`Rood' en `wit' verdelen Ambon na de furie

Ambon `wit' en Ambon `rood' – het geweld op de Molukken lijkt tot bedaren te zijn gekomen, maar de littekens zijn nog overal zichtbaar. Christenen en moslims hebben elkaar de rug toegekeerd.

,,Geen woord van waar. Leugens!'' Brigade-generaal Max Tamaela ontploft, of doet alsof. Tijdens zijn dagelijkse persconferentie over de veiligheidssituatie in de Molukken vraagt hij op barse toon of er vandaag ook een verslaggever aanwezig is van de krant Siwalima. Iemand steekt zijn hand op. Die morgen citeerde de krant op de voorpagina kolonel Dewa Artika, de provinciale politiechef van de Molukken. De kolonel, een Balinees, zou hebben gezegd dat het ,,tijd wordt dat de militairen de verantwoordelijkheid voor de veiligheid overdragen aan de politie en dat de hulptroepen van elders naar huis gaan''.

Tamaela, dreigend: ,,Weet je dat ik jullie kan aanklagen voor deze verzinsels? De kolonel belde mij vanmorgen op; hij was net zo verbaasd als ik. Hij heeft dit nooit gezegd en zal die journalist vandaag nog op het matje roepen.'' Dan, als een teleurgestelde vader: ,,Hou nu eens op met onrust zaaien onder het publiek. Jullie journalisten moeten ons juist helpen de mensen op hun gemak te stellen, zeker nu het rustig is op Ambon en het ook op andere eilanden beter gaat.''

Een verslaggever op de achterste rij roept: ,,Ik zou nog even wachten met die overdracht, Pak (vader) Max.'' Tamaela lacht breed onder zijn zware snor en zegt dan: ,,Daar ga jij niet over, vriend. Dat is een zaak van de gouverneur, de politiecommandant en mij. En zoiets vergt een zorgvuldige evaluatie vooraf.'' De volgende dag brengt Siwalima een rectificatie: het bericht zou berusten op een ,,misverstand'' tussen de verslaggever en de politiechef. Tamaela acht de tijd kennelijk nog niet rijp om de teugels uit handen te geven en zette kordaat de bajonet in deze proefballon van de politie.

Op 29 december, drie dagen nadat op tweede kerstdag een derde geweldsgolf Ambon, Buru, Seram en de noordelijke Molukken overspoelde, droeg de politie het `commando ter beteugeling van ongeregeldheden' en het bevel over de aangevoerde `militaire bijstand' over aan de militaire commandant van de Molukken, de van Seram afkomstige Tamaela. Het garnizoen van de Molukken – drie bataljons groot – is intussen versterkt met veertien bataljons – mariniers en eenheden van de Strategische Reserve (Kostrad) – uit andere delen van Indonesië. Begin januari gaf Tamaela opdracht tot een `schoonmaakactie' die nog steeds voortduurt. Militairen gaan van huis tot huis om wapens te zoeken en controleren de papieren van bewoners en bezoekers. Er zijn intussen duizenden vuur- en steekwapens en explosieven, vaak producten van huisvlijt, in beslag genomen.

Op Buru, Seram, Halmahera en Morotai hebben nog sporadische botsingen plaats, want daar kampen Tamaela's bataljons met logistieke problemen – de wegen zijn slecht en de militairen hebben te weinig boten om tijdig op te treden in de kustdorpen – maar op Ambon heerst een gewapende vrede.

AMBON

Ambon

Na drie bloedige gevechtsrondes tussen christelijke en islamitische strijdgroepen – vorig jaar januari, juli en december – is Ambon-stad zwaar gehavend. Winkelpanden, huizen, kerken en moskeeën zijn veranderd in geblakerde ruïnes. De Jalan A.Y. Patty, ooit de drukste winkelstraat, is verlaten en vormt nu de grenslijn tussen de islamitische woonwijken aan de Baai van Ambon en de christelijke wijken, die zich uitstrekken tot in de groene heuvels. De panden die niet zijn uitgebrand, zijn dichtgetimmerd en soldaten van Kostrad-bataljon 303, die de `grenspost' bemannen, zijn de enige levende wezens.

De vijandelijkheden hebben een schifting op gang gebracht in de vanouds gemengde gemeenschappen. Moslimgezinnen zijn `rode' (overwegend christelijke) kampongs en stadswijken ontvlucht, nadat hun huizen in vlammen waren opgegaan of louter om het vege lijf te redden, en vanuit `witte' wijken en dorpen, waar moslims in de meerderheid waren, kwam een stroom christelijke vluchtelingen op gang. Volgens de laatste tellingen van de provincie zijn op Ambon 43.329 mensen ontheemd. Sommigen vonden onderdak bij verwanten elders, maar voor velen was geen onderkomen voorhanden. Zij zijn aangewezen op tenten en onderkomens van hardboard en golfplaat in militaire kampementen, of hutjes opgetrokken van het hout en bladeren.

