Duizend ton afval aan een joy-stick

De particulier die nieuwsgierig is naar wat schuilgaat achter al die deuren met `verboden voor onbevoegden' kan binnenkort beginnen met het grote watertanden. Enige tientallen bedrijven in Amsterdam en omstreken openen hun poorten voor toeristen die onder deskundige begeleiding achter de schermen mogen kijken. Amsterdam volgt hiermee Rotterdam, dat medio jaren negentig, met de openstelling van de haven, het spits afbeet van het Industrieel Toerisme in Nederland. Een paar bezoekjes.

Met nauwelijks waarneembare bewegingen van zijn handen stuurt de machinist vanuit zijn zwenkstoel een gigantische grijper naar de wand van de afvalbunker. Daarin dumpen vuilniswagens via de stortopeningen zonder ophouden hun stinkende lading.

Ruim zes ton huishoudelijk afval gaat bij iedere greep van de `happer' de lucht in. De berg afval wordt regelmatig gespreid om broei te voorkomen en een relatief klein deel verdwijnt meteen in de vultrechter van de verbrandingsoven. Wanneer een grijper boven een van de vultrechters zweeft, schiet de mouw van wat eens een kleurig jasje moet zijn geweest, tussen de grijptanden uit.

Wie een vuilniszak buitenzet schept een probleem; twee keer per week draagt hij bij aan de groei van de vuilnisberg. Zou er niets gebeuren, dan slibde Nederland dicht onder de uitwerpselen van de welvaartsstaat. Gelukkig is er de Afvalverwerkingsinstallatie (AVI) Amsterdam die een verwerkingscapaciteit heeft van 765.000 ton afval per jaar. Maar de vuilnis-afvoerdienst creëert ook een eigen, klein probleem: voor katten. Daarop waren we nooit gekomen wanneer we de AVI niet hadden bezocht.

Industrieel Toerisme richt zich op zowel de zakenmarkt als op de individuele toerist. Vooralsnog overheerst de zakelijke markt met zijn behoefte aan personeelsuitjes. Maar samen met de AVI Amsterdam openen De Telegraaf, het Sorteercentrum van PTT post, de Beurs, een internationaal bekende bierbrouwerij, het Muziektheater, de voormalige Hoogovens, McDonald's, Schiphol, de Bloemenveiling van Aalsmeer en vele andere bedrijven, hun poorten voor dagjesmensen.

In het afvalverwerkingscomplex worden huishoudelijke en lichte bedrijfsafvalstoffen uit Amsterdam en wijde omgeving verbrand. Karton, plastic en textiel klettert geruisloos in de vultrechter. Dik glas in de cabine waar de twee machinisten, gezeten in enorme stoelen, hun joy-sticks bedienen, houdt geluiden en geuren buiten. Hun enige contact met het afval zijn de joy-sticks in de leuningen van hun fauteuils. Behalve wanneer er zo nu en dan een kat moet worden gered.

Veel katten, zo blijkt, hebben de neiging in vuilnisauto's te kruipen. Een van de machinisten vertelt hoe hij ooit de onderwereld van opengespatte vuilniszakken betrad om een van angst razend geworden kat te vangen. Hij had lange handschoenen en rubberlaarzen aangetrokken en was door het vuilnis gebanjerd om de kat te vangen. Een echt schoon gevoel had hij aan die wandeling niet overgehouden.

Waar de katten vandaan komen, kan niemand zeggen. Er zijn negentien gemeenten die afval aanleveren, onder meer uit Limburg. Hoeveel katten zich jaarlijks tussen het afval ophouden, durft niemand te zeggen. Elders in het complex houden katten de rattenpopulatie onder controle. De tweede machinist meent dat de meeste katten die in de afvalbunker terechtkomen `de ketel ingaan'. Het aantal kippen dat – vanaf de ingebruikneming januari 1993 – levend uit het vuilnis is geplukt, weten ze wel, twee.

Wanneer de bezoeker zelf met een grijper een hap vuilnis mag nemen om elders te deponeren, blijkt pas hoe moeilijk dat is. De grijper gaat zwaaien door het onoordeelkundig bewegen, en dat mag niet. Toch geeft het een machtig gevoel duizenden kilo's afval door de lucht te vervoeren. De gids vertelt intussen hoeveel energie deze installatie oplevert, waar de vaste, reststoffen voor worden gebruikt (wegenbouw) en hoe milieuvriendelijk de installatie is.

