De schat van Ierland

Op de vroege morgen van 14 juni 1919, een zondag, wandelde Frank Lyle langs de Ierse westkust even ten zuiden van het stadje Clifden. Eerst hoorde hij alleen de oceaan, de wind en de meeuwen – geluiden die de heilige Brandaan vijftien eeuwen geleden al moet hebben gehoord. Maar opeens klonk er iets nieuws: een verbrandingsmotor.

Lyle keek, zag niets, keek nog eens en toen zag hij uit de zeemist pruttelend en wiegelend op de westenwind een vliegtuig naderen. De piloot moet gedacht hebben dat hij op een wei landde, vertelt Lyle op een oude bandopname. Maar het was een moeras en het vliegtuig eindigde met zijn neus in het veen. Twee mannen krabbelden uit de open cockpit, verdoofd, half bevroren en gebutst, maar dolgelukkig. Lyle wist wie de vliegers waren, want hij had de avond tevoren op het nieuws gehoord dat ze waren opgestegen uit New Foundland.

John Alcock en Arthur Whitten Brown deden zestien uur over de eerste transatlantische oversteek in hun Vickers Vimy-bommenwerper en zetten Clifden op de kaart. Bij het moeras herinnert alleen een foeilelijk betonnen monumentje aan de luchtvaartpioniers. ,,Well, that's a start'', waren Browns eerste woorden in Ierland. ,,Binnenkort komen ze hier vast met tientallen tegelijk.''

Daarin heeft hij gelijk gekregen, maar het was niet hier. Connemara bleef grotendeels wat het was: woest en hoegenaamd uitgestorven, ver van Dublin, achter een dubbele rij bergen. Veroveraars hadden er nooit veel te zoeken, want de grond is er zuur en nat. De Ierse hongersnood heeft hier erger dan elders huisgehouden. Zeker, ze verstaan er Engels als hun hoofd er toevallig naar staat, maar de wegwijzers en de lokale radio spreken nog steeds Gaelic. Connemara is achterlijk, denkt het Ierland dat met steun van Brusselse miljoenen de laatste jaren de zegeningen heeft leren kennen van rotonde, Internet en ATV-dagen. Maar terwijl moderne Ieren net als de rest van Europa langzaam onder asfalt en glas verdwijnen, ontdekken ze ook dat Connemara hun laatste schat is.

Ze zijn niet de enigen. Wie het kalender-Ierland zoekt – groene bergen aan de branding, lege stranden onder stapelwolken, mistslierten boven turf, kabouters in het wild – kon vroeger zijn hart ophalen op de zuidwestelijke schiereilanden Kerry en Dingle. Maar daar deel je de holle wegen intussen minder met de sporadische huifkar dan met Amerikanen op golfvakantie, rugzakkers en Italiaanse kampeerauto's. Dat het lege Connemara nu ook steeds minder leeg wordt is daarom gewoon een kwestie van vraag en aanbod.

Rijd 's zomers naar Rinvyle Point, even ten noorden van Clifden, op zoek naar de burcht van het roofriddersgeslacht O'Flanaghan en je moet je een weg banen tussen snorkelaars en sportvissers. Wandel over de Sky Way, een rotspad tussen zee en lucht dat precies zo heet als het moet heten, en je moet elke tien meter de berm in om een club New Agers langs te laten. Probeer een wandeling te maken langs de zeehonden aan de zuidkust van Connemara en ontdek dat popzanger Sting hier wegens de drukte zijn huis alweer heeft verkocht en dat dit nu dé plek is om een nieuwgesmeed Keltisch sieraad of een doedelzak te kopen. Connemara laat de paradox van de moderne toerist in volle omvang zien: hij komt voor de ongereptheid, maar verwoest die met zijn aanwezigheid.

Voor de locale economie is er geen alternatief dan meedoen. Wat moet een boer die nooit veel meer produceerde dan voor zijn eigen tafel anders als hij ziet dat een bed & breakfast het honderdvoudige oplevert? En wat moet de visser, die de wilde zalm achteruit heeft zien hollen, die de prijs van gekweekte zalm heeft zien kelderen en die de schelpenbanken zag afsterven door het gebruik van chemicaliën in de zalmkweek? Die verkoopt zijn huis graag aan een Dubliner, ook als die er maar een paar weken per jaar is.

Het Connemara voor de toerist wordt daarom steeds sterieler. En toch is hier nog genoeg te vinden buiten de souvernirwinkel en de markt met oude ambachten waar Connemara connemaraatje speelt. Althans voor wie zich niets wil laten voorkauwen.

Zo iemand is Tim Robinson. Aan de kaai van Roundstone, een stadje aan de zuidkust, drijft hij met zijn vrouw sinds 1984 een uitgeverij van wandelgidsen, boeken en landkaarten van en over deze hoek van Ierland. Folding Landscapes heet zijn bedrijfje. Om die landschappen opvouwbaar te maken heeft hij ze eerst te voet verkend, meter voor meter, met het kompas in de hand om heuveltoppen te peilen. En met een aantekenboek om de namen op te schrijven die alleen de ouderen nog weten. Zo ontcijfert hij het landschap en bikt betekenissen los. ,,Wij zijn ruimtelijke wezens'', denkt Robinson, ,,de meest basale verhouding tussen een individu en de wereld is geometrisch.'' En dat idee is volgens hem ,,zo simpel dat we er nooit over nadenken''. Maar in het lege Connemara kun je niet anders. De bergtoppen, prehistorische stenen, kreken en eilanden in hun `topgrafisch web' vertellen je voortdurend: hier ben je. Dat wil zeggen, als het niet mist. Of, zoals Robinson eens ontdekte, als je kompas het niet doet omdat een bepaalde rotspunt door blikseminslagen zo magnetisch is geworden dat de wijzer daar als een dolle in het rond vliegt.

Met een kaart van Robinson op een winters weekeind de proef op de som genomen langs de bog road, een smalle asfaltweg door het moeras ten noorden van Roundstone. `Pad', zegt de stippellijn en inderdaad verdwijnt hier een modderspoor van de weg af, naar de horizon, waar de Twelve Bens happen uit het blauw nemen. Maar al na een kilometer of wat is het pad spoorloos verdwenen. De bodem deint zacht. En meer dan eens staat er bruin water tot de knie. Er is niet veel voor nodig, bedenk je, om over 2000 jaar als veenmummie te worden opgegraven en ook te worden bijgezet in een vitrine van het nationaal museum in Dublin. De schapen staan te lachen. Geen mens, geen telefoondraad, geen huis te zien en geen auto te horen. Wolken zeilen langs de heuveltoppen. In de schaal van het moeras blikkeren honderden meertjes in de lage zon, alsof er een spiegel is kapotgevallen. Robinsons kaart mag niet kloppen, verder heeft hij gelijk: ik ben hier, is hier de enige gedachte. Een passagiersvliegtuig schuift langs een lineaal bovenlangs.