Universeel verzwegen leed

et welk bedrag de regering ook over de brug komt om de oude schuld aan de joodse gemeenschap te voldoen, het zal voor een aantal mensen nooit genoeg zijn, zolang het om geld alleen gaat. Het is geen onzinnige eis van het Centraal Joods Overleg dat de financiële afwikkeling gepaard moet gaan met de erkenning dat de `joodse' miljoenen die destijds niet gerestitueerd zijn, ten onrechte bij de overheid zijn blijven hangen. En die erkenning zal zo ondubbelzinnig moeten zijn, dat ze als afdoende kan worden opgevat. Volgens Ronny Naftaniel, de woordvoerder van het Centraal Joods Overleg, is zo'n erkenning belangrijker dan de hoogte van het bedrag.

In zijn vraaggesprek met Tracy Metz in Z van afgelopen zaterdag sprak Naftaniel al over ,,een streep onder de geschiedenis'', op voorwaarde dat de regering de schadeloosstelling tenminste niet presenteert als een `tegemoetkoming' of een `gebaar' naar de joodse gemeenschap. Een streep zetten onder de kwestie van de `zoekgeraakte' tegoeden is misschien niet onmogelijk. Een streep zetten onder de geschiedenis daarentegen lijkt mij uitgesloten.

Als de nieuwe joodse generaties dezelfde radicale ontwikkeling zullen doormaken als de Amerikaanse al hebben doorgemaakt, zal dat zeker niet gebeuren. De geschiedenis van het jodendom in en na de oorlog is niet het exclusieve eigendom van de generatie die de jodenvervolging en de terugkeermisère aan den lijve heeft meegemaakt. De jongere generaties zijn verre van onverschillig voor de oorlogsgeschiedenis en zijn er zeker niet aan ontgroeid. Dat blijkt onder meer uit de onderhandelingspositie die het CJO tegenover de regering heeft aangenomen: harder in elk geval dan die van de vorige generatie.

Een illustratie van die tegenstelling is te vinden in een polemiek die drs. Herman Menco in het jongste nummer van het NIW met het CJO voert over de tot dusver met de regering gevoerde onderhandelingen. Menco behoort tot de eerste generatie oorlogsslachtoffers (overlevende van Auschwitz) en tot de tweede generatie bestuurders van het joodse organisatieleven. In die laatste hoedanigheid heeft hij jarenlang een centrale rol in joods Nederland gespeeld. Hij is het fundamenteel oneens met de claims die de derde generatie vertegenwoordigers van het Joods Overleg (Naftaniel c.s.) in het geding heeft gebracht. Menco volgt met een ongemakkelijk gevoel de aanvalstactiek van de `derde generatie' en heeft grote moeite met grote eisen. Hij stelt zich min of meer achter de commissie-Van Kemenade (wat het bedrag betreft), is tegen individuele uitkeringen en vindt dat het uit te keren geld bestemd moet worden voor behoeftige joden, bijvoorbeeld in Roemenië en in de Russisch-joodse gemeenschap in Israel. Zijn reactie in het NIW is een aanwijzing dat het laatste woord over de verdeling van het geld nog lang niet gezegd is, als het al geen voorbode van een grote onenigheid in de joodse gemeenschap is.

De Amerikaanse variant van dit generatieconflict komt uitvoerig ter sprake in een belangwekkend artikel van Eva Hoffman in The New York Review (tegenwoordig zonder de toevoeging of Books) van 9 maart j.l. In een bespreking van een spraakmakend nieuw boek van de historicus Peter Novick over de plaats van de holocaust in de Amerikaanse literatuur (The Holocaust in American Life) analyseert Hoffman het jarenlange Grote Zwijgen in de Amerikaanse samenleving, een verschijnsel zoals we dat ook in het naoorlogse Nederland gekend hebben. De joden die het in 1945 er levend hadden afgebracht en naar de VS emigreerden, stuitten in hun nieuwe vaderland, ook in joodse kring, op onverschilligheid zodra ze met hun oorlogsleed voor de dag kwamen. De Amerikanen wisten niets van de verschrikkingen van de kampen, niemand geloofde de verhalen die daarover werden verteld. Generaal Eisenhower, Amerikaans bevelhebber in Europa, was diep geschokt over wat hij bij de bevrijding van de kampen zag, maar hij sprak over de kampen als plaatsen waar de Duitsers `politieke gevangenen' hadden opgesloten.

De geschiedenis van de vernietiging werd ook in de VS lang weggedrukt en dat gebeurde mede door toedoen van joodse organisaties die geen raad wisten met het politieke klimaat van de jaren vijftig. Volgens Hoffman was er in de joodse assimilatiecultuur aanvankelijk geen plaats voor de holocausthistorie (het woord holocaust komt in de Amerikaanse taal pas tien jaar na de oorlog in zwang), maar Novick weidt uit over een factor die veel meer gewicht in de schaal legde: de rolverandering van Duitsland en de Sovjet-Unie in de Amerikaanse politiek.

De oude Russische bondgenoot was intussen de nieuwe vijand geworden en de oude gehate Duitse vijand was omgebouwd tot een betrouwbare democratische NAVO-kompaan. Over de nieuwe bondgenoot mocht geen kwaad woord meer worden gezegd – in het belang van de nieuwe naoorlogse wereldorde. Doodsbang om voor communist te worden uitgemaakt (beproefde antisemitische truc van de Amerikaanse communistenjager McCarthy) conformeerden de meeste joodse organisaties zich aan de nieuwe politieke code en riepen hun leden op de geschiedenis van Auschwitz e.t.q. te laten rusten.

De aanhoudende welvaart van de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog drong het onbespreekbare onderwerp nog verder terug: de Amerikaanse samenleving had er geen oren naar en in de joodse gemeenschap overheerste de drang om voor vol te worden aangezien – dat wil zeggen, voor vol Amerikaans. Pas in het begin van de jaren zestig zou die onverschilligheid voor het verleden worden doorbroken. Het proces Eichmann (Jeruzalem, 1961) zou de wereld wakker schudden voor wat er in de concentratiekampen gebeurd was en geleidelijk ook inwerken op het collectieve geheugen van het passieve Amerikaanse jodendom. Op het dramatische effect dat die doorbraak op het geschiedbewustzijn van het Amerikaanse jodendom heeft gehad kom ik volgende week terug.