Peper is slachtoffer van huichelachtigheid

In Nederland vallen politici gewoonlijk over het verleden, niet over het beleid dat ze voeren. De kwestie-Peper is daarom conform de vaderlandse traditie geëindigd, meent Mark Kranenburg.

De necrologie van Bram Peper verscheen reeds twee jaar geleden. In hun boek `Stijlen van besturen' schreven de bestuurskundigen Gerard Schouw en Pieter Tops onder de kop `De tragiek van Bram Peper' als eerste zinnen: ,,Wat maakte de ex-burgemeester van Rotterdam, Bram Peper, in Nederland tot een bijzonder bestuurder? Was het zijn vermogen om crisis na crisis te overleven en daar schijnbaar steeds weer onaangedaan, soms zelfs versterkt, uit te voorschijn te komen? Was het zijn vermogen om situaties koel en klinisch te analyseren, ook die waarin hijzelf een hoofdrol speelde alsof hij een geïnteresseerde buitenstaander was? Was het de vanzelfsprekendheid waarmee hij door tegenstanders als Kop van Jut gebruikt kon worden?''

Dat was dus 1998. Bram Peper was niet bestuurlijk dood, maar springlevend als net begonnen minister van Binnenlandse Zaken in het tweede kabinet-Kok. Maar dat zoveel besproken veelbesproken burgemeesterschap van Rotterdam is hem met terugwerkende kracht dan toch nog noodlottig geworden. En inderdaad: als gevolg van de tragiek.

Wat hield de tragiek van Peper die Tops en Schouw in hun boek signaleerden nu precies in? Volgens hen was dat enerzijds zijn ambitie om een democratisch leider te zijn vanuit de overtuiging dat dit herkenbaar en slagvaardig bestuur oplevert, en anderzijds een institutionele omgeving waarin zo'n leiderschap niet tot ontwikkeling kan komen, maar waarin besluitvorming (van anderen) in goede banen geleid moet worden. Vandaar dat Tops en Schouw ook spraken van een ,,mooie, gepassioneerde tragiek''.

Peper was als door de Kroon benoemde burgemeester weliswaar het gezicht van de stad, maar voor het beleid de gevangene van de gekozen bestuurders. Hoewel? Getuige alle verhalen uit de Rotterdamse krochten lijkt het er veel meer op dat de bestuurders zich zestien jaar lang als de gevangenen van Peper hebben beschouwd. Dat zegt wellicht veel over Peper, maar nog veel meer over al de mensen die de afgelopen tijd hun geheugen hebben opgefrist. Toen Peper weg was kwamen de verhalen pas echt los. Aanstaande vrijdag zal uit het rapport van de onderzoekscommissie van de Rotterdamse gemeenteraad moeten blijken wat het waarheidsgehalte van al het gegons is. Peper heeft dat terecht niet willen afwachten. Het klimaat rondom zijn persoon was dermate verziekt dat eigenlijk al tijden vaststond dat het onderzoeksrapport alleen maar tot het vertrek van Peper kon leiden. Onduidelijk was nog slechts hoe het eindspel gespeeld zou worden. Op zijn Pepers dus: met toch nog een verrassing, namelijk het tijdstip.

Een aftreden te laat, te vroeg of om niets? Het zijn vragen die weliswaar gesteld moeten worden, maar er eigenlijk niets meer toe doen. De schade is aangericht en wat resteert is de vieze smaak van een onfrisse affaire. Als aanstaande vrijdag een rapport verschijnt met daarin door de forensische accountants van KPMG vastgestelde laakbare gedragingen van burgemeester Peper, zal iedereen zijn eigen gelijk bevestigd zien.

De zaak was zodanig geëscaleerd, dat bij wijze van spreken één niet te verklaren bonnetje al voldoende was om Peper in een onhoudbare positie te brengen. Zijn ontkenningen waren de afgelopen maanden te massief geweest. Daarbij kwam nog dat minister-president Kok zijn steun aan de in opspraak geraakte minister Peper, had gebaseerd op diens pertinente ontkenningen. ,,Ik geloof hem op zijn woord'', zei Kok toen de kwestie vorig najaar begon te spelen. Kortom, het ging voor het voortbestaan van Peper al helemaal niet meer om hoeveel en hoe vaak. In feite was zijn lot al bezegeld toen de Rotterdamse raadscommissie met haar werkzaamheden begon.

