Na de affaire-Peper

TOT HET ALLERLAATSTE moment is ex-minister Peper trouw gebleven aan zijn karakter. Terwijl de Rotterdamse raadscommissie haar rapportage over het declaratiegedrag van de voormalige burgemeester uitstelde en de politieke leiding van zijn partij nog even op tijd wilde spelen, heeft Peper gisteren ten langen leste de regie in eigen hand genomen.

Hij heeft zich zo een autonome positie verschaft tegenover het rapport van de gemeenteraad en geen gehoor gegeven aan het gefluisterde verlangen van vooral fractievoorzitter Melkert nog even af te wachten. Volgens Peper zou hij als minister namelijk niet vrij zijn geweest om zich te verweren tegen eventuele aantijgingen uit de gemeenteraad die hij tussen 1982 en 1998 heeft gepresideerd. De minister van Binnenlandse Zaken moet boven de partijen kunnen staan. Zijn voorganger Van Thijn had dat tijdens de IRT-affaire ruim vijf jaar geleden al tot schade en schande ervaren. Door het ,,rumoer'' dreigde ook Peper nu een der partijen te worden. En daarmee zou hij naar eigen zeggen het openbaar bestuur ,,aanmerkelijk hebben belast''.

De stap van Peper is verstandig. Hij heeft afgelopen weekeinde uiteindelijk onderkend dat persoonlijk en algemeen belang elkaar in de weg zaten. Dat hij heeft gekozen voor een scheiding van rollen verdient waardering.

GISTEREN REES niettemin de vraag waarom Peper nu al de handdoek in de ring gooide, waarom hij zich niet tot het bittere einde wilde verdedigen. Die vraag is op zichzelf begrijpelijk. Hoewel het resultaat van het onderzoek door de Rotterdamse raadscommissie nog niet bekend is, heeft Peper tot nu toe immers steeds alle halve en hele beschuldigingen categorisch ontkend.

Die `robuuste' koppigheid heeft een geschiedenis. Zestien jaar heeft Peper de tweede stad van Nederland zonder serieuze tegenspraak kunnen leiden. Hij heeft in die periode veel betekend. Rotterdam is tijdens zijn burgemeesterschap een echte stad geworden. Maar de wijze waarop hij zijn taak vervulde, had ook een keerzijde. Naarmate Peper langer bleef zitten, kreeg zijn bestuur autocratischer trekjes en maakte hij dus meer vijanden. De meerderheid van de Rotterdamse raad zweeg daarover al die jaren. Ook tijdens de persoonlijke crisis, die Peper ruim tien jaar geleden doormaakte, werd hem niet te verstaan gegeven dat het tijd werd de fakkel over te dragen. Pas na zijn benoeming in 1998 tot minister van Binnenlandse Zaken in het tweede kabinet-Kok kwam deze erfenis naar buiten en besloot de gemeenteraad met terugwerkende kracht zijn controlerende functie te revitaliseren.

Burgemeester Opstelten, de opvolger van Peper, liet dat proces op zijn beloop. Hij zou zijn gewicht in de schaal hebben kunnen leggen door het onderzoek naar de handel en wandel van de vroegere burgemeester en wethouders juist niet door de eveneens betrokken gemeenteraad te laten doen. De ervaring in de provincie Zuid-Holland, waar oud-minister Van Dijk de zogeheten `Ceteco-affaire' in een goed en ook leesbaar rapport had doorgelicht, had een bron van inspiratie kunnen zijn. Dat mocht niet zo zijn. Vanaf dat moment escaleerde de zaak. Ook de journalistiek liet zich niet onbetuigd. Wie uiteindelijk wie heeft gebruikt, is een kwestie van de kip en het ei. Maar hoofd- en bijzaak werden wel steeds moeilijker te ontwarren.

PEPER HEEFT daaraan zelf eveneens het nodige bijgedragen. Bijvoorbeeld door tegenover het accountantsbureau KPMG van de gemeente Rotterdam een eigen accountant en een eigen advocaat in te zetten. Daarmee veranderde het conflict tussen de ex-burgemeester en de stad successievelijk van een publiek in een civiel geschil. Voorlopige resultaten van het onderzoek kwamen naar buiten, relatieve buitenstaanders (zoals voorzitter Korthals Altes van de Eerste Kamer) gingen vanaf de zijlijn commentariëren, conceptrapporten en amendementen werden over en weer gestuurd en accountants of advocaten begonnen zich als spreekbuis van een der partijen op te werpen. De afwikkeling van de `affaire-Peper' werd aldus een zaak van commerciële adviseurs in plaats van publieke bestuurders.

De vraag is daarom relevanter waarom Peper niet al gisteren maar pas gisteren is opgestapt. Als het waar is dat hij zich ,,vrij'' wilde voelen om de beschuldigingen te ontkrachten, dan zou de minister eerder een stap opzij hebben moeten doen. In Nederland is het geen gebruikelijke figuur. Toch zou hij een voorbeeld hebben kunnen nemen aan de Franse minister van Financiën, Strauss Kahn, die, nadat hij van corruptie werd beschuldigd, besloot terug te treden gedurende het lopende onderzoek. Zo'n tijdelijk vertrek zou uiteraard geen garantie zijn geweest dat Peper na verloop van tijd zijn post op Binnenlandse Zaken weer zou hebben kunnen innemen. Maar de minister had dan wel een precedent geschapen, conform zijn eigen verlangen om ,,in het belang van het openbaar bestuur'' te handelen.

NU HET ANDERS is gelopen, resteert slechts lering achteraf. Het vertrek van Peper hoeft het openbaar bestuur in zijn geheel niet te bedreigen. Zijn ontslag is eerst en vooral het gevolg van een botsing tussen een soms onmatige persoonlijkheid en een conformistische gemeenteraad. Maar dat laat onverlet dat het niet zover mag komen dat Peper alsnog gelijk krijgt met zijn sarcastische conclusie dat Nederland een `bonnenmonarchie' is geworden.

Publieke bestuurders moeten zich altijd verantwoorden voor hun beleid en dus ook voor de wijze waarop ze gemeenschapsgelden daarvoor aanwenden. Duidelijke richtlijnen zijn daarbij geboden. Anders kunnen regels geen regels zijn. Maar een politiek bestuurder moet ook een redelijke vrijheid van handelen hebben. Als elke gulden voor een tijdschrift of etentje er een te veel kan zijn, is het signaal aan potentiële kandidaten die het publieke domein willen dienen helder: hoe braver hoe beter. De res publica heeft mannen en vrouwen `in their own right' nodig die over genoeg zelfvertrouwen beschikken om door te drukken als het moet en over voldoende bescheidenheid om zich aan controle te onderwerpen. Creativiteit én verantwoording zijn en blijven kernbegrippen in een democratische maatschappij.