Bij sommige bedrijven worden bezoekers uitgenodigd tot zelfwerkzaamheid. Bij McDonald's mogen bezoekers 's middags zelf hun lunch maken en bij een bedrijf dat aan brandbestrijding en -preventie doet, mag men een brandje blussen.

Achter dit toeristische initiatief schuilt een scala aan beweegredenen. Eén ervan, aldus een woordvoerder van de AVI, is de mogelijkheid `het publiek' op te voeden. Men hoopt dat bezoekers, na een bedrijfsfilmpje en een rondleiding, zich bewust zijn geworden van de noodzaak afval te scheiden. Bij andere bedrijven hoopt men op deze wijze, vanuit het idee `Kijk hoe leuk het hier is', werknemers te werven. Weer andere bedrijven proberen hun producten te promoten of gaan juist bij de concurrent kijken hoe die het doen. Voor de toeristenindustrie biedt de openstelling van bedrijven weer een mogelijkheid een nieuw, hopelijk lucratief, `product' op de markt te zetten.

Ook de Stopera laat bezoekers, letterlijk, achter de coulissen kijken. Een rondleider vertelt geestdriftig over de geschiedenis van het gebouw, dat zowel stadhuis is als cultuurtempel. Ze dist anekdotes op over de bouw en vertelt onder meer dat de kleur van het tapijt niet zomaar roze is. ,,Daarachter is de buitenwereld'', zegt ze, gebarend naar de metershoge ramen. We zijn vlakbij het rumoerige Rembrandtsplein en hebben ruim zicht op de harde werkelijkheid van dronken jongeren, verlopen junkies en buitenlandse toeristen. ,,Hier in het gebouw moet de sfeer door ronde vormen en zachte kleuren warmer worden''. Dat heeft de uitbater van het Muziektheater geweten. Gemorste koffie en wijn en uitgetrapte sigaretten ruïneerden het tapijt toen het gebouw een open dag hield. Nu is vooral kauwgom een terreur. De gids toont nauwelijks waarneembare ronde plekken in het tapijt. Daaruit heeft men kauwgom en tapijt gestoken en vervangen door een nieuw rondje tapijt.

Het zijn soms kleine zaken waarop de aandacht van de bezoeker wordt gericht. Maar het zwarte, houten staketsel bovenin de zaal, voor het podium, is een openbaring. Het is een kunstwerk van Peter Struyken. De talloze lichtpeertjes op het latwerk kunnen elk in vele lichtstanden worden gezet. Daarmee is volgens de gids `oneindigheid in de lucht te creëren'. Helaas vinden sommige regisseurs die lichtbron boven zich zo storend, dat zij er geen gebruik van willen maken.

Het Muziektheater biedt werk aan zevenhonderd mensen, waaronder dansers, koorleden, technici, belichters en kostuummakers. In de zaal is plaats voor 1.600 mensen. De gids vertelt waar de beste plek voor het geluid is en met welke middelen – plafondketser, akoestische schotten – men heeft geprobeerd de klankkleur in de zaal te verbeteren. Beneden loopt een zwarte man tussen de rijen stoelen door. Hij bukt zo nu en dan om proppen papier, weggegooide programma's en andere ongerechtigdheden in een vuilniszak te doen.

Achter het podium is een gigantische ruimte. Een dertig meter hoge toren hangt vol met `trekken', balken aan metalen draden waaraan bijvoorbeeld `achterdoeken' worden gehangen en opgetrokken of neergelaten kunnen worden. De gids wijst op het unieke systeem van de zweefvloeren waarop decors snel heen en weer geschoven kunnen worden. Ver weg, maar hoorbaar voor iedereen, heeft iemand ontdekt dat je ook de doos waarin muziekinstrumenten zitten, kan gebruiken als drumstel.

Fascinerend zijn ook de ateliers waar kleding wordt gemaakt. Naaisters zitten in grote zalen boven kleurige gewaden gebogen. Na elk theaterstuk gaan alle decors en alle danskostuums naar een opslag in de Bullewijk in Amsterdam Zuidoost. Nee, die spullen zijn niet te koop. ,,Op alle hoeden, mantels en andere kledingstukken zitten rechten, die kan je niet zomaar verkopen.'' Wat er met de kleding gebeurt die nooit meer zal worden gedragen?

,,Die gaan naar de afvalverwerking.''