De ongrijpbare kern

Aan het begin van het jaar verraste het Internetbedrijf America On Line publiek en deskundigen met de overname van Time Warner, de mediakolos die zelf het product is van fusies en overnames. ,,De nieuwe media zijn opgestaan en ze verzwelgen de oude. Dit is de volgende stap naar een mondiale samenleving waarin alle media-platforms gecombineerd zullen zijn'', schreef de Financial Times, een dagblad dat maar zelden van opwinding blijk geeft. Er was reden toe. Door de overname is de grootste organisatorische concentratie van televisiestations, filmstudio's, kranten, tijdschriften, pretparken, nieuwsgaring en kabelondernemingen ontstaan. Het deed me denken aan vervlogen tijden. Communistische regeringen brachten hun kranten, weekbladen, de radio en de televisie het liefst in één of twee gebouwen onder. In zijn Technique du coup d'état legt Curzio Malaparte, geïnspireerd door Trotsky, uit wat de reden voor deze voorkeur is. Wie de media heeft, beheerst de staat. Bij tekenen van onrust stuurt het Centraal Comité een paar tanks naar dit centrum en de opstand is in de kiem gesmoord. Miloševic zal een van de laatsten zijn die deze les in praktijk brengt. Vorige week heeft hij nog een radiostation gesloten. Binnenkort is het voorgoed afgelopen met de gewoonte media door tankbemanningen uit de circulatie te laten nemen.

Onstuitbaar gaat de mondialisering verder. Nu heeft de kabelgigant in de groei UPC (United Pan Europe Communications) aangekondigd de van oorsprong Zweedse productiemaatschappij SBS te willen overnemen. SBS heeft dochtermaatschappijen die in tien Europese landen radio- en televisieprogramma's uitzenden. In Nederland zijn dat SBS6, Net5, Radio Noordzee en op Internet Fun Website. Zoals de overname van Time Warner door AOL wordt deze een machtsgreep genoemd. Dat is de enige term die van toepassing is. Iedere schaalvergroting van dit soort betekent dat meer macht over werkgelegenheid, lonen en de prijs van het aanbod verder wordt geconcentreerd binnen de grenzen van de wetten in het betrokken land, en overigens met alleen de verre controle zoals die door de koersen op de beurs wordt geëffectueerd. Over deze mediamonopolies in wording ontstaat natuurlijk onrust. De Consumentenbond, de journalistenvakbond NVJ en de Tweede Kamer gaan zich ermee bemoeien. Ze vragen zich af, of het publiek niet een te hoge prijs zal gaan betalen, en of de leiding van het concern niet te veel macht zal krijgen door te bepalen welke programma's niet lucratief genoeg zijn en dus `van de kabel geweerd' worden. In Amsterdam is het precedent geleverd door A2000, de kabelmaatschappij die bepaalde dat CNN niet nodig was omdat er te weinig mensen naar keken.

Mediaconcentraties oefenen macht uit, op de gebruikelijke manier, doordat ze grote economische eenheden zijn. Bovendien doordat ze via hun aanbod in hoge mate de keuze van de consument beperken of uitbreiden. Dat kan uitdraaien op een commercieel gemotiveerde censuur, zoals in het geval van CNN en A2000. Dit is een vorm van censuur die, zoals is gebleken, krachtens de wet zeer moeilijk ongedaan valt te maken. Tenslotte gaat het om de inhoud van het geheel waarmee ieder station het publiek bedient. Daar ligt, paradoxaal, de kern van de ongrijpbaarheid.

Het voorbeeld wordt in Nederland, toevallig, geleverd door SBS6, dat tussen zes en half acht het programma Door 't lint van Jerry Spinger uitzendt. Ik heb er eens een paar minuten naar gekeken, voldoende om te weten dat Springer op het gebied van platheid en onguurheid van wanten weet. Er kwamen klachten van docenten die hadden vastgesteld dat Springer onder de kinderen school maakt. In de Volkskrant heeft Joost Zwagerman er een column over geschreven, `SBS6 als geïnstitutionaliseerde penose'. Hij neemt Springer als voorbeeld om verder beredeneerd te constateren dat de stelling `voorbeeld doet volgen' ook voor de televisie geldt: ,,Er bestaat een directe relatie tussen het toenemend geweld in de samenleving en de strak geregisseerde scheld- en schopmoraal op de televisie.''

De kern van de ongrijpbaarheid is, dat programma's van dit genre – Springer als dieptepunt, veel in gematigder vorm maar volgens hetzelfde beginsel – grote kijkdichtheid verzekeren, en daardoor meer reclame-inkomsten. De eigenaardige tegenspraak is, dat wat voor de reclame wèl zou gelden, voor het programma zelf niet van belang zou zijn. Als het vertonen van een spotje waarin iemand bier drinkt van merk X de behoefte aan dit bier doet ontstaan, zou dan het handelen volgens de scheld- en schopmoraal andersoortige verlangens opwekken? Kort gezegd: de algemene teneur van de televisie draagt bij tot de algemene teneur van de samenleving (en is daarvan misschien ook tegelijkertijd een uitdrukking). Als UPC met zijn zojuist verworven dochter SBS de bedoeling zou hebben in Nederland nog verheffender programma's voor minder geld ruimer te verspreiden, was dit nieuws niet verder dan de financiële pagina's gekomen. Het wantrouwen is niet alleen gericht tegen de concentratie van economische macht. Veel meer gaat het om de vraag, wat de nieuwe kolos ermee gaat doen, wat op den duur de content zal blijken te zijn. Dit wantrouwen komt voort uit ervaring. Het ongrijpbaar collectief van degenen die de programma's laten maken en de adverteerders vinden baat bij leegheid en platheid, of, zoals Zwagerman het uitdrukt, bij `een verdere verhuftering van de hangplek Nederland'. Megaconcentraties in de media betekenen niet eenvoudig vergroting van economische macht. Het vervolg is een voortgaande monopolisering van de cultuur, een nieuw soort collectivisering in platheid, een technique du coup d'état waarvan Malparte niet heeft kunnen dromen.