Schrijvers verwaarlozen het heden

Straks weet niemand meer hoe het was midden in de polder op een vulkaan te dansen. Het drama voltrekt zich voor de ogen van de schrijver, maar hij schrijft er niet over, stelt Herman Stevens.

Niemand weet nog hoe Nederland eruit zag voor we begonnen met de jaarlijkse Boekenweek. Na zeventig jaar is de Boekenweek een natuurverschijnsel geworden. Vanavond wordt op het Boekenbal het startschot weer gegeven en dan krijgt tien dagen lang – een Boekenweek is geen gewone week – iedereen die een boek koopt het geschenk erbij.

Een cadeau voor de koper. De Boekenweek komt uit de crisistijd, toen men het publiek bijna met het pistool in de rug naar de boekhandel moest duwen. Nu leven we in de beste van alle tijden, de economie kan niet meer stuk, en op elke willekeurige zaterdag puilen de winkels uit van de lezers, snuffelaars en funshoppers. Zonder Boekenweek komen de boeken ook wel de winkels uit.

Toch zou de Nederlandse literatuur er anders uitzien zonder Boekenweek. Elk jaar is er een thema om te laten zien dat de literatuur ergens over gaat. Simpele thema's: religie, familie, of, dit jaar, de klassieken. Zo zien we dat literatuur een sleutel op de wereld kan zijn, terwijl we op school alleen hoorden over stijl, constructie en intertekstualiteit.

Zo is literatuur een manier om de wereld van de Oudheid dichterbij te brengen, via de talloze vertalingen die ons nu van de klassieken worden aangeboden, en, indirect, via de historische romans uit onze tijd. En veel schrijvers, Harry Mulisch voorop, zouden niet eens een roman kunnen schrijven zonder klassieke motieven. Want in de literatuur ligt het verleden altijd net om de hoek.

Toch komt de nadruk op de klassieken dit jaar in de buurt van zwelgen. In het afgelopen millennium-jaar hebben we de moderne klassieken zo vaak langs zien komen dat we het liefst een hele tijd niets meer over het verleden zouden horen. Nergens staat gebeiteld dat literatuur altijd achterom moet kijken. Maar als we op de literaire journalistiek van 1999 moeten afgaan, is de literatuur één orgie van Dode Blanke Schrijvers. Want een dode schrijver is een veilige schrijver.

Het millennium-jaar was het jaar der wrake voor de critici. Wilde het publiek Lulu Wang, Pauline Slot en Connie Palmen? Wilde het gewoon lekker boeken kopen? Dan kreeg het publiek verhandelingen over Proust, Kafka en T.S. Elliot, week-in-week-uit, om nog maar te zwijgen over de auteurs die niet eens verkrijgbaar waren. Het moet geen pretje zijn elke week de hele boekproductie op je af te zien komen. Maar de bewieroking van de oude modernisten leek verdacht veel op het Goethe-Dante-Vondelen van de ingesufte Tachtigers dat satiricus Willem Paap een eeuw terug al ontmaskerde. Het is als goede smaak vermomde onverschilligheid.

Ieder seizoen prijzen de uitgevers wel een paar onvoorstelbaar slechte boeken de hemel in, want de media zijn een geoliede hype-machine geworden. Daar kan de kritiek niets aan veranderen. Maar als we daarom van de literatuur een museum maken, zijn we nog verder van huis. Zeker in Nederland, met zijn kwetsbaar korte literaire traditie, kunnen we ons de waan niet veroorloven dat het beste alweer achter ons ligt.

Voor cultuurpessimisten was de twintigste eeuw een tijd zonder historisch besef. Maar er is nog nooit een periode geweest waarin op elke slak zoveel historisch zout is gelegd. Tegen het eind van het jaar verdrongen de historici zich om op te sommen wat een beroerde eeuw we ervan hadden gemaakt.

Weltschmerz lijkt onze schrijvers ook te plagen. Wie een roman zoekt die met de kracht van verbeelding laat zien hoe het is om in deze tijd te leven, komt met lege handen thuis. De literatuur laat ons in de steek. Ons land wordt met het jaar gewelddadiger, we dansen op de rand van een vulkaan of we zijn allemaal bezig in no time rijk te worden, terwijl volksverhuizingen en bloedige oorlogen zich in onze achtertuin voltrekken. Het moet lang geleden zijn dat het zo snel ging in onze samenleving, maar de romanschrijvers sluiten hun ogen ervoor.

Het is nog maar kort geleden dat je in de beste romans de wereld om je heen kon zien, aangescherpt met de intensiteit van echte fictie. Halverwege de jaren tachtig verschenen achter elkaar grotestadsromans als Kellendonks Mystiek Lichaam, Zwagermans Gimmick!, de eerste delen van Van der Heijdens De tandeloze tijd en, de laatste in de reeks, Geerten Meijsings De grachtengordel. Wie de jaren tachtig in hun volle glorie en verval wil beleven, kan bij deze romans terecht.

En toen was het voorbij. Want voor de huidige tijd, de jaren negentig en later, ontbreekt zo'n literaire oogst. Kellendonk is al jaren dood, terwijl de anderen in een creatieve pauze zijn beland. En jongere schrijvers als Thomas Rosenboom en P.F. Thomése beperkten zich liever tot de veilige wereld van de historische roman. Zij zijn de meest serieuze schrijvers van hun generatie, maar ze lijken niet gehinderd door de ambitie in hun fictie deze tijd te laten zien.

,,Onze tijd is ontaard', verklaarde Rosenboom vorig jaar aan een interviewer van HP/De Tijd. ,,Die leent zich niet voor literatuur. Als je slechts een taakstraf krijgt wanneer je iemand hebt vermoord, wat is dan nog het drama?' Zo lijkt de vlucht naar de historische roman het literaire equivalent te zijn van de stille tocht tegen straatgeweld.

Lange tijd klaagden we dat onze literatuur zo braaf was, met zijn huwelijksleed en spruitjeslucht. Dat kwam ervan als je in zo'n beschaafd land woonde. We wilden toch niet een nieuwe oorlog organiseren alleen om er een Donkere kamer van Damokles aan over te houden?

Inmiddels leven we in een ander land. Het geweldsmonopolie is doorbroken, wraak en extase liggen in iedere stad voor het grijpen, en een schrijver hoeft alleen maar zijn ogen open te houden en hij ziet drama. En nog is het niet goed, als we Rosenboom moeten geloven. Vroeger was het allemaal beter voor de literatuur. Maar dat is de waan van de geschiedenis. Het verleden ziet eruit als een verhaal. Het heden is nog chaos.

Daarom hebben wij onze schrijvers nodig om het heden een gezicht te geven. Want straks kan niemand zich nog herinneren hoe het was om middenin de polder op een vulkaan te dansen. Het heden. Het zou een mooi thema voor de volgende Boekenweek zijn.

Herman Stevens is schrijver.