Grenzen tussen hoge en lage cultuur vervagen

Het lijkt erop dat de grenzen tussen traditionele en populaire cultuur aan het vervagen zijn. Onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau signaleren de opkomst van `culturele omnivoren', mensen die de ene keer naar de opera gaan, de andere keer naar de Stones. Dat zijn vooral mensen die zijn opgegroeid met de naoorlogse jeugdcultuur. Dit blijkt uit het rapport Het bereik van de kunsten, dat het Sociaal en Cultureel Planbureau vandaag heeft gepubliceerd. Hiervoor zijn gegevens uit de periode 1975 tot en met 1995 geanalyseerd.

Het bezoek aan culturele instellingen is sinds het einde van de jaren zeventig gestegen. Toch blijft het bereik van de kunsten beperkt, constateren de onderzoekers. Slechts enkele procenten van de bevolking bezoeken regelmatig toneel, klassieke concerten of musea. Groter, en groeiend, is de categorie die incidenteel naar schouwburg, concertgebouw of museum gaat: circa vijftien procent.

De in het onderzoek gesignaleerde groei van het bezoek aan culturele instellingen komt vooral voor rekening van wat wordt samengevat als `populaire cultuur': popmuziek, jazz, musical en cabaret. Het percentage mensen dat daar naartoe ging steeg van 12 in 1979 naar 22 in 1995. Bekend is dat bij `klassieke' vormen van cultuur hoger opgeleiden zijn oververtegenwoordigd. Dit blijkt echter bij populaire cultuur eveneens het geval te zijn.

Ten opzichte van de algemene trend naar meer cultuurconsumptie blijven jongeren achter. Dit geldt zowel voor traditionele cultuuruitingen als voor populaire. Ook allochtonen zijn flink ondervertegenwoordigd bij het bezoek aan culturele instellingen, maar dit hangt waarschijnlijk nauw samen met hun lage opleidingsniveau. Stedelingen gaan meer naar podia en musea dan anderen.

OMNIVOORpagina 3