Radiodistributie

Het was een rechthoekig dofglanzend metalen kastje met een luidspreker dat bij ons thuis aan de muur in de achterkamer hing. Wat lager was de bedieningsknop bevestigd. Deze kon je in vier standen zetten. Hilversum 1 en 2 en nog twee zenders die regelmatig wisselden. De ene keer was het een Belgische dan weer een Franse of een Duitse zender. Ook zond de PTT eigen programma's uit. Wat lager zat de volumeknop met tien standen. De eenvoudige bediening en een gegarandeerd ongestoorde ontvangst waren in die tijd voor veel mensen de redenen om voor de `draadomroep' te kiezen. Ooit in 1924 was ene meneer Bauweling in Zaandam begonnen met het verspreiden van radiouitzendingen via een kabel. Daarna werden er in het hele land plaatselijke en regionale distributiestations opgericht. Onder druk van de Duitse bezetters nam de PTT eind 1940 al deze stations over. Na de oorlog is dat zo gebleven.

Naast de draadomroep was er natuurlijk de gewone radio met lampen. Later kwamen de transistorradio's en vanaf de jaren vijftig werd er bovendien steeds meer via frequentiemodulatie (FM) uitgezonden. Er kwamen ook steeds meer zenders en de prijs van de toestellen werd steeds lager. Daar kon de PTT op den duur niet tegenop en op 31 januari 1975 werd de laatste kabelaansluiting opgeheven.

Wij waren al zo'n vijftien jaar eerder op de lampenradio overgeschakeld en mijn broers en ik konden zodoende rechtstreeks genieten van Duitse programma's als `Musik aus Studio B', van Chris Howland, een in Duitsland achtergebleven Engelse soldaat die vanuit Hamburg een populair muziekprogramma uitzond en zeer mooi en buitengewoon accentvol Duits sprak en zong. `Fräulein', was zijn bekendste liedje en daar opende ook het programma mee. Ik denk dat hij voor veel mensen het culturele isolement waarin Duitsland zich toen nog bevond heeft helpen doorbreken. Nu was dat in het oosten van het land natuurlijk iets voor de hand liggender dan in het Westen. Twente en de andere grensregio's in het oosten waren traditioneel toch wat meer op de Duitse populaire muziekcultuur georiënteerd. Ik kan me geen bruiloft herinneren waarop er niet af en toe werd ingehaakt of het `Warum ist es am Rhein so schön' werd gezongen, gevolgd door het `Ein Prosit , eins, zwei, drei, saufen.' Mijn vrouw Marianne, die in Den Haag is opgegroeid, was de eerste keer dat ze dit meemaakte met stomheid geslagen, en nog steeds kijkt ze me wantrouwend aan wanneer ik uit volle borst meezing met `Weil die Männer so durstig und die Mädel so lustig'.

Ook de geheime zenders die in de jaren vijftig en zestig buitengewoon populair waren brachten in onze contreien vrijwel uitsluitend Nederlandse liedjes en Duitse schlagers ten gehore. Als een soort tegenwicht tegen de invasie van Engelse en vooral Amerikaanse muziek die vooral door de jeugd omarmd werd. Onze eerste grammofoonplaatjes waren dan ook van Harry Belafonte, Fats Domino, de Everly Brothers en van de Dutch Swing College Band. En ik zie ons nog op de keukenvloer van de familie De Leeuw rond de kleine `pick-up' liggen. We draaiden dat ene plaatje van Neil Sedaka: `Oh Carol, I am but a fool'. Uren achter elkaar.