Toch is het declaratiegedrag van de burgemeester maar een deel van het verhaal. Minstens zo pijnlijk is de laffe houding van de diverse Rotterdamse colleges van wethouders en, op iets meer afstand de gemeenteraden, die dat gedrag al die jaren hebben getolereerd. Het gesmiespel rondom Peper is immers al kort na zijn aantreden als burgmeester begonnen en daarmee een onderdeel geworden van de tragiek. De `keizer' van de grootste haven ter wereld die, als hij weer eens noodgedwongen op honk was, steevast werd geconfronteerd met de benepen denkwereld van de lokale politiek. Zo zijn de verhoudingen in Rotterdam van het begin af aan geweest.

Dat het personeel van het stadhuis bang was voor de burgmeester, en dus voor hem kroop en boog valt nog wel te begrijpen. Maar dat de bestuurlijk verantwoordelijken pas zijn gaan praten, en handelen toen het veelbesproken onderwerp naar elders was vertrokken, is voor het openbaar bestuur nog veel schadelijker dan welke dubieuze declaratie dan ook. Als Peper stelt dat alle rekeningen die nu worden gecontroleerd eerder al door de gemeenteraad zijn geaccordeerd, mag dat formalistisch lijken; het is natuurlijk wel waar. De voormalig VVD-wethoudster Van der Pol vervult nu een `heldenrol' omdat zij het een en ander naar buiten heeft gebracht. Maar waar was zij toen Peper er nog zat en zij het laakbare gedrag van de burgemeester daadwerkelijk en in functie aan de orde had kunnen stellen?

Minister Peper is gestruikeld over burgemeester Peper. Zo is de kwestie toch nog geëindigd conform de vaderlandse traditie. In Nederland vallen politici gewoonlijk over hun verleden, niet over het beleid dat ze voeren. Minister Van Eekelen van Defensie vertrok in 1988 omdat hij in een vorige kabinetsperiode als staatssecretaris van Buitenlandse Zaken er niet op had gelet of de lijm van het nieuwe paspoort wel hield. Roel in 't Veld kon al na negen dagen als staatssecretaris van Onderwijs vertrekken omdat hij in zijn vorige leven als hoogleraar er een aantal betaalde bijbanen op had nagehouden, en nu dus minister Peper als gevolg van zijn verleden als burgemeester Peper.

Morele oordeelsvorming gaat de Nederlandse politiek een stuk gemakkelijker af dan verantwoordelijkheid opeisen dan wel nemen voor gevoerd beleid. Een minister van Defensie blijft zitten als onder de ogen van Nederlandse militairen in Srebrenica de grootste naoorlogse massaslachting in Europa wordt voorbereid. Gevaarlijk wordt het pas als de bonnetjes niet meer volledig kunnen worden verantwoord.

Een manke vergelijking? Ongetwijfeld. Daarom: als Peper er nog gewoon had gezeten en de Rotterdamse onderzoekscommissie was vrijdag met niet te verklaren en onrechtmatige declaraties aangekomen, had hij de volgende dag weg moeten zijn. Een minister die met de integriteit van het openbaar bestuur is belast, kan zich een dergelijk verleden niet veroorloven.

Maar wat nog meer wringt is de wispelturige moraal die wordt gehanteerd, en de gevolgen die dat kan hebben voor het openbaar bestuur. De politiek was al een onzeker bestaan als gevolg van het onvoorspelbare gedrag van de kiezer. Daar is voor politieke bestuurders nu het onvoorspelbare gedrag bij gekomen van de controleurs. Risicomijdend en conventioneel gedrag loont, voor eigenzinnigheid is geen plaats.

Roel in 't Veld en Bram Peper. Beiden werden naar Den Haag gehaald wegens hun meerwaarde die ze zouden kunnen leveren aan het openbaar bestuur. Beiden vielen onder de noemer kwaliteitsimpuls. Beiden werden zaken aangerekend die toen ze speelden hun niet werden aangerekend. Zij werden elk op hun manier slachtoffer van de moraal met terugwerkende kracht. Dat is met recht te beschouwen als de tragiek: de tragiek van de huichelachtigheid.

Mark Kranenburg is redacteur van NRC Handelsblad.