Erflaters van het platteland

Op het eerste gezicht oogt de Beemster als ieder ander polderlandschap. Een permanente zondagsrust houdt er de dorpen in haar greep. Auto's jakkeren voort om de nevelige akkers en watergangen zo snel mogelijk achter zich te kunnen laten. En overal is er die eentonige lintbeplanting van iepen en populieren.

Maar als je beter kijkt, bij voorkeur vanaf de verheven positie van een kerktoren of een luchtballon, ontdek je dat de wereld beneden je er een is van de zuiverste meetkunde. Vierkante vlakken van 1800 bij 1800 meter liggen als in een schaakbord naast elkaar, bijeengehouden door langgerekte x- en y-assen. Op hun beurt zijn die vlakken ieder afzonderlijk onderverdeeld in vier kleinere van 900 bij 900 meter. En die kleinere vlakken bestaan weer uit kavels waarop je zo nu en dan de gehalveerde kubussen, rechthoeken en piramides van de boerderijen ziet liggen. Het is een orde die geheel voldoet aan het renaissance-ideaal van de 17de eeuw, waarin de wet van passer en meetlat regeert.

Bijna vier eeuwen na de drooglegging van het Beemstermeer in 1612 ligt dit geometrische landschap er nog net zo mooi bij als weleer. En waarschijnlijk zal dat nooit veranderen, nu de droogmakerij in december vorig jaar op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO is geplaatst. De Beemster behoort sindsdien, samen met de zeshonderd andere `natuur- en cultuurmonumenten' als het Kremlin, de Victoria-watervallen, de piramiden van Cheops, de wijnstreek Saint-Emilion en Auschwitz, tot het `collectieve erfgoed der mensheid'.

Het klinkt heel deftig en je kunt je natuurlijk afvragen wat het helemaal voorstelt. Stromen de miljoenen – gerekend in guldens en toeristen – nu toe? Verandert de Beemster de komende jaren in één groot openluchtmuseum, waar op elke kruising boeren in klederdracht kazen, klompen en miniatuurmolens aan gretige polderbewonderaars verkopen?

Het gemeentebestuur doet zelf laconiek over de werelderfgoedstatus. ,,Het levert ons geen geld van de UNESCO op'', zegt voorlichter Jaap Dik. ,,Maar het zorgt wel voor aanzien, belangstelling en bescherming.''

En omdat de inrichting van de 7.200 hectare kleigrond in al die jaren nauwelijks is veranderd of bedreigd – Vinexlocaties zul je er niet aantreffen – en het aanzien van dit toonbeeld van vernuft toch al redelijk groot is, rest alleen nog de factor belangstelling. Niet voor niets zei burgemeester Postma kort na de toekenning van de erfgoedstatus dat het `plaatselijk product' Beemster gepromoot moet worden. Nu vrees je bij het horen van dergelijke Juinense bestuurderstaal het ergste. Maar ook hier blijkt het uitroepen van alarmfase 1 voorbarig. Want met zijn marketingterminologie bedoelde Postma allerminst dat zijn gemeente klaar moet staan om busladingen toeristen te ontvangen en `zijn' Beemster in de voetsporen treedt van Volendam. Wel zijn er inmiddels fiets- en wandelroutes in het nieuwe werelderfgoed uitgezet. Tochten die voeren langs agrarische varianten van de Amsterdamse grachtenhuizen en langs eindeloze sloten en wegen.

,,Uit de hele wereld krijgen we aanvragen om informatie binnen, zoals net nog uit Bretagne'', zegt voorlichter Dik. Ook is het volgens hem belangrijk dat het pittoreske VVV-kantoortje op het centrale plein van Midden-Beemster in een informatiecentrum verandert, waar tal van cultuurhistorische projecten worden uitgevoerd. Hopelijk laten de Beemsteraars hierbij de vanzelfsprekende Hollandse tuttigheid achterwege en kiezen ze voor een grootschalige aanpak, zoals het werelderfgoed betaamt. Hoe mooi zou het niet zijn om het 17de-eeuwse droogmaken van het Beemstermeer driedimensionaal te kunnen volgen in een audiovisueel centrum, waar ook nog eens allerlei maquettes van boerderijen, molens en gemalen zijn tentoongesteld?

De gemeente ziet haar nieuwe status in de eerste plaats als een grote eer, vooral omdat zij er zelf niet om heeft gevraagd. ,,We lazen in de krant dat staatssecretaris Nuis ons had voorgedragen'', aldus Dik. De inwoners van de Beemster denken er anders over. Weliswaar zien ook zij de werelderfgoedstatus als een eer, maar dan vooral voor de burgemeester en de wethouders. In dorpscafé De Oude Munt is het dan ook geen onderwerp van gesprek. De twaalf merendeels bejaarde mannen en vrouwen die er op een regenachtige middag bijeen zijn, beoefenen er het steenwerpen, een oud spel waarbij de stenen in de loop der jaren vervangen zijn door houten ballen. ,,Min 3..., min 2'', klinkt het als een deelnemer met zijn bal een houten paaltje mist. Tussen de rondes door wordt er koffie geschonken. De gesprekken gaan over de puntentelling. Het werelderfgoed is hier ver weg.

Gevraagd naar hun mening over de recente polderverheffing halen ze massaal hun schouders op. De steenwerpers maken zich eerder druk over de teloorgang van het boerenbedrijf in hun gelauwerde polder, dat door de Europese regelgeving steeds meer in het nauw komt. ,,De bouwboeren hebben hun schuren vol aardappelen liggen die ze niet kunnen verkopen'', zegt een oude man die meer dan vijftig jaar landarbeider is geweest ,,Het kost ze geld als water. Niet voor niets scheiden ze er mee uit. En dan heb je nog die mestquota; volgens de regels uit Den Haag mogen ze niets meer uitvoeren. Waar ben je dan nog mee bezig.'' Zijn makkers knikken instemmend en vertellen over de lotgevallen van een boer die tachtig koeien had en zijn bedrijf wilde uitbreiden tot tweehonderd koeien. Land kon hij zo krijgen, maar met zijn mest kon hij nergens heen. Ze kennen zo'n zeven boeren die ermee zijn uitgescheden en naar Canada zijn vertrokken. ,,Over tien jaar is hier geen boer meer te bekennen'', zegt de oude steenwerper met de dubbele bril. Het Beemster werelderfgoed zal het dan zonder zijn belangrijkste erflaters moeten doen. Gepensioneerde medisch specialisten en beurshandelaren uit de grote stad zullen de monumentale boerderijen betrekken en elkaar met hun identieke country-interieurs de ogen uitsteken. En de boer? Hij kan als een fossiel uit het nabije verleden worden bijgezet in het nieuwe informatiecentrum van Midden-Beemster.