Een Gallisch karwei

Asterix vertalen is volgens kenners soms bijna niet te doen. Vooral de cultuurhistorische woordspelingen zijn een groot probleem.

HET IS EEN KLASSIEK voorbeeld van een `onvertaalbare' Asterix-passage. Asterix en Obelix zijn onderweg naar Afrika om Tragicomix te behoeden voor een vroegtijdige dood als huursoldaat in het Romeinse legioen. In volle zee komen zij een piratenschip tegen, dat door de stripfiguren in luttele seconden tot vlot wordt verbouwd. Eenmaal bekomen van de schrik verzucht een van de schipbreukelingen: ,,Je suis médusé!'' (ik sta versteld), door de Nederlandse vertaler vertaald met: ,,Ach, 't went wel.'' Maar de gemiddelde Franse lezer weet beter: het door Uderzo getekende vlot lijkt verdacht veel op het door Théodore Géricault geschilderde Le radeau de la Méduse. Op dit schilderij, dat in het Louvre is te bezichtigen, worden vijftien schipbreukelingen van Méduse afgebeeld. Dit Franse fregat zonk in 1816 voor de Afrikaanse westkust.

,,Een geniale cultuurhistorische woordspeling'', oordeelde de Britse vertaler Derek Hockridge in The Times Educational Supplement van 2 oktober 1981, veertien jaar na verschijning van het betreffende album Astérix Légionnaire (Het 1ste legioen). Hockridge zelf kwijt zich overigens ook goed van zijn taak. ,,We've been framed, by Jericho'', klaagt de verstekeling in de Britse editie. Letterlijk: ,,We zijn er goddomme ingeluisd.'' Maar figuurlijk: ,,We zijn door Jericho (Géricault) ingelijst. Hockridge verwijst – anders dan de Franse striptekenaar Goscinny – niet naar de titel van het schilderij, maar naar de naam van de kunstenaar. De cultuurhistorische woordspeling blijft niettemin in stand.

Asterix wordt anno 2000 in liefst 92 talen en dialecten vertaald, waaronder het Limburgs en Esperanto. Uitgaven bestaan ook in braille. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1964, in het jeugdblad Pep. Het ging om een voorpublicatie; twee jaar later volgde het eerste Nederlandstalige album, Asterix de Galliër, bij de Geïllustreerde Pers. Drie Nederlanders en een Vlaming namen sindsdien de vertaling van de Franse strip voor hun rekening, onder wie Frits van der Heide. De Amsterdammer vertaalde – eerst als medewerker van de Geïllustreerde Pers, later als zelfstandige – zeven strips: De lauwerkrans van Caesar ('73), De Romeinse Lusthof ('73), De Ziener ('74), Op Corsica ('74), De Roos en het Zwaard ('91), De Beproeving van Obelix ('96) en het tweede deel van De Helvetiërs ('73). Hij beschouwt Asterix - mede wegens de vele woordspelingen - als één van de moeilijkst vertaalbare strips.

De zogenoemde `biertjes-passage', in het eerste deel van De Helvetiërs, bezorgde Van der Heides ex-collega Myriam Gianotten nogal wat hoofdbrekens. Asterix en Obelix moeten getweeën het stamhoofd Abraracourcix per schild transporteren, tot leedvermaak van enkele omstanders. Asterix suggereert dat Obelix het karwei afmaakt, waarop Abraracourcix, diep beledigd, antwoordt: ,,J'aurais l'impression de n'être qu'un demi-chef''. Letterlijk: ,,Ik zou het gevoel hebben dat ik maar een half opperhoofd ben.'' Maar demi betekent tevens `biertje' in het Frans, hetgeen in deze context zeer toepasselijk is. ,,Ik moet mijn menhirs schoonwrijven'', werpt Obelix tegen, met een witte (obers)doek in zijn hand. ,,Tu refuses de me servir?!'', schreeuwt het opperhoofd. Ofwel: ,,Weiger je me van dienst te zijn?'' Maar ook: ,,Weiger je me op te dienen?'' Waarop Obelix demonstratief zijn doek over de arm legt en zijn chef als een biertje op het dienblad zet.

