Het kantoor als visitekaartje

Als er een gebouwentype is waarin de mondialisering zich zou moeten doen gelden, dan is het het kantoor. Toch blijken er nog grote verschillen te bestaan tussen de kantoren in Europese landen. In Engeland regeert het shareholders kapitalisme, geld voor inrichting van het interieur wordt vaak als geldverspilling gezien. Alleen de chef heeft een eigen kamer; een werknemer krijgt niet meer dan gemiddeld 17 vierkante meter werkruimte toebedeeld. In Duitsland en Nederland hebben de werknemers meer beenruimte. Hier heerst het stakeholders kapitalisme; wordt met meer belangen rekening gehouden en wordt het kantoor vaak gebruikt als visitekaartje

Ook in steden wordt de mondialisering steeds meer zichtbaar. Door computers, Internet en andere nieuwe informatietechnieken wordt de wereld niet alleen een global village, ook gaan steden over de hele wereld steeds meer op elkaar lijken. Nog even en wereldreizigers kunnen alleen nog aan hun reisschema zien waar ze zich bevinden. Overal, van Sjanghai tot Rotterdam en van Frankfurt tot Phoenix, verschijnen in adembenemend tempo dezelfde soort kantoorgebouwen van beton, staal en glas.

Als er één gebouwentype is waarin de mondialisering zich bij uitstek doet gelden, dan is het het kantoor. De nieuwe informatietechnieken maken kantoorwerk overal op de wereld eender, dus ligt het voor de hand dat de gebouwen waarin dit werk wordt uitgevoerd eenzelfde vorm krijgen. Toch gaan achter de glanzende glasfaçades van de kantoren nog steeds werelden van verschil schuil, zo luidt de verrassende conclusie die Juriaan van Meel (1972) trekt in zijn onlangs verschenen proefschrift The European Office. Office design and national context. Vooral in Europa zijn de verschillen tussen de kantoorgebouwen nog steeds groot, stelt Van Meel vast na zijn onderzoek in Engeland, Zweden, Italië, Duitsland en Nederland waarop hij begin februari promoveerde aan de Technische Universiteit Delft.

,,Speyer, een Amerikaanse projectontwikkelaar, heeft eens gezegd dat hij overal in Azië en Amerika dezelfde kantoren kan bouwen, maar niet in Europa'', zegt Van Meel in een kamer van de vakgroep Bouwmanagement & Vastgoedbeheer op de twaalfde verdieping van het gebouw van de faculteit Bouwkunde. ,,De grootste verschillen bestaan tussen de kantoren in Engeland en die op het continent. Engelse kantoormensen zitten meestal in één open ruimte en beschikken over een klein oppervlak per persoon, in Londen zo'n 17 vierkante meter. In Engeland zijn de arbeidsverhoudingen veel hiërarchischer dan in Nederland en, misschien voor sommigen verrassend, in Duitsland. In het algemeen hebben in Engeland alleen chefs een eigen kamer. Maar in Duitsland en ook Nederland overheerst het cellenkantoor: hier is het heel gewoon om een eigen kamer te hebben. Hooguit moet die worden gedeeld met een aantal mensen. Maar in ieder geval heeft iedereen meer ruimte dan in Engeland: 24 vierkante meter kantooroppervlak heeft de gemiddelde werknemer in Amsterdam en in Frankfurt zelfs 25,5.''

Van Meel geeft verschillende oorzaken voor de verschillen tussen de kantoren. Allereerst heeft Europa veel oude steden, die hoogbouw vaak niet toestaan. Anders dan in Amerika en Azië komen hierdoor in Europa, met uitzondering van Londen, Frankfurt en Rotterdam, maar weinig wolkenkrabbers voor. ,,Stedenbouwkundigen en zeker het grote publiek vinden vaak dat hoogbouw niet past in oude steden'', zegt Van Meel. ,,In Zweden bestaat zelfs een algemene en onverholen afkeer van hoogbouw. Hier krijgen grote kantoren dan ook niet de vorm van skyscrapers maar van ruimteverslindende groundscrapers. In Italië stuiten hoogbouw en andere grote bouwprojecten vaak op de taaie bureaucratie.''

