaans, senior adviseur bij Towers Perrin, die het onderzoek heeft gedaan met collega S. Freeling.

Van de ongeveer 190 Nederlandse beursgenoteerde bedrijven gebruikt 70 procent opties om managers te belonen. In reactie op maatschappelijke kritiek op ,,zelfverrijking' door topmanagers hebben de werkgeversvereniging VNO-NCW en de organisatie van directeuren en commissarissen NCD vorig jaar acht aanbevelingen gedaan voor meer inzichtelijkheid. Een daarvan is koppeling van de toekenning van opties aan het behalen van specifieke prestaties.

Spaans: ,,De discussie moet niet alleen gaan over hoe hoog de optiebedragen zijn, maar met name welke prestaties een manager levert voordat de opties worden toegekend. Wie extra presteert, mag best extra beloond worden.'

De toekenning en uitoefening van opties in het Nederlandse bedrijfsleven is met geheimzinnigheid omgeven. Slechts een handjevol bedrijven geeft gedetailleerde informatie. Philips kwam dit jaar voor het eerst met totale openheid, maar de meeste bedrijven worstelen daar nog mee. Hetzelfde geldt voor het publiceren van de prestatiecriteria. Verzekeraar Aegon, die dankzij jarenlange aandelenkoersstijgingen een van de ,,rijkste' optieregelingen heeft, gooide vorig jaar het roer om. De toekenning van opties voor het topmanagers is gekoppeld aan de prestaties van het Aegon-aandeel ten opzichte van een aantal andere financiële bedrijven.

Aan het Nederlandse deel van het onderzoek hebben 37 grote ondernemingen meegedaan. Als belangrijkste doelstelling voor hun beleid noemen zij het scheppen van aandeelhouderswaarde en, in mindere mate, het verbeteren van de tevredenheid bij hun klanten. Een begrip als ,,maatschappelijk ondernemen', dat ook op de vragenlijst stond, maakt niets los bij de ondervraagde bedrijven, zo tekent Spaans aan.

Al roemen bedrijven hun streven naar creatie van aandeelhouderswaarde, zij rekenen hun topmanagers op andere criteria af. De stijging van de winst per aandeel is het belangrijkste prestatiecriterium. ,,Op winst is nogal wat af te dingen als maatstaf voor waardecreatie', vindt Spaans: winsten zijn relatief gemakkelijk te beïnvloeden door boekhoudkundige regels te wijzigen en door te beknibbelen op lange-termijninvesteringen. Hij ziet meer in maatstaven die gekoppeld zijn aan waardecreatie.

Internationaal lopen de opvattingen over de koppeling van opties en prestaties weinig uiteen, blijkt uit het onderzoek. Dankzij de mondialisering zeggen Duitse, Franse, Britse en Amerikaanse bedrijven eensgezind naar aandeelhouderswaarde te streven. Winstgerelateerde criteria voor opties zijn alom populair. Alleen Amerikaanse bedrijven stellen geen criteria, om boekhoudkundige redenen. Als toegekende opties geld waard worden doordat de prestatiecriteria zijn gehaald, moet een Amerikaans bedrijf de ontstane waarde als kosten van zijn winst aftrekken.