Köhler of de gladiolen

Niemand kon het zich permitteren de tweede Duitse kandidaat voor het IMF af te wijzen. Maar is Horst Köhler de juiste man op de juiste plaats?

Eine erstaunliche europäische Leistung, een verbazingwekkende Europese prestatie, zo noemde de Duitse minister van Financiën Eichel het gisteren. In recordtijd waren de ministers van de EU het eens geworden over de voordracht van de Duitser Horst Köhler als directeur van het Internationale Monetaire Fonds. Die recordtijd was ook hard nodig, want twee weken geleden sneuvelde de vorige kandidaat, de staatssecretaris van Financiën Caio Koch-Weser, nadat de regering-Clinton hem te licht bevond voor de post.

De zwakke kandidatuur, die in de Europese Unie zelf al niet onomstreden was, dreigde te leiden tot chaos. Japan schoof snel voormalig topambtenaar Eisuke Sakakibara naar voren, een groep van ontwikkelingslanden zag zijn kans schoon met de kandidatuur van Stanley Fischer, de in Zimbabwe geboren tweede man van het IMF.

De Duitse regering kon, na altijd een Franse topman van het IMF te hebben geslikt, het zich niet permitteren om na de smadelijke afwijzing van Koch-Weser niet met een tweede eigen kandidaat te komen. De EU kon het zich niet permitteren om opnieuw langdurig te worstelen met een door Duitsland geopperde kandidaat. En president Clinton wilde kennelijk Europa niet voor een tweede maal vernederen.

En dus werd het Hans, eh, Horst Köhler - zoals de Franse minister Sautter zich gisteren tot tweemaal toe vergiste in de zijn voornaam.

Maar is hij straks de juiste man op de juiste plaats? ,,Dr. Horst Köhler voldoet aan alle voorwaarden die men kan stellen aan een directeur van het IMF,'' zo begint zijn gisteren verspreide curriculum vitea, dat zich met zo'n aanhef eerder laat lezen als het garantiebewijs voor een zojuist aangeschafte boormachine. Köhler komt uit het cv naar voren als een man met vrijwel alleen nationale bureaucratische ervaring. De internationale betrokkenheid van de voormalige staatssecretaris wordt zwaar aangezet door te wijzen op zijn rol als voorbereider van ontmoetingen van de G-7 en het IMF voor de Duitse regering. Ook adviseerde hij namens Duitsland de Indonesische president Soeharto tijdens de economische crisis van 1998, en was in die positie `in staat een majeure invloed uit te oefenen op de stabilisatie van Indonesië' - een rol die weinigen buiten Duitsland zal zijn opgevallen. Sinds anderhalf jaar is Köhler wel topman van de Oost-Europabank. Maar om hem sinds september 1998 toe te rekenen dat hij `de laatste jaren er in is geslaagd de strategische heroriëntatie van de bank' door te voeren gaat ver. Ook al omdat `mede dankzij hem' de bank in 1999 `de grootste winst tot nu toe' heeft laten zien. Dat lukt de topman van een grote onderneming, met absolute macht, zonder kunst- en vliegwerk niet eens in zijn eerste jaar. Tot 1997 was de EBRD vooral in opbouw, 1998 was een rampjaar voor Oost-Europa, zodat in 1999 de grootste winst onder wiens leiding dan ook zou zijn behaald.

Köhlers talenten op het internationale financiële vlak zijn dus nauwelijks bewezen. De terughoudendheid van de VS met Koch-Weser concentreerde zich op de nieuwe, beperktere en puur technische financiële rol die Washington graag voor het IMF zou zien. Daar hoort eerder een politicus-bankier bij, zoals de voormalige minister van Financiën Rubin, dan een Rijnlandse bureaucraat. Met de steun van Washington voor Köhler is die bron van onenigheid tussen Europa en de VS vannacht niet opgelost, maar slechts in de tijd vooruit geschoven.