Een tweede oorzaak van de verschillen is de aard van de kantorenmarkt in de diverse landen. ,,In Engeland is sprake van shareholders' kapitalisme: het belang van de aandeelhouder staat hier bij de bedrijven voorop'', aldus Van Meel. ,,In huisvesting wil een Engels bedrijf daarom niet onnodig veel geld steken. Zelfs gerenommeerde bedrijven vinden het in deze landen heel gewoon om hun hoofdkantoor te huren. Het beroemde high-tech-kantoor van Lloyd's in Londen, ontworpen door Richard Rogers, is dan ook echt een uitzondering. In Engeland zijn het, net als in Amerika overigens, vooral projectontwikkelaars die kantoorgebouwen neerzetten. Dit werkt gestandaardiseerde, eenvormige kantoren in de hand: de projectontwikkelaar bouwt tenslotte voor de markt en dus voor een onbekende, gemiddelde klant.

,,Maar in Duitsland, Nederland en Zweden is veel meer sprake van stakeholders' kapitalisme. Hier houdt de bedrijfsleiding rekening met meer dan alleen het belang van de aandeelhouder. In deze landen willen bedrijven vaak dat hun hoofdkantoor een visitekaartje wordt. Het hoofdkantoor moet iets zeggen over het bedrijf. Bovendien is de invloed van de werknemers op de bedrijfsvoering groter dan in Engeland. Als in Nederland een kantoorgebouw wordt gebouwd, worden de werknemers er op een of andere manier bij betrokken. En die willen bijvoorbeeld zelf een raam open kunnen doen en zijn gehecht aan privacy.''

Ook regelgeving speelt een rol in de verklaring van de verschillen tussen de Europese kantoren. ,,In Duitsland en Nederland bepalen de bouwwetten en -regels dat alle werkplekken van daglicht moeten zijn voorzien'', aldus Van Meel. ,,Ook bestaat hier vaak de wens dat elke werknemer een uitzicht heeft; dit komt het werk ten goede, zo is de overweging. Dus zie je in deze landen dat kantoren nooit dieper zijn dan een meter of zeven. In Engeland spelen dit soort bepalingen en overwegingen geen rol. Daar zijn de kantoren juist heel diep, met de ruimtes van de chefs aan de buitenkant en verder grote open, door kunstlicht verlichte ruimtes waar de rest zit. De verschillen kun je goed zien aan de One Canada Square Tower in Canary Wharf in Londen en de Rembrandt Toren in Amsterdam. Allebei zijn het klassieke wolkenkrabbers en de hoogste gebouwen in beide steden, maar de Londense toren is bijna twee keer zo diep als de Amsterdamse.''

Van Meels proefschrift nuanceert niet alleen de invloed van de mondialisering op de kantorenbouw, maar rekent ook af met een aantal architectuurclichés. Zo blijkt `form follows function', de beroemde uitspraak van de Amerikaanse architect Louis Henry Sullivan die het adagium van het functionalisme werd, bij kantorenbouw zinledig. ,,In handboeken voor het ontwerpen van kantoren wordt vaak gesteld dat elk type activiteit of functie vraagt om zijn eigen type ruimte'', zegt Van Meel. ,,Maar de internationale verschillen laten juist duidelijk zien dat soortgelijke activiteiten kunnen plaatsvinden in sterk verschillende gebouwen. Er bestaat niet één oplossing voor een bepaald ontwerpprobleem, maar vele, zo niet talloze. Bovendien zijn functionele eisen niet zo duidelijk en objectief als vaak wordt voorgesteld. De term efficiëntie heeft een andere betekenis in Amsterdam dan in Londen, waar de huren twee keer zo hoog zijn.''

Ook een andere beroemde uitspraak, dit keer van Cass Gilbert, de architect van het Woolworth Building in New York, dat een wolkenkrabber niets anders is dan `een machine die de grond rendabel maakt' is aan nuancering toe. ,,Er is geen eenduidig verband tussen hoogbouw en grondprijzen. In Londen, waar de huren per vierkante meter met 1.117 dollar per jaar hoog zijn voor Europese begrippen, is het ontstaan van wolkenkrabbers nog wel te verklaren uit de grondprijzen'', zegt Van Meel. ,,Maar in Frankfurt, waar de huurprijs maar 548 dollar is, bouwen de banken nóg hoger. Hier, en ook in Rotterdam trouwens, moet toch sprake zijn van fallocratie: bedrijven willen met hun hoge gebouwen hun economisch succes laten zien.''

