Spaanse zelfbeheersing

OP HET EERSTE gezicht lijkt Spanje bestendig tegendraads: terwijl de rest van Europa sociaal-democratisch wordt bestuurd, won de conservatieve partij van premier José María Aznar een tweede termijn. Ditmaal zelfs, tegen de verwachting in, met een absolute meerderheid. Paradoxaal genoeg bewijst de overwinning van de Partido Popular juist het omgekeerde: Spanje begint steeds meer te lijken op zijn Europese buren. Er komt een nieuwe generatie van flexibele kiezers die meer kijkt naar de kwaliteit van het bestuur dan naar het ideologische etiket wat erop geplakt zit. En Aznar bewees de afgelopen vier jaar een pragmatisch bestuurder te zijn, zonder al te grote schandalen en met de economische wind in de rug.

De bangmakerij van links Spanje dat Aznar staat voor een terugkeer naar autoritaire tijden is misplaatst gebleken. Enkele autoritaire tics daargelaten, trok de premier zijn partij juist doelbewust naar het politieke middenveld. Hoewel hij zichzelf daarmee liever ziet als de conservatieve variant van Tony Blair, vertoont Aznar een zekere overeenkomst met zijn vroegere tegenstander Felipe González. Ook González trok ooit zijn partij naar het midden en werd daarvoor langdurig beloond.

IN TEGENSTELLING tot hun conservatieve rivalen bleken de socialisten niet in staat zich aan te passen aan de nieuwe tijden. Het partijkader bleef rustig zitten ondanks alle schandalen waarin het laatste linkse kabinet ten onder ging. Felipe González belastte zijn partij met het Den Uyl-syndroom door als parlementariër de nieuwe leiding hinderlijk voor de voeten te blijven lopen. Op het laatste moment sloten de socialisten een pact met de communisten, maar dat bleek de kiezers evenmin aan te spreken. Na vier jaar de tijd te zijn gegund de zaken op orde te brengen, kregen de socialisten alsnog de rekening gepresenteerd in de vorm van een pijnlijke nederlaag.

De uitslag van de verkiezingen heeft vergaande gevolgen voor het politieke panorama in Spanje. De socialisten bevinden zich in een diepe crisis waarbij op zoek gegaan moet worden naar een nieuwe leider en een nieuw partijprogram. De absolute meerderheid stelt Aznar op zijn beurt in staat te regeren zonder de steun van lokaal-nationalistische partijen. Een bittere pil voor de Catalaanse nationalisten van Jordi Pujol die thans de derde politieke partij op nationaal niveau vormen, maar niet langer de sleutelrol vervullen die deze partij meer dan tien jaar behield.

ZONDER VOORTDUREND de hete adem van lokaal-nationalisten in de nek heeft de nieuwe regering meer speelruimte om haar eigen gang te gaan. Dat is eerst en vooral een oefening in zelfbeheersing, want de politiek rondom gevoelige thema's als de Vreemdelingenwet, de autonomie van Spanjes regio's en de terreur van de ETA is ondanks een nationale meerderheid niet goed te verwezenlijken zonder een zekere consensus met de andere partijen. De komende vier jaar zal blijken of de Partido Popular Aznars overwinningsbelofte waarmaakt en een dergelijke dialoog zal nastreven. Centrum-conservatief Spanje heeft hiervoor meer dan voldoende krediet en legitimiteit van de kiezers gekregen. Dat lijkt een toepasselijk sluitstuk van de `Spaanse Transitie' naar de democratie.