Schrijvende schilders zuchten en klungelen

Het lijkt zo simpel. Je neemt een kwast, doopt die in verf en smeert het op een doek. Dat herhaal je tot je vindt dat je een schilderij hebt – en zie: het publiek houdt niet op zich erover te verbazen. Die verbazing, die magie bijna, is de reden waarom de schilderkunst al snel met Grote Woorden wordt omgeven - de meubelmakerij zal niet snel worden `doodverklaard' en over de gemiddelde stratenmaker zullen niet snel verhandelingen worden geschreven waarin Spinoza, Slauerhoff en Simonides worden geciteerd.

Vaak zijn het de magiërs zelf die zich het meeste verbazen, zo blijkt uit de nieuwe nummers van de tijdschriften Dietsche, Warande en Belfort (DWB) en Kastalia, waarin drie schilders schrijven over hun eigen werk. In Kastalia, een jong en ambitieus tijdschrift, zijn dat Maria Barnas, die studeert aan de Amsterdamse Rijksacademie maar deze maand ook haar tweede roman De Verleiding publiceert, en Arie Schippers, vooral bekend van kleurige landschappen. DWB laat maar één schilder aan het woord, die meteen het halve nummer krijgt, maar dat mag als je Luc Tuymans heet en de beroemdste schilder van België bent.

Uit de drie bijdragen blijkt opnieuw dat de handeling van het schilderen makkelijk te beschrijven is, maar dat de mythe die wordt opgeroepen al snel tussen ieders vingers doorglipt - met als gevolg dat we drie schrijvers zien worstelen met iets onbeschrijfelijks. Arie Schippers lost dat dilemma op door als een soort stratenmaker te poseren. ,,Alles is omslachtig in het leven'', zo meldt hij, ,,het is vies, moeizaam en nog veel meer. Het schilderen idem dito. Vandaag een uur gezocht en niets kunnen vinden. Dat is niet alleen vervelend, het vreet aan je. Uiteindelijk een paar boerenhuisjes naast een paars weggetje geschilderd. Wat moet er tijdens dat geschilder toch gezucht worden en geklungeld en doorgezet.'' Dat gezucht en geklungel geldt ook voor Maria Barnas, die nog nauwelijks een kwast lijkt aan te raken en voor de rol van afstandelijke beschouwer kiest. ,,Wat wil ik eigenlijk?'' vraagt ze zich af – wat wil je ook als je zelfs op de academie een docent tegenkomt die de schilderkunst weer eens doodverklaart.

Waar de Nederlandse petits maîtres nog modderen met potten verf en geketende ezels (Schippers) kiest schildersvorst Luc Tuymans in DWB voor de vlucht naar voren. Het katern over zijn werk, dat maar liefst vijftig pagina's beslaat, opent met de volgende zin: `De kleine ruimte tussen verklaring van het beeld en het beeld zelf geeft het enig mogelijke perspectief op de schilderkunst; mijn commentaar kan slechts meerduidig zijn'– en daar zit je dan als lezer. Nu weerhoudt die meerduidigheid Tuymans er niet van flink uit te pakken met achtergronden, ideeën en filosofieën over eigen werk. Het merkwaardige is, je wordt er nauwelijks wijzer van dan van het geploeter van Barnas en Schippers. Het enige waarin de verschillende stukken verschillen is hun pretentie, en die wordt ook al duidelijk in hun werk. Van Arie Schipper is bijvoorbeeld een miniem Zelfportret als tuinstoel afgebeeld, Tuymans geeft een anderhalve pagina durende opsomming van titels, waarin niet op een Auschwitz, Himmler of Blutige Brigitta wordt gekeken. Hoe verleidelijk het ook is om Tuymans op grond hiervan af te doen als een pretentieuze kwast, zijn doeken zijn onmiskenbaar spannender dan de landschappen van Schippers. Misschien had Harry Mulisch ook hierin weer gelijk: `Het beste is, het raadsel te vergroten'.

Kastalia, nr. 2, 2000 Inf. (020) 468 92 57. Prijs ƒ14,25.

Dietsche, Warande en Belfort, nr. 1, 2000 Uitg. De Bezige Bij, ƒ16,50.