De eerste golf vluchtelingen, die in januari 1999 op gang kwam, betrof immigranten uit Sulawesi: Butonezen, Buginezen en Makassaren (gewoonlijk aangeduid als `BBM'ers'), die een heenkomen zochten op hun eilanden van herkomst. Het aantal aldus `geremigreerde' BBM'ers wordt geschat op 150.000. Deze exodus heeft op Ambon geleid tot een sociale omwenteling. De grote markt Mardika, dicht bij de haven, was tot vorig jaar voor 90 procent in handen van BBM-handelaren. Molukse groenteverkoopsters konden met moeite een plaatsje veroveren aan de rand van de markt en weken uit naar omliggende straatjes.

De Mardika-markt ging vorig jaar in vlammen op, en er is op heel Ambon bijna geen BBM'er meer te vinden. In de `rode' wijken, samen tweederde van Ambon-stad, is de handel geheel overgenomen door Molukkers, overwegend in roze sarongs en hesjes gestoken `mamma's' uit kampongs in de heuvels van het schiereiland Leitimur, nu `rood' gebied. In de westelijke wijk Benteng en langs de zuidelijke ringweg zijn honderden zelf getimmerde kioskjes met groente en fruit verrezen. Auto's kunnen er met moeite langs, maar niemand die deze spontane bedrijvigheid een strobreed in de weg durft te leggen. In de `rode' kampong Halong, vlakbij de marinebasis aan de baai, waar zo'n 7.000 vluchtelingen huizen, is op de pasar kaget (spontane markt) intussen van alles te koop, tot en met nieuwe cd's.

Opmerkelijk is de `revolutie' in de betjak-branche. De betjaks (fietstaxi's) van Ambon-stad werden tot januari 1999 uitsluitend bereden door jongens uit Sulawesi en Buton. Molukse jongemannen keken neer op dit voetenwerk; hun ideaal was een bureaubaan in het kantoor van de gouverneur. Maar de tijden zijn veranderd. Molukse jongens huurden of kochten de door BBM'ers achtergelaten betjaks en verdienen daar nu goed mee. Molukse meisjes, die een betjak-rijder vroeger niet zagen staan, hebben oog gekregen voor de charmes van de peddelaars, die naar hun gunsten dingen met een geurtje in het snel gekapte haar.

Er is al twee maanden niet meer gevochten op Ambon, maar de angst om de demarcatielijnen tussen `rood' en `wit' te overschrijden, is nog groot. Een gepensioneerde ambtenaar van Buru, die vorige maand met vrouw en twee dochters naar het `witte' gehucht Tahuku aan de noordkust van Ambon vluchtte, zegt: ,,Ik durf niet zelf naar het postkantoor in Ambon-stad en betaal de militairen om mijn uitkering te innen.'' Omdat de haven nu in `wit' gebied ligt, heeft het verkeer per speedboot tussen de christelijke kampongs aan weerszijden van de baai zich verplaatst naar de `rode' strandjes van Benteng aan de zuidelijke en Hative Besar aan de noordelijke oever. Jantje, een protestantse Molukker uit Benteng, huurt de speedboot van een Chinees – ook een christen – en heeft een `deal' met een geloofsgenoot uit Hative Besar die met zijn taxi op en neer rijdt naar het vliegveld bij Laha. Samen zijn ze duur, maar hun klant is binnen een half uur van de luchthaven in zijn hotel.

De islamitische dorpen aan de noordkust van het schiereiland Leihitu kunnen voorzien in de eigen voedselbehoefte, maar de daar neergestreken vluchtelingen uit Buru, Seram of `rood' Ambon zijn grotendeels aangewezen op voedsel dat wordt uitgedeeld door de hulporganisatie Action contre la Faim (ACF). Die rijdt wekelijks in konvooien met blauw-witte vlaggen van Ambon-stad naar Hitu en Hila aan de noordkust.

`Witte' kampongs kunnen de overschotten van hun tuinen alleen slijten aan de geloofsgenoten in Ambon-stad via de haven, want de route over land voert door de christelijke kampongs langs de baai. Tussen de `rode' en `witte' zones in de stad komt heel voorzichtig ruilhandel op gang. Groepjes jongemannen verzamelen zich bij militaire grensposten en plaatsen bestellingen bij de andere kant: groente van de `roden' en kippen en eieren van de `witten'. Deze transacties vormen de prille aanzet tot normalisering van de rood-witte betrekkingen. Dezelfde jongeren die in december nog met elkaar op de vuist gingen, doen nu, onder het toeziend oog van militairen, zaken met elkaar.

Veel Ambonezen zeggen `moe' te zijn van het geweld, maar het wantrouwen is nog niet verdwenen. Tamaela's razzia's hebben niet alle arsenalen opgespoord en de `gangs' in Kuda Mati (rood) en Galungung (wit) zijn bij het geringste gerucht over incidenten gevechtsklaar. Op 6 februari leidde de eerste steenlegging voor de Silo-kerk en de moskee An-Nur – beide gingen eind december in vlammen op – tot spontane grensoverschrijdingen en omhelzingen over en weer. Maar na zonsondergang blijven `rood' en `wit' angstvallig in het eigen getto.