Multiculturele ideologie leidt tot uitsluiting

Politici zijn niet echt geïnteresseerd in het verbeteren van het taalonderwijs aan allochtone leerlingen, betoogt Lotty Eldering.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) constateerde in 1989 dat in het maatschappelijk debat over minderheden een sterke nadruk ligt op vragen inzake cultuur en moraal. Dat geldt heden ten dage nog. Het zwart zijn van scholen, onderwijs in de eigen taal, het dragen van hoofddoekjes, politie met tulbanden of hoofddoeken, tot en met vrouwenbesnijdenis domineren het publieke en politieke debat. Alsof dat relevante zaken zijn, die de maatschappelijke participatie van immigranten bevorderen. De identiteit van allochtonen en hun zelfrespect worden vooral bepaald door de mogelijkheden die zij krijgen in het Nederlandse onderwijs en op de arbeidsmarkt.

De Nederlandse overheid voert sinds twintig jaar een officieel minderhedenbeleid. Het inhalen van achterstanden van allochtone groepen en het bestrijden van achterstelling hadden vanaf begin jaren tachtig de hoogste prioriteit, althans op papier. Via jaarlijkse minderhedenrapportages werd de toegankelijkheid van voorzieningen geregistreerd en getoetst. Het onderwijs kreeg in het kader van het `onderwijsvoorrangsbeleid' jaarlijks grote sommen geld om de onderwijsachterstanden van allochtone leerlingen weg te werken.

In de tweede helft van de jaren tachtig groeide het besef dat dit beleid niet effectief was. In een WRR-rapport werd in 1989 geconstateerd dat vele allochtonen in Nederland in een perspectief van kansloosheid leven. De Raad adviseerde om het minderhedenbeleid toe te spitsen op de arbeidsmarkt- en onderwijspositie van allochtonen. Het onderwijs in de Nederlandse taal zou de hoogste prioriteit moeten krijgen. Het onderwijs in de eigen taal en cultuur zou buiten schooltijd gegeven moeten worden. Ook vanuit het parlement kwamen geluiden om te stoppen met het voorrangsbeleid. Zoals te doen gebruikelijk bij onderwerpen die politiek gevoelig liggen, werd vervolgens een commissie ingesteld, de Commissie Allochtone Leerlingen in het Onderwijs.

Deze commissie onder voorzitterschap van prof. Van Kemenade bracht in 1992 haar rapport uit. Als lid van deze commissie herinner ik me dat we verbijsterd waren over het feit dat er in het onderwijs nog geen structurele aandacht bestond voor onderwijs in het Nederlands als tweede taal. Ook landelijk werd er geen beleid op dit terrein gevoerd, terwijl het onderwijzen van Nederlands aan kinderen die van huis uit een andere taal spreken, een specifieke deskundigheid vereist.

Voor het onderwijs in de eigen taal en cultuur bestond wèl een landelijk beleid. Vanaf de jaren negentig wordt het onderwijs in de eigen taal gezien als een hulpmiddel bij het verwerven van de Nederlandse taal. Experimenten met tweetalig onderwijs hebben aangetoond dat het onderwijs in de eigen taal het leren van de Nederlandse taal niet in de weg staat, maar dat dit onderwijs het verwerven van Nederlands ook niet bevordert. De belangrijkste aanbevelingen van de commissie-Van Kemenade waren: de hoogste prioriteit leggen bij het Nederlands als tweede taal, scholing van leerkrachten op dit terrein en een zelfstandige positie van het onderwijs in allochtone talen buiten het reguliere curriculum.

Uit onderzoek van de onderwijsinspectie is gebleken dat autochtone leerlingen met onderwijsachterstanden op een aantal scholen extra Nederlands en rekenen kregen, terwijl allochtone kinderen onderwijs in de eigen taal kregen. In 1994 is door de Commissie Evaluatie Basisonderwijs opnieuw de aanbeveling gedaan de lessen in de eigen taal buiten het reguliere onderwijs te laten plaatshebben. Minister van Onderwijs Ritzen meldde echter meteen dat hij deze aanbeveling niet zou overnemen. Gebrek aan durf, onkunde of onverschilligheid?

De commissie-Van Kemenade deed de aanbeveling om voorschoolse programma's in te zetten om jonge allochtone kinderen Nederlands te leren. Dit sloot aan bij het `OPSTAP-experiment', een gezinsinterventieprogramma voor moeders en kleuters uit achterstandsgezinnen. Nog voordat onderzoek naar de effectiviteit van dit programma voor het leren van Nederlands was afgerond, besloot de directie Minderheden van het toenmalige ministerie van WVC om OPSTAP op grote schaal in Nederland in te voeren en de gemeenten met subsidies tot deelname te verleiden.

In 1991 vroeg ik bij de betrokken directeur van de directie Minderheden aandacht voor het feit dat de eerste metingen geen effecten lieten zien. Implementatie van dit programma op grote schaal leek mij daarom voorbarig. De directeur had hier geen oren naar. Een ambtenaar die een grote zak geld voorbij ziet komen, is niet geneigd naar onderzoeksresultaten te luisteren die hem niet gelegen komen. Tot het einde van de jaren negentig heeft het ministerie van VWS op grote schaal gezinsinterventieprogramma's en andere buitenschoolse programma's uitgevoerd, waarvan geen effecten zijn aangetoond op de Nederlandse taalbeheersing van allochtone leerlingen.

Huiverig geworden door de uitkomsten van de evaluatie van OPSTAP, besloot men andere interventieprogramma's eerst enkele jaren te implementeren voordat een effectonderzoek werd uitgevoerd.

Op grond van deze voorbeelden kan de conclusie slechts luiden, dat politici en beleidsmakers niet echt geïnteresseerd zijn in het verbeteren van de onderwijspositie van allochtone leerlingen. Nederland voert onder het mom van de ideologie van de multiculturele samenleving een politiek van maatschappelijke uitsluiting.

DOSSIERwww.nrc.nl