De culturele omnivoor bestaat

Jongeren maken geen onderscheid tussen `hoge'en lage' kunst. Ze zijn culturele alles-eters, zo bewijst een vandaag verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Tot nu toe was het vooral een vermoeden, de teruglopende belangstelling van jongeren voor cultuur. De belangstelling voor lezen en cultuurhistorie was onderzocht, maar die voor de podium- en beeldende kunsten niet. Ondanks het gebrek aan cijfers sprak staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) vol overtuiging van vergrijzing in de theaters, en velen met hem. Een jaar geleden werd in deze krant gevraagd: ,,Meneer Van der Ploeg, waar zijn uw cijfers?''

Die cijfers zijn er nu. Vandaag ontving Van der Ploeg van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het rapport `Het bereik van de kunsten'. Uit het onderzoek, gebaseerd op grootschalige enquêtes, blijkt de dalende belangstelling van jongeren voor bijvoorbeeld museumbezoek. Over de hele linie is het incidentele bezoek aan culturele instellingen weliswaar gestegen, maar er is sprake van `divergerende participatie' of, zoals het ook betiteld is, een `scheiding der geesten'.

In de leeftijdsgroep 16 tot 40 jaar is de deelname aan cultuur sterk gedaald, boven de 40 is er sprake van toename. Bezoek aan de populaire podiumkunsten – pop, jazz en musical – steeg het sterkst, maar zelfs in deze categorie daalde het bezoek van jongeren.

,,Culturele instellingen zijn veelal 19de eeuwse instellingen'', zegt SCP-onderzoeker Jos de Haan, één van de auteurs van het rapport. ,,Als die instellingen hun beleid niet wijzigen lopen de zalen leeg. De ouderen sterven uit, de jongeren komen niet.'' De Haan is onderzoeker bij het SCP en samen met de Utrechtse hoogleraar cultuureducatie Wim Knulst auteur van het rapport. Hun onderzoek naar cultuurparticipatie (gemeten naar bezoek, verzamelen, zelf doen en mediaconsumptie) in de periode 1975-1995 bevestigt de eerdere vermoedens.

Met de kinderen lukt het nog wel, maar zodra ze wat ouder worden haken ze af. Om pas na hun veertigste weer terug te keren naar theater en museum. Dat het hier om een natuurwet zou gaan – kunst is nu eenmaal iets dat je op latere leeftijd tot je neemt – wordt door De Haan en Knulst tegengesproken. Maar is er dan iets anders aan de hand?

De onderzoekers wijzen naar de opkomst van het cultuurrelativisme: het onderscheid tussen `hoge' en `lage' cultuur is verdwenen, alles is even waardevol voor de `culturele omnivoor'. Met deze gelijkschakeling is het respect en de belangstelling voor de klassieke, gecanoniseerde cultuur weggeëbd. De Haan: ,,De canon bestaat nog wel, maar men trekt zich er nauwelijks iets van aan, ouderen ook niet. De ene avond zitten ze in de schouwburg, de volgende avond bij André Hazes.''

Halverwege de jaren zestig vond volgens de onderzoekers deze omslag plaats, bij de generatie die vanaf dat moment als adolescent cultureel gevormd werd, geboren in de periode 1950-1960. Liberalisering van het opvoedingsklimaat, samen met de democratisering in het voortgezet onderwijs na de invoering van de Mammoetwet (1967), hebben volgens beide onderzoekers gezorgd voor een generatie die afstand nam van een eenduidige, nastrevenswaardige cultuur.

De eigen populaire jeugdcultuur werd belangrijk, en is dat nog steeds. Doe de test: als u vóór 1965 op de middelbare school zat weet u wie Vondel is. Als u behoort tot de culturele omnivoren van na de omslag, vindt u de teksten van De Spookrijders net zo waardevol als die van Vondel.

Het cultuurrelativisme brengt de overheid in een lastig dilemma. De noodzaak om in te grijpen is groot, want met het uitsterven van de oudere generaties verdwijnt het publiek voor de traditionele kunsten. Jongeren zijn nu zodanig `cultureel geprogrammeerd' dat ze de belangstelling op latere leeftijd niet meer op zullen pikken, omdat ze er nooit kennis van hebben genomen. Tegelijk heerst echter de onzekerheid over wat er nu precies als waardevol moet worden beschouwd.

De Haan: ,,Vroegere cultuurspreiders gingen uit van de canon. Nu er geen dédain meer is voor massacultuur, hebben zij het een stuk moeilijker.'' Van de introductie van het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming op middelbare scholen verwacht De Haan op korte termijn weinig heil. Docenten weten niet welke kant ze op moeten. Aansluiten bij de wensen van de leerlingen leidt tot vrijblijvendheid.

En dan is er ook nog de multiculturele samenleving, volgens het rapport een forse stimulans voor het cultuurrelativisme. De geringe deelname aan cultuur door Turken en Marokkanen wordt door de auteurs niet teruggevoerd op etniciteit, maar op het lage opleidingsniveau van veel allochtonen. Dezelfde factor is bij autochtonen verantwoordelijk voor lage deelname. De Haan wijst er op dat de deelname in werkelijkheid vermoedelijk nog lager ligt dan de cijfers beweren, omdat alleen mensen die voldoende Nederlands beheersen de enquêtes konden invullen.

Verandering is alleen mogelijk als onderdeel van een breder emancipatieproces, zo schrijven De Haan en Knulst. Pas dan zal sociale mobiliteit hand in hand gaan met culturele mobiliteit. ,,Het kan echter wel enkele generaties duren voordat het zover is.''

De deelname van jongeren wordt gehinderd door een teveel aan emancipatie, die van allochtonen door stagnerende emancipatie. En spreiding van cultuurcentra door het hele land, een voornemen van staatssecretaris Van der Ploeg, daar toont het SCP zich sceptisch over. Dankzij de toegenomen mobiliteit is het niet nodig om elke stad een volledig cultureel aanbod te laten verzorgen, vinden beide onderzoekers. Alleen omdat het economisch goed gaat, klinkt nu de roep om meer accomodaties, aldus hun rapport. Daarmee voorziet zij Van der Ploegs eerder gepubliceerde plannen van flinke kanttekeningen.

Heeft het eigenlijk nog wel zin, dat overheidsingrijpen? De Haan drukt zich diplomatiek uit. ,,Het bereik van de kunsten is de laatste twintig jaar niet teruggelopen. Wellicht is dat de verdienste van de overheid geweest.''