Het staat vast dat IT-toepassingen in de toekomstige kantoren nog wijder verbreid zullen zijn. ,,Toch geloof ik niet zo in een kantoorrevolutie'', zegt Van Meel. ,,Er wordt nu al tien jaar gesproken over telewerken. In Nederland doet nu 9 procent van de werknemers aan telewerken. Nederland is hiermee koploper in Europa, maar ik vind het nog niet indrukwekkend. Het cellenkantoor is dan ook nog steeds overheersend in Nederland. Bedrijven zoeken elkaar ook nog steeds op. Voor een beetje bank is het toch belangrijk om in de City van Londen te zitten en het is geen toeval dat de ABN Amro en de ING Bank allebei hun hoofdkantoren aan de Amsterdamse Zuidas bouwen.

,,Bovendien leert het verleden dat kantoorrevoluties vaak tijdgebonden en modieus zijn. `Modes zijn prettig voor sommige architecten, maar dodelijk voor gebruikers', zei een architectuurcriticus al eens. Zo was in de jaren zeventig het `kantoorlandschap' even heel populair in Europa. Dit idee van een grote open ruimte zonder duidelijke scheidingen en met veel ontmoetingsplekken was grappig genoeg een Duitse uitvinding van het Quickborner Team. Het idee was dat via informele ontmoetingen werknemers elkaar zouden aanzetten tot meer creativiteit en grotere arbeidsvreugde. In Nederland is Herman Hertzberger er met zijn kantoor voor Centraal Beheer in Apeldoorn beroemd mee geworden. Maar na een paar jaar kwam men er toch van terug. De meeste werknemers hadden toch een onuitroeibare behoefte aan privacy.

,,De laatste jaren wordt veel gesproken en geschreven over `shared office, virtual office en non-territorial offices', allemaal varianten op het flexibele kantoor. Hier hebben `nomadische' werknemers geen eigen vaste werkplekken meer, maar zijn uitgerust met mobiele telefoons en laptops waarmee ze overal in het gebouw terechtkunnen. Er zijn zelfs visioenen over een toekomst zonder kantoren, omdat je met laptops en mobiele telefoons net zo makkelijk aan de rand van een zwembad kunt werken.

,,Maar al deze ideeën zijn hoogst normatief: net als architectuurtheorieën in het algemeen schrijven ze voor hoe kantoren zouden moeten werken, niet hoe ze echt werken. Dat is bijvoorbeeld goed te zien bij het nieuwe kantoor van de VPRO, dat twee jaar geleden werd ontworpen door het architectenbureau MVRDV. Dit is een nieuwe, radicale toepassing van het kantoorlandschap uit de jaren zeventig, die heel geschikt leek voor een creatieve organisatie als de VPRO. Maar er is bijna een opstand uitgebroken onder het personeel wegens het gebrek aan privacy en de beroerde akoestiek van het open, betonnen gebouw.

,,Toch geloof ik wel dat radicale experimenten als het VPRO-gebouw hun waarde hebben. De maatschappij verandert en dus zullen ook de gebouwen en kantoren veranderen. Maar veel zal toch hetzelfde blijven in de kantoren: de behoefte aan privacy, aan contact met collega's, aan uitzicht en aan een eigen raam dat je naar believen open kunt openen. Als één ding zeker is, dan is het dat bedrijven in de toekomst, wanneer de Europese bevolking slinkt, zullen moeten vechten om personeel. Ze kunnen het zich dan niet meer permitteren om de behoefte van de gebruikers te negeren bij het bouwen van kantoren. Menselijke kantoren hebben daarom de toekomst.''

Juriaan van Meel: The European Office. Office design and national context. Uitg. 010 Publishers, 182 blz. Prijs ƒ49,50