Van der Heide is blij dat hij de passage niet voor zijn rekening hoefde te nemen, want ,,de combinatie tekst-beeld is praktisch onvertaalbaar''. De vertaler: ,,In het Nederlands kennen we zo'n woordspeling niet, waardoor de dubbele bodem meteen wegvalt. Je kunt als vertaler ook geen alternatieve woordspeling bedenken, want aan het beeld en de grootte van de ballonnetjes valt niet te tornen.'' In Gianottens vertaling schreeuwt Abraracourcix dat het ,,het toppunt'' is dat Obelix hem weigert te dragen. Als Obelix zijn baas uiteindelijk toch op het `dienblad' zet, merkt Asterix plagend op dat hij ,,een kleintje'' wegbrengt. Wie de uitdrukking `een kleintje' (een biertje) niet kent, mist beide woordspelingen.

Als een vertaler er écht niet meer uitkomt, heeft hij één wapen achter de hand: compensatie. ,,Een goedmakertje voor eerder verlies'', noemt Derek Hockridge het in zijn artikel Trix of the trade in The Times Educational Supplement. Met toestemming van tekstschrijver Goscinny verving de Brit de naam Assurancetourix door het overtreffende `Cacofonix', verwijzend naar het verschrikkelijke gezang van de gehate bard. Abraracourcix werd `Vitalstatistics' (vitale maten), een zinspeling op de zwaarlijvigheid van het Gallische stamhoofd.

Ook Van der Heide wist de mislukte `biertjes-passage' in het tweede deel van De Helvetiërs te compenseren. Twee Romeinse soldaten zwemmen rondjes in het meer van Genève, op zoek naar Asterix en Obelix. ,,Waar zijn ze gebleven'', vraagt de een. ,,Ils sont peut-etre allés au fond des choses'', antwoordt de ander: ,,Ze zijn misschien naar de bodem van het meer.'' Maar ook: ,,Ze zijn misschien tot de kern van de zaak doorgedrongen.''

Van der Heide bedacht een eigen woordspeling, die het origineel lijkt te overtreffen: ,,Misschien voelden ze nattigheid.'' De vertaler: ,,Twaalf onvertaalde woordspelingen betekent ernstig verlies. Als je er daarentegen tien compenseert, mag je als vertaler best tevreden zijn.'' Doorslaggevend is volgens hem of de vertaler een woordspeling heeft opgepikt. ,,Niets is erger dan er achteraf door een lezer op gewezen te worden dat Goscinny iets heel anders bedoelde.''

Een grote algemene kennis en een uitgebreid research-arsenaal zijn volgens ex-reclameman Van der Heide de beste uitgangspunten voor een goede Asterix-vertaling. Zelf beschikt hij over diverse Nederlandse en Franse woordenboeken en encyclopedieën, waaronder de Van Dale, de Larousse, de Petit Robert, de Quid (een soort Franse Who's Who) en een Latijns woordenboek.

Bieden deze bronnen geen uitkomst, dan belt hij zijn vriend en collega Jean. ,,Jean is geboren en getogen in Parijs, hij is goed op de hoogte van alle politieke en sociale ontwikkelingen. Dankzij hem weet ik nu dat de Franse directeur van het Olympia-theater in Parijs `Cocatrix' heet, dat `Squinotix' naar `ski nautique' (waterskiën) verwijst en `Doicrochus' naar `doigts crochus' (kromme vingers, losse handjes).'' De zoektocht naar een gelijkwaardig equivalent voor Franse eigennamen is erg tijdrovend. Daar komt bij dat de tijdsdruk – door innovaties in het productieproces – steeds verder wordt opgevoerd. Van der Heide: ,,Een aantal collega's is afgehaakt. Ze vonden het een Gallisch karwei.''

In haar proefschrift Asterix bij de Bataven. De vertaalproblematiek in de Nederlandse stripwereld betoogt de Belgische taalwetenschapper Catherine Pape dat Nederlandse vertalingen van Asterix `bescheidener' zijn dan het origineel. ,,In Nederland is een strip gewoon entertainment'', schrijft Pape. ,,In Frankrijk is hij veel meer en maakt hij aanspraak op literaire en esthetische kwaliteiten.'' Van der Heide is het met die stelling eens. ,,Terecht of niet, veel Franse stripmakers vinden dat ze literatuur schrijven. In Frankrijk worden strips als de negende kunst beschouwd.'' Grijnzend: ,,Een Nederlandse cartoonist hoeft niet aan te komen met een woordspeling op La Comédie Humaine. Geen scholier die hem begrijpt.''

VERTALEN