Ontslag-brief minister Peper

A. Peper (60) maakte sinds augustus 1998 deel uit van het tweede kabinet-Kok op de post Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarvoor was hij zestien jaar burgemeester van Rotterdam.

Hieronder de letterlijke tekst van de brief die minister Peper gisteren aan minister-president Kok schreef en waarin hij zijn ontslagverzoek toelicht:

Het rumoer – in het bijzonder in de vorm van aantijgingen en verdachtmakingen over mijn integriteit – , dat sinds de vroege herfst van 1999 tot op heden, het vroege voorjaar van 2000, is ontstaan en nog steeds voortduurt, is een aanmerkelijke belasting voor het openbaar bestuur. De aanleiding voor dit alles is, zoals bekend, een onderzoek dat een commissie uit de Gemeenteraad van Rotterdam – de Commissie tot Onderzoek van de Rekening (COR) – uitvoert naar de bestuurskosten van de Colleges van Burgemeesters en Wethouders in de periode 1986-1999. In die periode – tot begin augustus 1998 – was ik burgemeester van Rotterdam (1982-1998). In die verantwoordelijkheid ben ik nu – naast de wethouders in de onderzochte periode – object van onderzoek. Bij herhaling zijn de afgelopen maanden de – als vertrouwelijk aangemerkte – werkzaamheden en documenten van deze onderzoekscommissie naar buiten gekomen, met alle gevolgen vandien, in het bijzonder waar het gaat om mijn eer en goede naam.

Het belang van het openbaar bestuur en mijn wens om in vrijheid te (kunnen) reageren op de bevindingen in de rapportages, en om deze te kunnen aanvechten, laten zich, naar mijn opvatting, niet verenigen met de voortzetting van het ministerschap (van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). De positie van de minister die verantwoordelijk is voor het openbaar bestuur, veronderstelt dat hij op een gezagsvolle, dus onomstreden wijze leiding kan geven aan ditzelfde openbaar bestuur. De kwestie-Rotterdam zal – zo voorzie ik – immers nog lange tijd aandacht blijven trekken. Het openbaar bestuur is mij te lief om het in de weg te staan. Overigens: het bewaken en verdedigen van mijn intellectuele en persoonlijke integriteit houdt voorts ten diepste in het vermogen afstand te houden, respectievelijk de bereidheid afscheid te nemen. Dat doe ik nu.

Te werken aan een zelfbewust, gedurfd en solide openbaar bestuur blijft een immens belangrijke opgave voor ons land. Dat ik daar zelf als minister geen bijdrage meer aan kan leveren, is wel het minste ongemak dat Nederland kan overkomen.

Met het verzoek aan u om te bewilligen in de aanvaarding van mijn ontslag met onmiddellijke ingang, en om doorgeleiding van dit verzoek aan Hare Majesteit de Koningin, verblijf ik,

Met vriendelijke groet en hoogachting,

A. Peper